Een glazenmaker op de Parnas
Twee carrières van Jan Vos (1610-1667)
Nina GeerdinkNina Geerdink werkt als docent/onderzoeker bij de opleiding Nederlands van de Radboud Universiteit Nijmegen. Haar onderzoeksspecialisme is de zeventiende-eeuwse letterkunde, meer in het bijzonder sociale poëzie, dichterschap en politieke actualiteit in literatuur. Haar proefschrift over de sociale verankering van het dichterschap van Jan Vos verschijnt voorjaar 2012. n.geerdink@let.ru.nl
Abstract

A poet and glazier, Jan Vos (1610-1667) ran his own small glazier business in the Kalverstraat in Amsterdam. His careers as both poet and glazier converged in several ways. This article shows how Vos the poet portrayed himself as a glazier in his poems, while Vos the glazier profited from his reputation as (city) poet, as he used his poetry to obtain orders from the Amsterdam city government to install/replace window panes.

Keywords
literary careers; self-representation; craftsmen; patronage

In een dialoogpamflet uit 1660 worden de acteur Jan Tamboer de volgende woorden in de mond gelegd, terwijl hij zich richt tot de dichter en glazenmaker Jan Vos (1610-1667): ‘hade ghy des vermaerden Lessen-lesers Glasen-stopper niet gheweest / jou Titus had den hals wel ghebroken’.[1] Titus representeert hier het toneeldebuut van Vos uit 1641, de gruweltragedie Aran en Titus. De ‘vermaerden Lessen-leser’ moet Casper van Baerle (1584-1648) zijn, professor aan het Amsterdamse Athenaeum Illustre. Van Baerle was de grote stimulator van Vos’ literaire carrière. Hij ging Aran en Titus zeven keer zien, spoorde zijn literaire vrienden in verschillende brieven aan zijn voorbeeld te volgen en schreef een drempeldicht voor de publicatie. Vos kon deze reclame wel gebruiken, want hij genoot vóór de opvoering van zijn eersteling nog nauwelijks bekendheid in literaire kring.

Na de positieve ontvangst van Aran en Titus gaat het snel met Vos. Hij zou pas ruim twintig jaar later weer een tragedie schrijven, maar in de tussentijd werkt hij zich op tot een centrale figuur in het Amsterdamse dichterslandschap. Vos komt – waarschijnlijk via Van Baerle – in contact met de Amsterdamse bestuurlijke elite en schrijft talloze gedichten over Amsterdam en aan en over haar regenten. Hij is steevast degene die verantwoordelijk is voor de tableaux vivants ter gelegenheid van feestelijke aangelegenheden en inkomsten in de stad en hij is vanaf 1647 tot aan zijn dood bijna onafgebroken een van de bestuurders van de schouwburg.[2]

Vos had in de Kalverstraat een glazenmakersbedrijf, dat voorzag in het inzetten van glazen ruiten in ramen van huizen en andere gebouwen. Volgens het pamflet uit 1660 zou hij zijn succesvolle literaire loopbaan te danken hebben aan dat glazenmakerschap. De redenering in het pamflet is dat als Vos niet door Van Baerle was ingehuurd als glazenmaker, hij nooit met hem in contact was gekomen, hij diens duw in de rug had moeten ontberen en dientengevolge nooit zoveel succes had kunnen oogsten met Aran en Titus. Uiteraard kunnen we niet al te veel waarde hechten aan een uitspraak in een pamflet dat twintig jaar na dato vervaardigd werd, en controleren kunnen we het ook niet – noch van Vos noch van Van Baerle zijn archieven overgeleverd waarin nagekeken kan worden of Vos door Van Baerle betaald werd als glazenmaker. Op basis van Vos’ gedichten kan echter wel geconcludeerd worden dat het glazenmakerschap hem op verschillende andere manieren van pas kwam als dichter. En andersom had Vos als glazenmaker veel baat bij zijn dichterschap.

Vos was als dichter en glazenmaker actief rond het midden van de eeuw en kon ogenschijnlijk profiteren van de economische en sociale dynamiek die in de inleiding bij dit themanummer geschetst wordt door Maarten Prak. Zonder klassieke opleiding wist hij een vooraanstaande positie te veroveren in de literaire en bestuurlijke elite. Niet alleen als dichter en schouwburghoofd, maar ook als glazenmaker kreeg Vos erkenning. Hij werd benoemd tot ‘stadsglazenmaker’ en was in die functie betrokken bij de stadsuitbreidingen en bij verschillende van de monumentale gebouwen die in deze periode gebouwd werden, waaronder het nieuwe stadhuis (1655), nu het Paleis op de Dam. Dat het zowel de dichter als de glazenmaker voor de wind ging, is niet los van elkaar te zien: de twee functies waren nauw met elkaar verweven.[3]

De dichter-glazenmaker als verrassing van het jaar 1641

In Van Baerles enthousiaste reacties op Aran en Titus speelt Vos’ beroep een belangrijke rol. Vos’ literaire verdiensten werden ogenschijnlijk extra gewaardeerd vanwege zijn verrassende achtergrond als glazenmaker en zijn daarmee samenhangende ‘ongeletterdheid’. In Van Baerles drempeldicht bij Aran en Titus wordt Vos’ glazenmakerschap tegen het eind gepresenteerd als een anticlimax: Van Baerle veronderstelt dat de lezer, na al zijn lof voor het stuk, wel zal denken dat het geschreven is door Sophocles, Aeschylus of Euripides, maar daarvan is geen sprake: het stuk is geschreven door ‘een Ambachtsman, een ongelettert gast’.[4] Ook Jan Victorijn (1589-1642) verbindt zijn bewondering voor het stuk van Vos aan diens beroep en educatie.[5] Verwonderd klinkt het in zijn gedicht: ‘Een Glazemaker, die niet dan zijn moeders taal / En kan, verdooft de glans bynae van all te mael / De Dichters’.

In een drempeldicht van Constantijn Huygens (1596-1687) uit 1642 worden het ‘dichten’ van glazen en van gedichten met elkaar vergeleken in een vernuftig woordspel – beide zijn bijvoorbeeld ‘dicht’ (dus het tegenovergestelde van ‘open’, maar ook: vernuftig, moeilijk doordringbaar) en ‘doorluchtigh’ (licht doorlatend, maar ook: verheven).[6] Na Huygens maken ook andere lofdichters de woordspelige vergelijking tussen het dichten van glazen en het dichten van gedichten, Vos zelf incluis. Het was voor een van de vele kritische pamflettisten in 1660 reden om te veronderstellen dat geleerde heren als Van Baerle en Huygens eigenlijk niets in Vos zagen, zij deden immers ‘niet als van Glas / ja doorschijnigh Glas / in hare gedichten te reppen / als oock van syne ongelettertheyt’.[7] Maar voor Vos was ‘glazenmaker’ dankzij reacties als die van Huygens en Van Baerle juist een soort geuzennaam geworden.

De verwijzingen naar het glazenmakerschap dienden niet alleen om Vos’ literaire kwaliteiten als uitzonderlijk te bestempelen en daardoor meer waarde toe te kennen – dat verrassingseffect ebde natuurlijk weg naarmate Vos als dichter meer bekendheid verwierf. Jeremias de Decker (1609-1666) benadrukt in zijn lofdicht uit 1659, met de veelbetekenende titel ‘Op het Dicht-Werck van den geestrijcken Poëet Jan Vos, Glasemaker’, dat Vos’ gedichten leerzaam kunnen zijn voor ijdele ‘letter-basen’ die te koop lopen met hun kennis van de klassieke talen, zelfs al behelst dit slechts wat ‘school-latijns’.[8] Net als Huygens maakt De Decker hierbij woordspelig gebruik van de vergelijking tussen verzen en glazen: Vos’ verzen kunnen het brein van deze ‘letter-basen’ verlichten, zoals zijn glazen ieders ogen verlichten.[9] Er is een oppositie tussen de ‘letter-basen’ en de ogenschijnlijk minder geleerde, maar des te meer inspirerende Vos.

Ook Vos zelf presenteert zijn glazenmakerschap in zijn gedichten in oppositie met de Republiek der Letteren. Tegenover het dichterschap stelt hij de glazenmakerij voor als een ambacht, dat hij slechts uitoefent omdat er geld mee verdiend kan worden: er valt geen eer aan te behalen. Het zeventiende-eeuwse dichterschap bestond bij de gratie van eer en in poëticale debatten werd afstand gecreëerd tot ambachtelijkheid door bijvoorbeeld nadruk te leggen op de goddelijke inspiratie.[10] Waarom verwijst Vos dan toch zo regelmatig naar zijn loopbaan als glazenmaker? Ik vermoed dat de onderstreping van het glazenmakerschap in Vos’ gedichten in verband gebracht moet worden met een positief discours rondom ambachtslieden en ambachtelijkheid in de vroegmoderne tijd.

De oprechte dichter-glazenmaker

Cultuursocioloog Richard Sennett schrijft in zijn studie The Craftsman: ‘From the origins of classical civilization, craftsmen have always suffered mistreatment’.[11] De sociale waardering van de ambachtsman was inderdaad meestal laag, maar ambachtslieden hebben in het verleden toch ook vaak een bijzondere positie ingenomen in de sociale hiërarchie, daar geeft Sennett zelf ook voorbeelden van. In het christendom bijvoorbeeld heeft de ambachtsman vanwege zijn veronderstelde nederigheid en de connectie met Christus, een timmermanszoon, altijd waardering genoten. En bij de vroege Grieken werden ambachtslieden gezien als de spil van de gemeenschap, omdat alles wat zij produceerden ten goede kwam aan die gemeenschap.[12] Annette de Vries laat in haar kunsthistorische studie Ingelijst werk zien dat de waardering voor arbeidzaamheid en vlijt ook in de vroegmoderne Nederlandse schilderkunst groot was. Ambachtslieden dienden op schilderijen en prenten vaak als exemplum voor goed gedrag.[13]

Behalve de idee dat ambachtslieden hard werkten en nuttige producten voor de gemeenschap maakten, speelde bij de positieve waardering van ambachtslieden in de zeventiende-eeuwse Republiek ook iets anders een rol. Dat had meer te maken met wat ze verdienden, dan met wat ze produceerden. Doordat ambachtslieden minder dan de koopliedenklasse hadden geprofiteerd van de economische vlucht van de Gouden Eeuw, waren zij relatief arm gebleven.[14] De ambachtslieden representeerden daarom voor de rijke bovenlaag van de bevolking eenvoud, maar ook: stabiliteit. De veelheid aan mogelijkheden om in de Republiek in korte tijd rijk te worden maakte achterdochtig. Geld werd vaak gezien als de personificatie van ijdelheid en vergankelijk genot.[15] Tegenover geld stond armoede, tegenover ijdelheid en vergankelijk genot stonden oprechtheid en stabiele eenvoud. Deze associaties zijn in veel zeventiende-eeuwse publicaties terug te vinden. Bij Vos zelf bijvoorbeeld in zijn gedicht ter ere van het Aalmoezeniersweeshuis.[16] Hij introduceert het onderwerp van dat gedicht, die ‘arme’ stof, in de eerste regels als ‘overrijk’, omdat het niets dan de waarheid is:

Ik zal mijn veeder in geen Grieksche Hippokreen,

Maar in de traanen van de schreiend’ Armoedt doopen.

Wie niet dan waarheidt zingt hoeft om geen hulp te loopen.

Weg, groote hoven, weg, gy zijt te kleen van lof.

Ik vindt in ’t Armehuis een overrijke stof.

Uiteraard waren ambachtslieden niet zo arm als de wezen in het Aalmoezeniersweeshuis, maar behalve hun relatieve armoede hadden zij ook nog het imago dat ze hard werkten voor hun geld. In tegenstelling tot kooplieden, van wie het beeld bestond dat ze voor hun werk nog wel eens moesten liegen en draaien, bestond van ambachtslieden het beeld dat ze de waarheid spraken.[17] En het spreken van de waarheid werd in de vroegmoderne tijd van groot belang geacht.[18]

Literatuurwetenschapper Laurie Ellinghausen heeft recent in haar studie Labor and Writing in Early Modern England laten zien hoe verschillende auteurs in het zeventiende-eeuwse Engeland zich profileerden als hardwerkende ambachtslieden. Zij deden dat om zich te onderscheiden van enerzijds de aristocratische amateurdichters die zichzelf een hogere roeping toedichtten, en anderzijds van dichters die probeerden geld te verdienen met hun gedichten of daar anderszins hun voordeel mee te doen. Door een underdog positie in te nemen, konden deze dichters voorkomen dat hun dichtpublicaties gezien werden als onderdeel van de ‘kapitalistische’ ontwikkelingen van de eeuw. Zelfs auteurs die niet daadwerkelijk een achtergrond als ambachtsman hadden, flirtten met dit imago.[19]

Vos lijkt zijn glazenmakerschap ook op deze manier in te zetten. Als gegoede middenklasser was Vos misschien geen echte ambachtsman, maar hij positioneerde zich wel als zodanig. Dat doet hij bijvoorbeeld in een gedicht dat hij bij zijn aantreden als schouwburghoofd aan de rijke koopman en dichter Jan Six (1618-1700) schrijft.[20] In dit hyperbolische gedicht somt Vos uitgebreid op wat een eindeloze mogelijkheden hij als schouwburghoofd heeft om van alles en nog wat op het toneel te krijgen. Het voornaamste doel daarbij is het ‘onderwijzen’ van ‘vorsten’. Op ludieke wijze contrasteert Vos de ‘macht’ die hij als schouwburghoofd zou hebben met de dagelijkse praktijk. Hij schrijft aan het eind van het gedicht:

Dat hier het wonderst’ schynt van allen,

Is dat ik zoo veel Cezars maak,

En zelf niet op de troon kom brallen.

Zoo blykt dat ik de Staatzucht wraak.

Ondanks zijn mogelijkheden om machthebbers te creëren (op het toneel te brengen) heeft hij zelf geen last van ‘staatzucht’. Een extra – en blijkens de laatste regel doorslaggevend – bewijs voor zijn afkeer van staatzucht is te vinden in zijn ‘voorhuis’, aldus Vos in de laatste regels van het gedicht:

Of eist gy ander blyk van wraaken?

Zoo neem myn voorhuis tot uw wyk:

Hier doet de buik my glaazemaaken.

De zeekerheidt bestaat in blyk*. *blyk: bewijs

Het feit dat hij daar glazen maakt om te voorzien in zijn levensonderhoud was zo zeer in tegenstelling met het vorstendom, dat het kon bewijzen dat Vos geen machtswellusteling was. Het glazenmakerschap maakt zo deel uit van Vos’ profilering als een oprechte dichter.

Die profilering was van groot belang in het dichterschap van Vos, dat zich ontwikkelde tot een ‘stadsdichterschap’ avant la lettre: het merendeel van Vos’ gedichten maakt deel uit van een patronagerelatie met de Amsterdamse regenten en bezingt belangrijke gebeurtenissen of bezittingen in hun bestuurlijke of persoonlijke levens.[21] Door de profilering als ambachtsman beschermde Vos zijn stadsdichterschap als het ware. Hem zou verweten kunnen worden dat hij dichtte om er beter van te worden – en dat gebeurde ook zo nu en dan – maar door glazenmaker- en dichterschap tegenover elkaar te plaatsen kon dit verwijt weerlegd worden. Dat blijkt bijvoorbeeld uit een puntig briefdichtje aan de rijke regentenzoon Joan Hinlopen (1626-1666).[22] In het gedichtje, dat in 1658 publiek gemaakt werd door publicatie in de bloemlezing Apollo’s Harp, verdedigt Vos zichzelf tegen het blijkbaar door Hinlopen geuite verwijt dat hij te weinig gedichten zou schrijven.[23] Hij wijt zijn geringe productie aan zijn ‘huisplicht’. Vos verwijst in deze tekst niet letterlijk naar zijn glazenmakerschap, maar hij benadrukt wel dat er brood op de plank moet komen en dat hij zich dus niet, zoals veel andere dichters, een luxeleventje kan veroorloven waarin hij dag in dag uit zit te dichten: ‘Een ander laat zich ’t hooft, door kunst, met lauwren sieren. / De buik verzaadt zich niet door kransen van lauwrieren.’

Ook in een gedichtje aan Huygens, waarin het woordspel met ‘dichten’ centraal staat, plaatst Vos dichter- en glazenmakerschap tegenover elkaar: ‘Ik dicht het best om niet, en ’t slechtst’ dicht ik om geldt.’ Kortom: gedichten schrijven doet men voor de eer, glazen inzetten voor het geld. Door zich te profileren als glazenmaker, onderstreepte Vos zijn oprechtheid als dichter. Dat hij ondertussen wel degelijk munt kon slaan uit zijn dichterschap, zal blijken in het vervolg van dit artikel.

De dichter-glazenmaker als stadsglazenmaker

Op 16 oktober 1652 werd Vos door de stadsregering benoemd tot ‘stadsglazenmaker’.[24] Deze term komt in de resolutie van de thesauriers niet voor, maar Vos’ aanstelling – hij wordt samen met een andere glazenmaker (Cornelis Brouwersz.) aangesteld om nieuwe ramen te zetten en kapotte ramen te repareren in ‘alle deser stede, huijsen’ – is vergelijkbaar met die van stadsmetselaars, stadstimmermannen en andere stadswerkers.[25] Een verschil is dat Vos en Brouwersz., in tegenstelling tot de meeste stadswerkers, hun eigen instrumenten en materialen moesten gebruiken. De stadsglazenmakers moesten bovendien – maar dit wel in overeenstemming met de overige stadswerkers – voor elke klus opnieuw opdracht krijgen van de thesauriers, zo staat het te lezen in de ‘conditien’ in de resolutie van 1652.

In de resolutie waarin Vos’ aanstelling als stadsglazenmaker vastgelegd werd, wordt geen einddatum genoemd. Uit 1653 en 1654 zijn nog resoluties overgeleverd waaruit blijkt dat Vos ook in die jaren ‘stadsglazenmaker’ was;[26] uit een resolutie van 28 februari 1657 blijkt dat Vos opdracht kreeg de glazen van alle gebouwen van de stad buiten de stadsmuren te repareren, en de glazen van het stadhuis te ‘stoppen’;[27] en in 1660 wordt Vos ‘stadsglazenmaker’ genoemd in een pamflet.[28] Uit de periode na 1660 heb ik geen documenten gevonden waaruit blijkt dat Vos nog steeds stadsglazenmaker was. Feit is dat het voor Vos, omdat geen einddatum afgesproken was en omdat voor elke opdracht opnieuw toestemming verkregen moest worden, van groot belang was de burgemeesters en thesauriers geen enkele reden te geven de aanstelling te beëindigen of het aantal opdrachten te verkleinen. Hij moest dus goed werk leveren, maar ook de relatie met de stadsregenten goed houden. De patronagerelatie tussen Vos en de regenten behelsde dat Vos met zijn gedichten en op andere manieren (als schouwburghoofd bijvoorbeeld) het beleid van de Amsterdamse stadsregenten en hun imago als kunstminnaars ondersteunde. In ruil daarvoor (al werd deze uitwisseling niet geëxpliciteerd), werd hij bijvoorbeeld uitgenodigd bij stedelijke en persoonlijke feesten en partijen, en kreeg hij regelmatig opdracht om vertoningen te maken, waarvoor hij goed betaald kreeg. Het is aannemelijk dat ook Vos’ stedelijke opdrachten om glazen te zetten en repareren deel uitmaakten van de patronagerelatie. Vos’ gedichten wijzen in ieder geval in die richting.

Dichten voor glazenmakersopdrachten

Een steeds weer terugkerend thema in de gedichten die Vos over Amsterdam en aan haar regenten schrijft, is de nieuwbouw in de stad. In veel gedichten wordt die nieuwbouw gebruikt om de Amsterdamse welvaart te illustreren. Er is het gedicht ter ere van het nieuwe stadhuis en er zijn verschillende (kortere) gedichten op gebouwen die net als het stadhuis op de Dam vanwege architectuur of bestemming deel uitmaakten van Amsterdams trots, zoals het beursgebouw, het Oost-Indisch huis, de schermschool, de scheepstimmerwerf en het Aalmoezeniershuis. Bij de bouw of reparatie van sommige van deze gebouwen was Vos als glazenmaker betrokken.

In bijna alle gedichten bij stedelijke gebouwen dient de (nieuw)bouw als metafoor voor de bloei en welvaart van de stad. Hierdoor wordt de Amsterdamse pracht en praal verdedigd tegenover mogelijke critici die vonden dat er te veel en te luxueus gebouwd werd. Ik zal dit illustreren aan de hand van de Vergrooting, een lang allegorisch-episch gedicht dat Vos in 1662 schreef ter gelegenheid van de vierde stadsuitleg.[29] Aan de uitleg werd vanaf 1660 gewerkt, maar daar was jarenlang getouwtrek tussen verschillende bouwheren, stadsbestuurders en andere belanghebbenden aan voorafgegaan. Pas in 1662 werd het definitieve ontwerp vastgesteld door de stadsregering.[30] Dit zal de aanleiding zijn geweest voor Vos’ lofdicht.

In Vos’ gedicht wordt de totstandkoming van de vierde uitleg beschreven en ook hier zijn de nodige hobbels te nemen voor deze daadwerkelijk een feit is. In een allegorische strijd tussen een bonte verzameling aan personificaties en klassieke goden strijden onder andere Nijd, Aarde, Boosheid en Mars tegen de uitleg, terwijl Zeege, Mercurius en Minerva de verdediging aanvoeren. De uitleg wordt zo alleen al door de opzet van het gedicht verbonden aan vrede, handel en kunst, en inderdaad wordt in het gedicht meermaals benadrukt dat zij samenhangen met de uitleg – enerzijds maken zij dat de stadsuitbreiding nodig is, anderzijds stimuleert die uitbreiding vrede, welvaart en culturele bloei. Deze samenhang moet keer op keer benadrukt worden om nieuwe kritische geluiden te overstemmen. Daartoe passeren ook vele (min of meer) voltooide Amsterdamse bouwwerken de revue waarmee Vos als glazenmaker en dichter in verband gebracht kon worden. Het gedicht is een aaneenschakeling van overwinningen (op het verzet) en teleurstellingen (omdat er nieuw verzet opduikt), maar uiteraard is de definitieve zege uiteindelijk voor die personificaties en goden die het succes van Amsterdam representeren, en kan de lof van de vierde uitleg gezongen worden.

Vos ondersteunt en stimuleert aldus in dit en vele andere gedichten het bouwbeleid van de Amsterdamse regenten. Er kan hem niet genoeg gebouwd worden, zo lijkt het. En inderdaad, hoe meer er gebouwd wordt, hoe groter de kans dat zijn inkomen als glazenmaker stijgt. De thematiek van de nieuwbouw in Vos’ gedichten kan dus zijn positie als glazenmaker ondersteunen, zeker ook omdat gedichten waarin deze thematiek een rol speelt, vaak opgedragen zijn aan de thesauriers – de bestuurders die het voor het zeggen hadden waar het Vos’ bestaan als stadsglazenmaker betrof. De Vergrooting bijvoorbeeld was opgedragen aan de vier burgemeesters en twee thesauriers van 1662.[31] Het publiekelijk ondersteunen van het bouwbeleid van de thesauriers kan gezien worden als onderdeel van de patronagerelatie tussen Vos en de Amsterdamse stadsregenten, die Vos in ruil daarvoor bijvoorbeeld opdrachten zouden kunnen geven als glazenmaker. Door deze relatie en de ‘uitruilmogelijkheden’ te thematiseren, kon Vos er wellicht nog meer van profiteren.

Die thematisering vindt bijvoorbeeld plaats in een gedicht dat Vos schrijft ter ere van een maaltijd van de thesauriers. Op 22 juni 1663 besluit de stadsregering het aantal thesauriers met twee te vermeerderen. Het werk groeit de twee zittende thesauriers boven het hoofd vanwege de financiële administratie die de vele bouwwerkzaamheden met zich meebrengen – aan het stadhuis wordt nog steeds gebouwd, en Amsterdam zit middenin de vierde stadsuitleg. Vanaf 27 juni 1663 zijn er daarom vier thesauriers: naast Gerrit Schaep (1598-1666) en Cornelis Witsen (1605-1669) nu ook Hendrik Hooft (1617-1678) en Gillis Valckenier (1623-1680).[32] Aan deze vier regenten richt Vos zijn gedicht ‘Ter Maaltydt van d’Eed. Eed. Heeren Schatbezorgers t’Amsterdam, toen zy de Bouwkunst met haar taafel vereerden.’[33] In het gedicht wordt beschreven hoe de ‘schatbezorgers’ (de thesauriers) Bouwkunst hebben uitgenodigd voor een maaltijd, uit oprechte dank voor al haar arbeid in de stad. Er wordt veel wijn geschonken en Minerva schuift ook nog aan – zonder krijgsuitrusting – dus het wordt een vrolijke bijeenkomst. Het gedicht is allegorisch te lezen voor een maaltijd waarmee de stad haar belangrijkste bouwmeesters in het zonnetje wilde zetten en bij zo’n gelegenheid heeft Vos dit gedicht wellicht geschreven – misschien was hij er bij om de feestelijkheid als dichter op te vrolijken, of omdat hij als glazenmaker, net als andere bouwmeesters, genodigd was.[34]

Het gedicht van Vos is als altijd vol lof over Amsterdam en haar bestuurders, en wordt concreet ingezet als een verdediging van het bouwbeleid van het stadsbestuur, net als de Vergrooting en andere gedichten. Minerva spreekt de Bouwkunst toe:

O Bouwkunst! sprak Minerf, o praalpronk van de Stadt!

Ik laat mijn zetel om in dit vertrek te koomen.

Ik wil dat gy van daag uw lasten zult betoomen.

De zorgen kan men best verpoozen door de wijn.

Wie zwaar zal bouwen dient bywijl verlicht te zijn.

’t Vernuft der geesten mach men niet te nauw bepaalen:

Men moet, om ’t stompe brein te scherpen, aassem haalen.

De taaie luitsnaar knapt, door ’t spannen, als een draadt.

De wijze Schaap, zoo jong in moedt als oudt in raadt,

En Witsen, rijk van brein, en vol van dapperheeden,

En d’overwakkre Hooft, die ’t quaadt op ’t hart helpt treeden,

En Valkenier vol geest, belust om ’t groot en klein

Op ’t naast te weegen in de schaalen van zijn brein,

Zijn hier gekoomen om uw lasten te verlichten.

De gunst der Grooten dient om Kleenen te verplichten.

Wie dat zijn plicht volvoert behaagt zijn Overheer.

Er wordt in de eerste regels van de toespraak gesteld dat vernuftige geesten ook af en toe moeten ontspannen. Dat is een referentie aan de positie die Vos als schouwburghoofd en dichter bekleedt ten opzichte van de regenten – het toneel dat hij programmeert en de vertoningen en gedichten die hij maakt, presenteert hij regelmatig op deze manier: zij dienen om de dagelijkse bezigheden van de regenten op een nuttige manier te veraangenamen en soms te onderbreken. In dit geval echter zijn het de regenten zelf – vol lof geïntroduceerd – die voor ontspanning zorgen, ten behoeve van de Bouwkunst. De sententies waarmee de toespraak eindigt, roepen in hun algemeenheid weer allerlei verwante connotaties op. Slaat dit niet precies op de relatie tussen Vos en de regenten? Gunsten van de ‘groten’ zetten de ‘kleinen’ aan tot het behagen van de ‘groten’ – het patronagesysteem in een notendop. Aan het eind van het gedicht wordt hier opnieuw aan gerefereerd, dit keer bij monde van Vos zelf, en met nadruk op de beloning waar de regenten voor zouden moeten zorgen:

Een die het heilzaamst bouwt verdient de waardtste kroonen.

Het Staatwijs Y begeert haar geesten mildt te loonen.

Zoo deedt de schrandre Griek, en strijdtbare Latijn.

Wie rijk gedient wordt wil niet arm in ’t loonen zijn.

Vos legt de regenten hier feitelijk het ‘verlangen tot belonen’ op. Het gaat hier concreet om het belonen van de Bouwkunst, die onder andere Vos als glazenmaker representeert.

Dit gedicht kan in z’n geheel gelezen worden als een aansporing aan de thesauriers om goed voor de stedelijke werknemers in de bouw te zorgen, een aansporing die gezien moet worden in het licht van de financiële toestand van Amsterdam in deze jaren: vanwege de omvang van de vierde uitleg waren de thesauriers voortdurend genoodzaakt te bezuinigen en te beknibbelen, en daarvan konden stadsbouwmeesters en werknemers uit de bouw gemakkelijk de dupe worden.[35] Er is één gedicht waarin Vos de thesauriers heel concreet om een opdracht als glazenmaker vraagt, en dat zal niet toevallig in dezelfde periode geschreven zijn.

In ‘Verzoekschrift, aan d’Eed. Eed. Heeren Schatbezorgers van Amsterdam, &c.’, een gedicht dat we alleen kennen uit het postume Alle de gedichtenII uit 1671, richt Vos zich rechtstreeks tot de thesauriers met het verzoek ramen te mogen zetten in de verbouwde Bank van Lening.[36] De stedelijke Bank van Lening werd in 1614 opgericht en in 1664 uitgebreid; er werd toen een deel aan het bestaande pand aan de Nes vast gebouwd.[37] Bij die gelegenheid moet Vos zijn gedicht geschreven hebben.

Na een opening met de gebruikelijke lof aan het adres van Amsterdam, en het uitspreken van de verplichting die hij voelt ten opzichte van haar bestuurders – in dit geval de thesauriers – doet Vos zijn verzoek. Hij profileert zich daarbij nadrukkelijk als een soort stadsdichter:

Ik die, wanneer ’t de tijdt wil lijden, vaarzen dicht

Op Helden, Hartogen, Vorstinnen, Prinsen, Graaven

En Koningen, die door de Faam ten hemel draaven,

Verzoek het Leeninghuis te dichten met mijn glas.

Vos speelt opnieuw met het woord ‘dichten’ in deze regels: meestal dicht hij verzen op belangrijke personen, nu verzoekt hij het Leninghuis te ‘dichten’ met glas. Het woordspel wordt nog even voortgezet terwijl Vos uiteenzet wat voor een glazen hij zal maken: ‘Wie licht wil scheppen komt doorluchtig dicht te pas.’ Met ‘doorluchtig dicht’ wijst Vos erop dat zijn glazen lichtdoorlatend zullen zijn, maar het alludeert natuurlijk ook aan de ‘roemrijke’ verzen waarover hij in de geciteerde regels al schreef. Nadat Vos beschreven heeft hoe de glazen niet alleen licht door zullen laten, maar vooral ook (on)weer buiten zullen houden, komt hij terug op zijn verzoek, opnieuw met expliciete verwijzing naar zijn status als ‘stadsdichter’: ‘Vergun uw Dichter dat zijn hoop niet wordt gesnoert’ (mijn cursivering). Vos profileert zich in dit gedicht dus als ware hij een stadsdichter, ‘uw Dichter’ voor de thesauriers.

In de peroratio blijkt waartoe die profilering dient. Hier vraagt Vos om vergeving voor zijn vrijmoedige verzoek, daarbij opnieuw zijn dichterschap benadrukkend, maar ook verwijzend naar geldnood:

Vergeef het my zoo ik te stout veur u verschijn,

En uwe taay geduldt, door mijn verzoek, kom tergen.

Wie gunst by Heeren zoekt vereist ’er eerst te vergen.

De huiszorg, die gy mint, geeft my by u geleit.

Een Dichter heeft, bywijl, een weinig vryigheidt.

Zijn dichterschap, zo stelt Vos, geeft hem de vrijheid om deze gunst, zo nodig voor het onderhouden van zijn huishouden, te vragen. Hiermee verwijst hij naar klassieke opvattingen over de ‘vrijheid’ van een dichter,[38] maar vooral naar de patronageverhouding tussen hem en de regenten. De sententie ‘Wie gunst by Heeren zoekt vereist ’er eerst te vergen’ impliceert immers dat Vos de ‘Heeren’ (thesauriers) reeds gunsten verleend had. Daarmee moet hij verwijzen naar zijn productie als stadsdichter. Het stadsdichterschap wordt hier expliciet ingezet om een opdracht te verwerven als glazenmaker. En met succes, zo blijkt, want Vos kreeg inderdaad, samen met twee andere glazenmakers, de opdracht glazen te zetten in de verbouwde Bank van Lening.[39]

Conclusie

Vos sloeg dus wel degelijk een slaatje uit zijn dichterschap, en wist het glazenmakersbestaan dat hij op die manier stimuleerde tegelijkertijd in te zetten om zich te profileren als oprechte dichter. Dat er werkelijk een groot contrast was tussen zijn beroep en zijn dichterschap is niet aannemelijk, maar de ambachtelijkheid van Vos’ glazenmakersbestaan lijkt in de gedichten – vaak op speelse wijze – overdreven te worden ten gunste van zijn zelfpresentatie.

Zijn gedichten blijken daarvoor een geschikt podium en bovendien een propagandamiddel waarmee het stedelijke bouwbeleid ondersteund kon worden; en een communicatiemiddel tussen Vos en de regenten, dat zeer direct ingezet kon worden om opdrachten binnen te halen als glazenmaker. De twee ‘loopbanen’ van Vos zijn vanwege deze verscheidenheid aan functies onlosmakelijk met elkaar verbonden in en door de gedichten.

Notes
1

In t’Samenspraeck tusschen Jan Tamboer en Jan Vos, Utrecht: Symon Jaspersz. 1660, 4v. Jan Tamboer was het pseudoniem van de bekende acteur Jan Pietersz. Meerhuysen (1618-ca. 1667). Het pamflet verscheen, tezamen met vele andere lasterpamfletten, naar aanleiding van de vertoningen (tableaux vivants) die Vos in opdracht van het stadsbestuur had gemaakt bij de intocht van Mary Stuart en haar zoon Willem III.

2

Vos’ leven werd op basis van archivalia nauwgezet gedocumenteerd in S.A.C. Dudok van Heel, ‘Jan Vos (1610-1667)’, in: Jaarboek van het genootschap Amstelodamum72 (1980), p. 23-43. Een overzicht van Vos’ literaire productie is het meest recent gegeven in de inleiding van W.J.C. Buitendijk, Jan Vos’ toneelwerken, Assen, Amsterdam 1975.

3

Ook Vos’ positie in de Amsterdamse schouwburg hing sterk samen met zijn ‘loopbaan’ als dichter.

4

‘Op het hooghdravend Treurspel van Jan de Vos Glazemaker’, in het voorwerk van J. Vos, Aran en Titus, Amsterdam: Aeltje Verwou 1641. Het gedicht is ook opgenomen in latere edities van het stuk en in het eerste deel van Vos’ verzameld werk: J. Vos, Alle de gedichten, deel I, Amsterdam: Jacob Lescaille 1662.

5

‘Op het Treurspel van Jan de Vos’, in het voorwerk van Vos, Aran en Titus (1641 en latere edities) en in Vos, Alle de gedichten I.

6

‘Op de Dichtkunst van Jan Vos Glazemaker’, in het voorwerk van J. Vos, Aran en Titus, Amsterdam: Aeltje Verwou 1642. Het gedicht is ook opgenomen in latere edities van het stuk en in Vos, Alle de gedichtenI.

7

Utrechts Schuyt-Praetjen, over den droevigen toestant omtrent de kerckelijcke oneenigheden der stadt Utrecht, Utrecht: Haeyen Tjercks 1660, fol. 5v.

8

‘Op het Dicht-Werck van den geestrijcken Poëet Jan Vos, Glasemaker’ staat in het voorwerk van Vos, Alle de gedichtenI. Het was eerder al verschenen in Hollantsche Parnas, of verscheide gedichten, Gerijmt door J. Westerbaen, J. v. Vondel, J. Vos, G. Brant, R. Anslo, en andere voornaamste Dichters onzer eeuwe, Amsterdam: Jacob Lescaille 1660.

9

Jacob Lescaille schrijft in een portretgedicht, ‘Op d’Afbeelding van den vermaarden Poëet Jan Vos, Glazemaker’, iets vergelijkbaars: ‘Hy licht het huis door glas, de weerelt door zijn dicht’. Het gedicht staat in het voorwerk van Vos, Alle de gedichtenI (n. 4). Het was eerder al verschenen in Hollantsche Parnas.

10

De Jongh laat zien hoe dat ook het geval was bij de zich emanciperende kunstschilders, die zich daarmee aansloten bij de verheven dichters van hun tijd: E. de Jongh, ‘Over ambachtsman en kunstenaar: de status van de schilder in de 16e en 17e eeuw’, in: B. Scholz en A. Gelderblom (red.), Het beeld van de kunstenaar in de renaissance, Utrecht 1983, p. 29-57.

11

R. Sennett, The Craftsman, Londen 2009, p. 145.

12

Sennett, The Craftsman, p. 21-22, 55.

13

Annette de Vries, Ingelijst werk. De verbeelding van arbeid en beroep in de vroegmoderne Nederlanden, Zwolle 2004, spec. p. 23-51, 155-187 en 145.

14

Dat wil overigens niet zeggen dat ambachtslieden het slecht hadden in de Gouden Eeuw: zie over hun positie bijvoorbeeld R. Dekker, ‘Handwerkslieden en arbeiders in Holland van de zestiende tot de achttiende eeuw: identiteit, cultuur en protest’, in: P. te Boekhorst, P. Burke en W. Frijhoff (red.), Cultuur en maatschappij in Nederland 1500-1850, Heerlen 1992, p. 109-147.

15

Deze gedachte staat centraal in S. Schama, Overvloed en onbehagen. De Nederlandse cultuur in de Gouden Eeuw, Amsterdam 1988, spec. p. 328-348. Hoewel hierop veel kritiek is gekomen, is wel algemeen aanvaard dat in de Republiek luxe en corruptie met elkaar geassocieerd werden, zie bijvoorbeeld ook A. Weststeijn, ‘Mercury’s Two Faces: Commercial Candour as the Key to Capability in the Dutch Golden Age’, in: J. Hartman e.a. (eds.), Public Offices, Personal Demands. Early Modern Views on Capability in Governance, Newcastle 2009, p. 150-173, spec. 168, noot 65.

16

J. Vos, Op ’t weeshuis van d’arme vremdelingen t’Amsterdam, Amsterdam: J. Lescaille 1664. Het gedicht is ook opgenomen in J. Vos, Alle de gedichten, deel II, Amsterdam: Jacob Lescaille 1671, p. 151-158.

17

Over het discours rondom de onbetrouwbaarheid van kooplieden S. Shapin, A Social History of Truth: Civility and Science in Seventeenth-century England, Chicago 1994, p. 93-95 en A. Weststeijn, ‘Mercury’s Two Faces’, p. 165-168.

18

Shapin, A Social History of Truth, laat zien welke rol ‘truth-telling’ in klassieke en contemporaine ethische literatuur speelt, spec. p. 65-125.

19

L. Ellinghausen, Labor and Writing in Early Modern England, 1567-1667, Hampshire, Burlington 2008. Met dank aan Ronny Spaans voor de verwijzing.

20

‘Aan den Ed. Heer Kommissaris Mr. Joan Six, toen ik Hooft van de Schouwburg wierdt’, in Vos, Alle de gedichtenI (n. 4), p. 282-283. Het is onduidelijk wanneer Vos dit gedicht precies geschreven heeft. Het lijkt aannemelijk dat hij dat in 1647 deed, toen hij voor het eerst aangesteld werd als schouwburghoofd en hij als zodanig in contact kwam met Six, wiens Medea in dat jaar voor het eerst opgevoerd werd. De eerste publicatie van het gedicht dateert echter pas van 1651, toen het opgenomen werd in Six’ Kunstboeck (1651) en in de bloemlezing Verscheyde Nederduytsche Gedichten, deel I, Amsterdam: L. Spillebout 1651. Later werd het nog opgenomen in Klioos Kraam, vol verscheiden gedichten, deel I. Leeuwarden: H. Rintjes 1656. Er zijn belangrijke verschillen tussen de publicatie in Alle de gedichten en de eerdere publicaties, maar de hieronder geciteerde regels vertonen slechts marginale verschillen met de eerdere publicaties.

21

In mijn proefschrift staat centraal hoe Vos’ gedichten deel uitmaken van en vormgeven aan een patronagerelatie met de Amsterdamse stadsregenten: N. Geerdink, Dichters en verdiensten. De sociale verankering van het dichterschap van Jan Vos (1610-1667), Hilversum 2012 (ter perse).

22

Vos, Alle de gedichtenI (n. 4), p. 453.

23

Apollo’s Harp, bestaande in Nederduytsche mengelrymen, Amsterdam: J. Hendriksz. en J. Rieuwertsz. 1658.

24

Stadsarchief Amsterdam: 5039 (‘Archief van de Thesaurieren Ordinaris’), nr. 1, p. 147, dd. 16 oktober 1652.

25

Vergelijk over de verschillende stadswerkers de inleiding bij het archief van het stadsfabriekambt in het Stadsarchief Amsterdam, toegangsnummer 5040.

26

Stadsarchief Amsterdam 5024 (‘Archief van burgemeesters’), nr. 2, p. 57, dd. 12 december 1653; en p. 67, dd. 19 augustus 1654.

27

Stadsarchief Amsterdam 5039 (‘Archief van de Thesaurieren Ordinaris’), nr. 2, p. 3v, dd. 28 februari 1657.

28

t’Samenspraeck tusschen Jan Tamboer en Jan Vos (n. 1), fol. 3r.

29

Vergrooting van Amsterdam, Amsterdam: J. Lescaille 1662. Ook in Vos, Alle de gedichtenI (n. 4), p. 809-838.

30

J.E. Abrahamse, De grote uitleg van Amsterdam. Stadsontwikkeling in de zeventiende eeuw, Bussum 2010, p. 119-158.

31

Andere gedichten die Vos opdroeg aan de thesauriers zullen verderop in dit artikel aan bod komen: ‘Verzoekschrift, aan d’Eed. Eed. Heeren Schatbezorgers van Amsterdam, &c.’, in: Vos, Alle de gedichtenII, (n. 16) p. 149-150 en ‘Ter Maaltydt van d’Eed. Eed. Heeren Schatbezorgers t’Amsterdam, toen zy de Bouwkunst met haar taafel vereerden’, in: Vos, Alle de gedichtenII, p. 160-161. Vos droeg ook gedichten op aan de thesauriers die op het eerste oog minder met hun beslissingsbevoegdheid over de nieuwbouw te maken lijken te hebben, zoals de Scheepskroon der Zeehelden van de Vrye Neederlanden, Amsterdam: J. Lescaille 1666. Ook opgenomen in Vos, Alle de gedichten II p. 119-132.

32

Zie over de thesauriers M. Hell, ‘ “Schatkist van den staet”. Amsterdamse regenten en de hogere overheid’, in: W. Frijhoff en M. Prak (red.), De geschiedenis van Amsterdam. Zelfbewuste stadstaat 1650-1813, deel II-2, Amsterdam 2005, p. 151-218, spec. p. 184-189; over de gang van zaken in 1663 H. Bontemantel, De regeeringe van Amsterdam soo in ’t civiel als crimineel en militaire (1653-1672), ed. G.W. Kernkamp, Den Haag 1879, p. 109.

33

In: Vos, Alle de gedichtenII (n. 16), p. 160-161.

34

Ik heb nergens een verwijzing kunnen vinden naar een maaltijd die aanleiding zou kunnen zijn geweest voor dit gedicht. Er werd echter vaak gedineerd door de stadsregenten, dus het is zeer aannemelijk dat een dergelijke maaltijd wel plaatsgevonden heeft.

35

Over de bezuinigingen van de thesauriers tijdens de vierde uitleg: Abrahamse, De grote uitleg van Amsterdam (n. 30), p. 165.

36

In: Vos, Alle de gedichten II (n. 16), p. 149-150.

37

L. Jansen, Geschiedenis van de Stads Bank van Lening te Amsterdam 1614-1964, Amsterdam 1964, p. 173-174.

38

Dat een dichter meer toegestaan was dan een ander, is terug te voeren op Horatius, die stelt dat schilders en dichters ‘carte blanche’ hadden – op z’n zeventiende-eeuws: ‘’t is al goed wat konste doet’. Hierover bijvoorbeeld: K. Porteman, ‘Zeventiende-eeuwse schilderijenpoëzie als gezelschapskunst. Jan Vos over Lot en zijn dochters’, in: Jaarboek De Fonteine 2006-2007 (2007), p. 3-19, spec. p. 14. Ook was er in dit concrete geval sprake van een precedent: enkele jaren eerder, in 1658, was Vondel aangesteld als boekhouder bij de Bank van Lening omdat hij vanwege zijn faillissement in nogal penibele financiële omstandigheden verkeerde. De kunstminnende Anna van Hoorn (1608-1666), de vrouw van burgemeester Cornelis van Vlooswijck (1601-1687), beval hem aan bij de stadsregering. De hulp die Vondel kreeg bij zijn ‘huiszorg’ had alles te maken met zijn literaire staat van dienst. Zie hierover bijvoorbeeld Jansen, Geschiedenis van de Stads Bank van Lening, p. 37; of J.F.M. Sterck, ‘Het leven van Vondel’, in: De werken van Vondel, ed. J.F.M. Sterck e.a., deel 5, Amsterdam 1931, p. 5.

39

Stadsarchief Amsterdam, 5039 (‘Archief van de Thesaurieren Ordinaris’), nr. 1, Resolutieboek III, 51v.





Creative Commons License
This work is licensed under a Creative Commons Attribution 3.0 License.

Support our journal

eISSN 2212-7402 - print ISSN: 0921-142x