Een boek als carrièrevehikel
De zeemansgidsen van Blaeu
Djoeke van NettenDjoeke van Netten is docent Nieuwe Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Zij houdt zich bezig met wetenschaps- en boekgeschiedenis, vooral in de Republiek. In het voorjaar van 2012 hoopt zij haar proefschrift over de uitgever Willem Jansz Blaeu in de geleerde wereld van zijn tijd te verdedigen aan de Rijksuniversiteit Groningen. Het boek zal verschijnen als Koopman in kennis bij de Walburg Pers, Zutphen. Van Netten heeft verder onderzoek naar zeemansgidsen mogen doen met Dr. Ernst Crone-fellowship van Het Scheepvaartmuseum, Amsterdam.d.h.vannetten@uva.nl
Abstract

During the seventeenth century many editions of the pilot guide Het licht der zee-vaert and its successor the Zeespiegel were published by Willem Jansz Blaeu and later by his son Joan Blaeu. This paper extensively analyses and compares these different editions. The analysis shows that the main perspective on Blaeu as cartographer is too limited, as his pilot guides appear to be much more than just books with maps. Blaeu’s pilot guides are representational objects designed to launch his career. The as yet underexposed paratext does not only show the intended public of Willem and Joan Blaeu; it also demonstrates their network, political sympathies, and (lack of) pretentions.

Keywords
maritime history; Willem Jansz Blaeu (1571-1638); Joan Blaeu (1598/99-1673); pilot guides; navigation; paratext
Inleiding

In 1608 verscheen Het licht der zee-vaert.[1] Met dit boek begon Willem Janszoon (1571-1638), die rond 1620 de naam Blaeu zou aannemen, zijn carrière als auteur én als drukker en uitgever van boeken. Daarvóór was Blaeu al ruim een decennium in Amsterdam werkzaam als vervaardiger en verkoper van kaarten en instrumenten. Van Het licht der zee-vaert werden vervolgens een halve eeuw vele herdrukken, uitbreidingen en verbeteringen gepubliceerd. Al die zeemansgidsen van Blaeu tonen op hun eigen manier de carrières van Willem Jansz Blaeu en zijn zoon Joan.

De gehele titel van de eerste druk maakt veel duidelijk over de inhoud en de totstandkoming (afb. 1). Hoewel, eigenlijk is deze té veelzeggend en belooft de titelpagina meer dan Blaeu uiteindelijk heeft waargemaakt. Er staat: Het licht der zee-vaert, daerinne claerlijck beschreven ende afghebeeldet werde[n], alle de custen ende havenen, vande Westersche, Noordsche, Oostersche ende Middellandsche Zee’n. Oock van vele landen, eylanden ende plaetsen van Guinea, Brasilien, Oost ende West-Indien.

Afb. 1

Titelpagina van Het licht der zee-vaert (1608). Maritiem Museum Rotterdam wae 119b.

De kusten en havens van de ‘westersche zee’n’ zijn die van Holland naar het zuiden tot aan de Canarische eilanden en die van Zuid-Engeland en Ierland. De Noordse en Oosterse kusten zijn de aan zee grenzende delen van Europa ten noorden van de Nederlanden (tot aan Archangelsk). Wat er met de Middellandse Zee wordt bedoeld behoeft geen uitleg, maar de Mediterrane kusten komen helemaal niet in Het licht der zee-vaert van 1608 voor. Pas tien jaar later verscheen bij Blaeu over het Middellandse Zeegebied het Derde deel van’t licht der zee-vaert. En hoewel Blaeu zeker tot in 1658 zeemansgidsen bleef uitgeven, is er van hem geen enkele uitgave bekend met een beschrijving of kaarten van Guinee, Brazilië of andere buiten-Europese kusten. Blaeu’s titel moet dus niet als beschrijving van de inhoud worden gezien, maar als reclameboodschap voor wat hij verwachtte nog te zullen publiceren. Niet alles is wat het lijkt. Zo stelt Blaeu in het voorwoord van Het licht der zee-vaert dat het zijn doel is ‘de zeevaerder bequamen dienst te doen’.[2] Maar het boek is meer dan een cartografisch hulpmiddel voor zeelieden. Het voorwerk maakt – meer dan de kaarten – duidelijk hoe Blaeu zijn publiek zag.

Dit artikel laat zien hoe deze boeken inzicht geven in de carrière en het netwerk van twee generaties Blaeu. Eerst komen Blaeu’s voorbeelden aan bod en de manier waarop hij aan zijn informatie kwam. Vervolgens wordt aandacht besteed aan Blaeu’s verschillende edities en de concurrentie die hij op dit gebied ondervond. Verder wordt de vooralsnog onderbelichte paratekst geanalyseerd en in verband gebracht met Blaeu’s ambities, zijn beoogde publiek en zijn netwerk. Hierbij gaat de aandacht vooral uit naar de politieke en de poëtische dimensies van Blaeu’s zeemansgidsen. Ten slotte demonstreren de zeemansgidsen de verschillen in bedrijfsvoering tussen Willem Jansz en Joan Blaeu.

Voorbeelden en informatievoorziening

Zeemansgidsen zijn boeken met kaarten en tekst waarin staat hoe veilig te navigeren in een bepaald gebied. Geschreven zeilaanwijzingen (leeskaarten) bestonden al in de Oudheid. Daarnaast kwamen er vanaf de late middeleeuwen steeds meer paskaarten (waarop met een passer kon worden gemeten) van Europese kustgebieden. Beide verschenen vanaf de zestiende eeuw ook in druk. Een eerste gedrukte instructie in de stuurmanskunst in het Nederlands verscheen halverwege de zestiende eeuw.[3] In 1584-1585 verscheen de Spieghel der zeevaerdt van Lucas Jansz Waghenaer (afb. 2). Het vernieuwende aan dat boek was de combinatie van instructie, leeskaarten en paskaarten. In totaal is het een ‘kleine handbibliotheek voor de zeeman’, het bevat namelijk een verhandeling over kosmografie en navigatie, (getijden)tabellen, een almanak, zeilaanwijzingen, kustprofielen én vele kaarten.[4] Door de uitgebreidheid en de kwaliteit, maar vooral door de combinatie, is Waghenaers werk een ‘mijlpaal in de ontwikkeling van de West-Europese navigatie’ en zelfs een ‘paradigma van een nieuw genre’ genoemd.[5] In het Engels heet een zeemansgids nog steeds wel een ‘waggoner’.

Afb. 2

De Spieghel der zeevaerdt van Lucas Jansz Waghenaer (1584).

Waghenaers Spieghel werd gepubliceerd door Christoffel Plantijn in Leiden, die vervolgens al snel de rechten verkocht aan de Amsterdamse uitgever Cornelis Claesz. Van Waghenaers boek, dat ook in twee delen de ‘westersche’ en de ‘noordsche en oostersche schipvaart’ behandelt, verschenen tot diens dood in 1606 verschillende edities in het Nederlands, Latijn, Duits, Frans en Engels. Na de Spieghel kwam Waghenaer in 1592 met het Thresoor der zeevaert, een zeemansgids in kleiner (dus goedkoper), handzamer oblong formaat met minder kaarten. Een aanvulling op Waghenaers werk was het Caertboeck van de Midlandtsche Zee (1595), samengesteld door Willem Barentsz, die beroemder is geworden door zijn noodgedwongen overwintering op Nova Zembla. Aan het Caertboeck is te zien dat Waghenaers Spieghel als model is gebruikt. En ook Barentsz’ zeemansgids verscheen eerst bij Plantijn en vervolgens kwamen er verschillende herdrukken uit bij Claesz. Die Amsterdamse uitgever was dus verantwoordelijk voor de productie en distributie van veel zeevaartkundige werken. Afkomstig uit de Zuidelijke Nederlanden, had hij zich in 1578 in Amsterdam gevestigd, waar hij uitgroeide tot een van de grootste uitgevers in de Republiek.[6] Claesz richtte zich vooral op werken waar in de haven- en handelsstad Amsterdam veel vraag naar was: atlassen, landbeschrijvingen, reisverhalen en zeemansgidsen. Claesz stierf in 1609. Zijn opvolger richtte zich nauwelijks op de uitgave van werken op zeevaartkundig en cartografisch gebied. Daarbij waren Waghenaer en Barentsz overleden en konden zij dus geen nieuwe versie van hun werk verzorgen. Er was een gat in markt.

Blaeu was degene die dat gat vulde, niet alleen als uitgever, maar ook als auteur van zeemansgidsen. Wat hij deed was niet iets nieuws, maar slechts het navolgen van Wahenaer door het publiceren van een zeemansgids bestaande uit tekst, kustprofielen en kaarten. Dit deed hij overigens niet zonder zijn schatplichtigheid aan zijn voorganger te laten blijken. Al op de titelpagina stelt Blaeu dat zijn boek ‘uut de alderbeste zeebeschrijvers geschriften (als Lucas Iansz. Waghenaer ende meer andere) eensdeels [is] vergadert’. Maar Blaeu deed meer dan alleen compileren en overnemen: hij actualiseerde de informatie ook. In de inleiding vertelt hij zelf dat zeegaten en havens snel veranderen, waardoor ‘soodanighe beschrijvingen nu ter tijdt niet alleen onbequaem en zijn, maer seer schadelijck, soo men hem daer naer soude willen reguleren.’[7] Vandaar dat Blaeu in 1608 met een nieuw boek kwam, waarin hij over de kaarten opmerkt: ‘die hebben wy merckelijck seer verbetert [en] vermeert […]’.[8] Ondanks hun fouten blijft Blaeu positief over Waghenaer, Barentsz en anderen. Hij presenteert zijn werk in de door hen begonnen traditie, met de nadruk op zijn eigen verbeteringen.

Voor die verbetering kreeg hij zelfs hulp van zijn grote voorbeeld: ‘Lucas Janszoon Waghenaer selve (weynigh voor zijn over-lyden) heeft ons oock schriftelijck aen-ghewesen veel merckelijcke feylen […].’[9] Daarnaast putte Blaeu – zoals eveneens te lezen op de titelpagina – ook ‘uyt vele ervarene zeevaerders schriften ende mondtlijcke verclaringhen’. In zijn inleiding noemt Blaeu de hulp van ‘veel ervarene Stuerluyden, kloecke Schippers, ende wel bedreven Lootsluyden (van welckers kunde wy wel versekert waren)’.[10] Die informatie van ervaren zeelieden had Blaeu nodig, want in tegenstelling tot bijvoorbeeld Waghenaer en Barentsz was hij zelf geen zeeman. Blaeu’s winkel in kaarten en instrumenten bevond zich aan de Amsterdamse haven: ‘Op ’t Water’ (het huidige Damrak) – dus te midden van zijn (potentiële) klanten én van zijn informatievoorziening. In 1608 liet Blaeu nog eens merken dat er nieuwe verbeterde edities zouden worden gemaakt en dat alle hulp daarbij welkom was. In verscheidene exemplaren van de 1608-editie is een extra pagina ingebonden, met een opdracht ‘aen alle verstandighe opmerckende stuerluyden, ende liefhebbers der zeevaert’, waarin wordt gevraagd of zij fouten in het boek of veranderde omstandigheden aan kusten wilden melden.[11] Blaeu belooft dat hij op eigen kosten verbeteringen zal maken en de ‘moeyte […] met alle behoorlijckheyt geerne [zal] loonen’. Waaruit de beloofde beloning bestond, wordt niet duidelijk.[12]

Edities en concurrentie

Met Het licht der zee-vaert vestigde Willem Jansz Blaeu in 1608 zijn naam als boekdrukker en uitgever. Daarna zouden nog ruim 300 edities van boeken in uiteenlopende genres volgen. Het bleef ook niet bij één zeemansgids. Van de twee delen die Het licht vormden, verschenen tot 1630 zeker zes nauwelijks gewijzigde herdrukken. Daarnaast produceerde Blaeu een Engelse (1612) en een Franse (1619) vertaling. Vanaf 1618 publiceerde hij een aantal drukken van het Derde deel van’t licht der zee-vaert, over de kusten van de Middellandse Zee, dat in 1608 al op de titelpagina werd aangekondigd. Dit werk is te beschouwen als de opvolger van Barentsz’ Caertboeck. Voor een volledig overzicht van de Europese kusten konden klanten nu de drie delen van Het licht der zee-vaert samen laten inbinden.

Als auteur van zeemansgidsen had Blaeu feitelijk geen concurrentie tot aan het begin van de jaren 1630.[13] Maar als drukker-uitgever van zeemansgidsen ondervond hij die toen al wel. Deze kwam van zijn buurman Johannes Janssonius, gevestigd naast Blaeu ‘Op ’t Water’.[14] In 1620 produceerde Janssonius een eigen editie van Blaeu’s Licht der zee-vaert. Blaeu figureert op de titelpagina als auteur, maar financieel leverde dit hem niets op. Janssonius had met nadrukken gewacht tot het privilege dat Blaeu in 1606 van de Staten-Generaal voor zijn werk had gekregen niet meer van kracht was. Ook Blaeu’s Derde deel werd door Janssonius – eveneens na het verstrijken van het privilege – nagedrukt. Een nagedrukt werk kon goedkoper geproduceerd en aangeboden worden. Dit voordeel moet echter niet overschat worden. Het navolgen van een bestaande tekst is inderdaad gemakkelijker dan nieuwe informatie inwinnen en nieuwe tekst schrijven, maar ook Blaeu hoefde niet veel nieuws te doen voor Het licht der zee-vaert1608 en het Derde deel1618. Bovendien liet Janssonius voor zijn edities nieuwe gravures en houtsneden maken en dat vereiste – zeker voor een werk dat grotendeels uit afbeeldingen (kaarten) bestond – toch een grote investering.[15] Zowel voor Blaeu als voor zijn buurman was het blijkbaar de moeite waard om zeemansgidsen (na) te drukken. De vraag was groot genoeg voor twee drukkers in Amsterdam die met dit product de markt op gingen. De in de literatuur wel gesuggereerde antipathie tussen beide drukkers doet hier niets aan af.[16]

Wat Blaeu vond van Janssonius’ nadrukpraktijken is niet bekend. Dat hij in 1623 de Zeespiegel het licht deed zien – groter, uitgebreider, meer up-to-date en gedetailleerder dan zijn Licht der zee-vaert – wordt algemeen gezien als Blaeu’s antwoord.[17] De inleiding in de navigatiekunde is in de Zeespiegel opgewaardeerd tot deel I. Deel II bevat de ‘oostersche en noordsche zeevaert’, deel III de ‘westersche zeevaert’. Blaeu geeft geen reden voor het feit dat hij, in tegenstelling tot Het licht der zee-vaert, de volgorde van de delen heeft omgewisseld. De Zeespiegel kreeg een privilege voor tien jaar en werd niet door Janssonius nagedrukt. Het werk werd door Willem Jansz Blaeu en later door zijn zonen meerdere malen herdrukt tot in ieder geval 1658. Ook van de Zeespiegel verscheen een Engelse versie en een Vierde deel, dat het Middellandse Zeegebied betreft. Het is gelijk aan derde deel van Het licht der zee-vaert.

Ondertussen was Jacob Aertsz Colom al enkele decennia bezig Blaeu’s positie als belangrijkste producent van zeemansgidsen te ondergraven met zijn Vyerighe colom. Op de eerste druk van 1632 reageerde Blaeu twee jaar later met een halfslachtige en niet doorgezette poging tot een nieuw werk, getiteld Haven-wyser. Het bevat een combinatie van kaarten uit Het licht der zee-vaert en de Zeespiegel en er is slechts één exemplaar, gedateerd 1634, van bekend.[18] Vanaf het midden van de jaren 1640, toen Willem Jansz Blaeu was overleden en zijn zoons, met name Joan, het bedrijf hadden overgenomen, kwam er steeds meer concurrentie. De dominantie van de Blaeus op deze markt was voorbij met de dood van Willem. Binnen enkele decennia produceerden de Amsterdamse uitgevers Theunis Jacobsz Lootsman, Louis Vlasbloem, Pieter Goos en Hendrick Doncker eveneens zeemansgidsen en ook Janssonius bleef werkzaam op dit gebied. Er was kennelijk vraag genoeg voor alle edities zeemansgidsen die van hun persen kwamen.

Plaatjes, privileges en politiek

Tot nog toe hebben in het onderzoek naar zeemansgidsen vooral de cartografische aspecten aandacht gekregen. Alle in de Republiek geproduceerde zeemansgidsen zijn verzameld en beschreven door de historisch-cartograaf Cornelis Koeman in het vierde deel van zijn Atlantes Neerlandici (1970).[19] Daar spreekt Koeman in het kader van Het licht der zee-vaert over ‘several not relevant parts …, as poems, dedication, privilege, etc.’[20] Die genoemde onderdelen staan wel in de Nederlandse druk, maar ontbreken in de Engelse versie. Eerder stelde C.P. Burger al: ‘de Engelsche uitgaaf is dus eene vertaling die al het noodige geeft, maar op het overtollige zooveel mogelijk bekort.’[21] Vanuit het perspectief van de vervaardiger echter, zijn deze delen verre van irrelevant of overtollig. Al deze paratekstuele elementen hadden destijds hun functie en belichamen strategische keuzes van de producent.[22] Zij zijn zeer relevant voor een beter begrip van de totstandkoming van Blaeu’s zeemansgidsen en de mensen die daarbij betrokken waren.

Een deel van die betrokkenen is al genoemd: zeelieden. Zij waren zowel potentiële klanten als ook eventuele leveranciers van informatie. Zo’n zeeman is te zien op de gegraveerde titelpagina van Het licht der zee-vaert (afb. 1). Hij houdt een peillood in zijn hand en is te herkennen aan zijn kleding.[23] De titelpagina toont ook de haven van Amsterdam. Onder de wapens van Holland en Amsterdam staat rechts de zeeman en links een zeevaartkundige. Hij is in ‘gewone’ kleding en houdt instrumenten vast die stuurlieden veel gebruikten: passer en graadstok. Er is wel gesuggereerd dat Blaeu zelf hier is afgebeeld.[24] Passers, graadstokken en zeelieden met een peillood zijn ook afgebeeld op de titelpagina van Waghenaers Spieghel. Waghenaers werk is duidelijk de inspiratiebron voor Blaeu’s compositie geweest. Dit vergrootte de herkenbaarheid van zijn zeemansgids in de traditie van deze werken.

Op het gegraveerde frontispice, een illustratie die volgt op de titelpagina van Het licht, zijn eveneens zeelieden en een zeevaartkundige afgebeeld (afb. 3). De gravure is gemaakt naar een tekening van de Amsterdamse kunstenaar David Vinckboons, die vaker meewerkte aan publicaties van Blaeu.[25] De voorstelling toont een ‘zeevaartkundige les’ met een zeevaartmeester die uitleg geeft, omringd door leerlingen bezig met kaarten, globes en allerhande navigatie-instrumenten.[26] Andere contemporaine illustraties die van dergelijke bijeenkomsten zijn gemaakt, lijken telkens geïnspireerd op juist deze plaat van Blaeu.[27] Zonder dat dat vaak wordt onderkend, is deze tekening van Vinckboons emblematisch geworden voor dé zeevaartkundige les in de Gouden Eeuw.[28] Boven de samengeschoolde zeelieden zijn schepen op volle zee te zien, geflankeerd door Neptunus en de eveneens mythologische ‘bewaarder der winden’ Aeolus, in nissen. Helemaal bovenaan staat ‘het licht der zeevaart’, stralend tussen zon en maan.

Afb. 3

Frontispice van Blaeu’s Licht der zee-vaert. Het Scheepvaartmuseum, Amsterdam s.1496.

De keuze van ‘licht’ in plaats van het door Waghenaer gebruikte ‘spiegel’ of ‘tresoor’ was functioneel.[29] Met het ‘licht’ wordt de gidsfunctie van Blaeu’s werk benadrukt. Een brandend licht of een fakkel als wegwijzer voor (praktisch of moreel) wel-varen is later in de zeventiende eeuw veelvuldig terug te vinden in titels van zeemansgidsen en in emblemata. Toch koos Blaeu vanaf 1623 weer voor het woord ‘spiegel’ in de titel van zijn zeemansgids en ook daar moet een (marketing)strategie achter zitten. Kennelijk verschoof de nadruk van een gidsfunctie naar de weergave van de werkelijkheid.

Blaeu verstevigde zijn positie door middel van privileges, die hij ook in de boeken afdrukte. Privileges van de Staten-Generaal waren voor de jaren waarvoor zij golden een afdoende manier om zijn werk tegen nadruk te beschermen. Maar ook nadat ze niet meer van kracht waren, liet Blaeu de privileges in zijn werk figureren. Zo stamt het privilege voor zeven jaar voor Het licht der zee-vaert uit 1606 en werd een extract hieruit in 1608 en 1613 (ongedateerd) ingevoegd. En zelfs in 1620 – toen het privilege dus al lang niet meer van kracht was – werd deze bescherming van overheidswege nog vermeld. De Franse Flambeau de la navigation van 1619 draagt de tekst ‘Avec privilegie pour sept ans’ en de Engelse edities vermelden zonder uitzondering ‘Cum privilegio’ zonder verdere specificaties. De Zeespiegel kreeg in 1623 een privilege van tien jaar en ook dat werd bijvoorbeeld twintig jaar later nog op het boek gezet. Terwijl nergens uit blijkt dat Blaeu’s privileges vernieuwd werden, deed hij het dus telkens vóórkomen alsof zijn titels nog steeds bescherming genoten, wat de status van zijn product verhoogde.

Een andere manier van positieverbetering was het opdragen van een publicatie aan een hooggeplaatste persoon of instantie. Blaeu’s opdracht richt zich tot een heel ander slag mensen dan zeelieden: namelijk de leden van de Staten-Generaal en prins Maurits – in die volgorde. Feitelijk wás Maurits ook ondergeschikt aan de Staten, maar er zijn vele voorbeelden waarin de prins typografisch bovenaan is geplaatst. Zou Blaeu door deze volgorde hebben willen laten weten dat hij het gezag van de Staten boven dat van de Prins achtte (afb. 4)?

Afb. 4

Aanhef van de Blaeu’s opdracht aan Staten-Generaal en Prins Maurits in ’t Derde deel van’t Licht der zee-vaert (1618). Het Scheepvaartmuseum, Amsterdam b.0216(0108) [0001].

In 1618, het jaar waarin het Derde deel verscheen én de bestandstwisten hun hoogtepunt bereikten, kan dit gezien worden als politiek statement. Zo’n opdracht was voor meer mensen bedoeld dan alleen de genoemde hoge heren, anders had Blaeu hem niet in alle exemplaren hoeven af te drukken. Het verhogen van de status van het boek zal ook hierin een belangrijke rol hebben gespeeld. In de opdracht van 1608 roemt Blaeu vooral het nut en de winst van de zeevaart voor handel en oorlog. Hij dankt de Heren Staten voor het eerder toegekend octrooi en beschrijft hen en Maurits als ‘besorghers van’t ghemeene welvaren’. Om die welvaart draagt Blaeu het boek aan hen op, waarbij hij de hoop uitspreekt de hem resterende tijd in dienst van Staten, prins en vaderland te besteden aan dergelijke boeken. De strekking van de opdracht van het Derde deel is vrijwel gelijk en hiervan is bekend dat Blaeu er 200 gulden van de Staten-Generaal voor ontving.[30] De winst en welvaart die Blaeu uiteindelijk met zijn zeemansgidsen wenste te bevorderen, waren overigens niet alleen ‘ghemeen’, maar van particuliere aard. Het vergroten van de winst en welvaart van de firma Blaeu was namelijk zijn belangrijkste oogmerk.

Poëzie

Naast plaatjes en privilege bevat het voorwerk van Het licht en de Zeespiegel poëzie. Daaruit blijkt dat, afgezien van grafische kunstenaars als Vinckboons en voor de kaarten ook – niet altijd identificeerbare – andere graveurs, ook literaire talenten een bijdrage leverden aan Blaeu’s zeemansgidsen. De poëtische paratekst toont een heel ander netwerk dan dat van zeelieden en kaartenmakers. Zo vullen twee gedichten van Zacharias Heyns de keerzijde van de titelpagina van Het licht der zee-vaert. Hoe het contact tussen Blaeu en Heyns is verlopen, is onduidelijk. Heyns had ook in Amsterdam gewerkt als boekverkoper en eveneens ‘Op ’t Water’ gewoond, maar waarschijnlijk niet gelijktijdig met Blaeu. In 1605, dus ruim vóór Blaeu als boekdrukker actief werd, was Heyns naar Zwolle vertrokken.[31] Wel onderhield hij later nog vele contacten in Amsterdam, onder meer met Joost van den Vondel. Heyns schreef enkele regels, ‘Tot den berisper’, die bedoeld lijken om van tevoren eventuele onvriendelijke kritiek op het boek te pareren. Uitgebreider en inhoudelijk interessanter is Heyns’ ‘Klinck-dicht op het licht der zee-vaert’ op dezelfde pagina. In dat sonnet schetst de dichter de gevaren van de zee en komt hij tot de conclusie dat met ‘dit boeck uw leydtsman’ de scheepvaart probleemloos kan verlopen. ‘In’t duyster wordt u hier des zeevaerts licht ontsteken’ eindigt Heyns. Uit het gedicht is te concluderen dat Heyns zich slechts heeft gebaseerd op het titelblad. Hij schrijft namelijk, dat Het licht niet mag ontbreken op reizen naar Moskou, Noorwegen of naar ‘de West-Indische strandt’. De buiten-Europese kusten komen echter helemaal niet aan bod in Blaeu’s werk, en ook de route naar Moskou was met deze zeemansgids niet te vinden.[32]

De andere dichter die in 1608 een bijdrage leverde aan Het licht der zee-vaert is P.C. Hooft. Op de keerzijde van het frontispice staat een sonnet ‘Op het licht der zeevaert’ met zijn naam eronder. De dichter en regent Hooft was een achterneef van Blaeu en heeft hem in diens carrière op meerdere manieren gesteund. Dit sonnet is bijzonder omdat het het eerste gedicht van Hooft is dat met diens naam én met diens toestemming is gedrukt.[33] Desondanks waren zijn kwaliteiten als dichter op dat moment al bij velen bekend. Het sonnet zal Blaeu’s boek dus meer aanzien hebben gegeven. Hooft beschrijft de dappere Hollandse leeuw, die zich ondanks de gevaren van de zee niet laat temmen en de windstreken bezeilt. De strekking is dat met het boek waarin Hoofts sonnet staat afgedrukt, deze gevaren zullen verdwijnen. Hooft noemt de leeuw de ‘prins der dieren’ – geen koning dus, wat op te vatten is als anti-Spaanse terminologie (afb. 5). Hooft eindigt net als Heyns door Blaeu’s licht [der zee-vaert], dat de zeelieden de weg zal wijzen, te plaatsen tegenover de eerder heersende duisternis: ‘Soo werdt dan, door dit licht, des Hemels licht ontsteecken.’

Afb. 5

Sonnet van P.C. Hooft ‘Op het licht der zeevaert’. Het Scheepvaartmuseum, Amsterdam s.1496.

Hoofts ‘Op het licht der zeevaert’ is een eerste blijk van een vruchtbare samenwerking tussen uitgever en auteur. Enkele jaren later, in 1611, gaf Blaeu Hoofts Emblemata amatoria uit; dat was het eerste boek met Nederlandstalige poëzie van zijn persen. In de decennia erna zou Blaeu uitgroeien tot een van de belangrijkste uitgevers van Nederlandse poëzie en toneel in de Republiek. Met de gedichten in Het licht der zee-vaert liep hij hier op vooruit en demonstreerde zijn kunde als drukker van dit genre. Later verzorgde Blaeu het werk van vele anderen die in meer of mindere mate deel uitmaakten van het netwerk van Hooft.[34] In veel gevallen is het contact waarschijnlijk door Hooft tot stand gebracht. Zo raadde die in 1616 zijn vriend Hugo Grotius aan om Blaeu als drukker te nemen.[35] Daarnaast produceerde Blaeu werk van onder andere Roemer Visscher, diens dochter Anna, Gerardus Joannes Vossius, Casper Barlaeus en Joost van den Vondel.

Vondel leverde ook een poëtische bijdrage aan Blaeu’s zeemansgidsen. Ook hier hadden dichter en uitgever wederzijds voordeel. Net als bij Hooft vormde bij Vondel een lofdicht in een zeemansgids van Blaeu de opmaat voor verdere samenwerking. Van Vondel verscheen in 1618 een ‘klinck-dicht’ in het Derde deel van’t licht der zee-vaert.[36] Hierin zet de dichter uiteen dat de koopman rustig kon slapen, nu hij geen angst voor schipbreuk meer hoefde te hebben: ‘nu Het Licht der Zee-vaert, blaeckt, en helder is ontsteecken’. Dit sonnet van Vondel slaat, in tegenstelling tot de poëzie van Heyns, wel duidelijk op de inhoud van het boek. Vondel spreekt namelijk specifiek over het Middellandse Zeegebied waar het Derde deel over handelt, zo noemt hij ‘de Straet’ [van Gibraltar], een ‘Cypersche handelaer’ en ‘Turcxze en Griecxze stranden’.

Veel uitgebreider dan dit sonnet is Vondels ‘Lof der zee-vaert’, dat tien pagina’s van het voorwerk van de Zeespiegel van 1623 in beslag neemt.[37] Deze lange tekst op rijm is echter nauwelijks een lofdicht op het boek waarin het verscheen en evenmin een lofdicht op zeevaartkundige kennis in het algemeen. Vondels ‘Lof der zee-vaert’ is vooral gericht op de Nederlandse scheepvaart en, meer dan dat, een verdediging van de Nederlandse scheepvaart, in het bijzonder naar Azië.[38] Het ‘Lof der zee-vaert’ is opgedragen aan Laurens Reael, die gouverneur-generaal van Oost-Indië was geweest.[39] In Indië onderscheidde hij zich door zich, als een van de weinige bewindhebbers daar, zorgen te maken over (de behandeling van) de inheemse bevolking en zich tegen de Nederlandse monopoliehandel te keren. In 1617 kreeg hij ontslag en enkele jaren later werd hij vervangen door de meer rechtlijnige en repressieve Jan Pieterszoon Coen. Terug in Amsterdam duurde het tot 1625 voor Reael weer een openbaar ambt bekleedde binnen de VOC. Daarbij had zijn ‘op non-actief stellen’ voor een belangrijk deel te maken met Reaels remonstrantse sympathieën. Reael was ook dichter en bevriend met P.C. Hooft. Net als Blaeu hadden zij sympathie voor de remonstrantse zaak, Oldenbarnevelt, tolerantie en vreedzame handel. Dat Vondel juist in 1623 zijn gedicht aan Reael opdroeg, is een blijk van zijn partijschap. Literatuur-historica Marijke Spies suggereert ‘dat Vondel, via Blaeu, via Hooft, Reael heeft leren kennen’.[40] Hoe dan ook, de opdracht toont het belang van Hoofts netwerk, zowel voor Vondel aan het begin van zijn carrière, alsook voor Blaeu.

Het is de vraag of mensen buiten de kring van literaire intellectuelen rond Hooft veel van Vondels (politieke) toespelingen hebben begrepen. Vondel pleit in navolging van Reael voor een eerlijke handel en in navolging van Grotius (Mare Liberum1609) – die hij eveneens bij Hooft ontmoet kan hebben – voor vrije zeevaart. Spies stelt dat ‘de indruk [zich opdringt] dat Vondel bij het schrijven van zijn gedicht alleen maar aan Reael, Blaeu en Hooft heeft gedacht’.[41] Juist in de politieke boodschap blijkt ook dat Vondel bij het schrijven van ‘Het lof’ niet een lofdicht maakte op het boek zelf. De Zeespiegel is namelijk gericht op de vaart in Europa, Vondel daarentegen beschrijft de vaart naar Indië.[42] De poëzie in Blaeu’s zeemansgidsen was voor een groot deel dan ook geen service aan zeelui, maar een plezier dat Blaeu de rest van zijn publiek, de ‘liefhebbers der zeevaert’ wilde doen. Deze mensen kwamen uit een ander milieu, een ander netwerk, waar Blaeu in zekere zin ook zelf deel van uitmaakte. Blaeu droeg de Zeespiegel niet, zoals Het licht, op aan prins Maurits, maar koos hiermee nadrukkelijk positie tussen de remonstrantsgezinde intellectuele elite van Amsterdam. Blaeu werkte met het voorwerk in zijn zeemansgidsen aan zijn imago. Hij toonde zichzelf niet alleen als ambachtsman – wat een drukker in feite was – maar ook als geleerde. Blaeu liet op deze manier zijn relaties zien én hoopte ze uit te breiden.

Vervolg en veranderingen onder Joan Blaeu

In 1641 ging Vondel over naar het katholicisme en onder meer daardoor verloor hij zijn goede contacten met Hooft. Het is eveneens vanaf die tijd dat er geen gedichten van Vondel meer bij Blaeu verschenen. Tot het einde van de jaren 1630 drukte Blaeu veel werk van Vondel – onder meer diens Gysbreght van Aemstel – en vervolgens helemaal niets meer. Het laatste was een gelegenheidsgedicht in 1639 – enkele jaren vóór Vondels overgang naar de katholieke kerk en vlak ná het overlijden van Willem Blaeu in oktober 1638. Het niet meer drukken van Vondel heeft echter waarschijnlijk meer te maken met een verschil in bedrijfsvoering tussen vader en zoon Blaeu dan met al dan niet overeenkomstige religieuze sympathieën. Nederlandse poëzie en toneel verschenen vanaf de jaren 1640 namelijk helemaal niet meer in het Blaeu’s fonds. De prioriteiten van Joan Blaeu lagen bij de productie van grote cartografische projecten, met als exponent een nieuw ‘salontafelboek’: de Grote Atlas.

De Blaeus gingen wel door met het reproduceren van zeemansgidsen, maar onder Joans leiding kwamen geen nieuwe titels meer uit. Zo was de Zeespiegel nog een geheel vernieuwde versie van Het licht der zee-vaert, maar bevat het Vierde deel (1646) over het Middellandse Zeegebied geen nieuwe informatie, tekst of kaarten in vergelijking met het Derde deel van’t licht der zee-vaert van bijna drie decennia eerder. Alleen het formaat is aangepast. Ook de latere drukken van de Zeespiegel laten steeds minder verandering of vernieuwing zien, laat staan dat er nieuwe kaarten of nieuwe informatie werden toegevoegd. De belangrijkste veranderingen waren paratekstueel en oppervlakkig. Zo werd de Engelse Sea-mirrour later betiteld als Sea-beacon. Deze kwam tot het einde van de jaren 1650 nog een paar maal uit bij de Blaeus. Het verkoopargument ‘vermeerderd en van nieus oversien’, dat op titelpagina’s van de achtereenvolgende uitgaven bleef verschijnen, was steeds minder terecht. Net als zijn vader voegde ook Joan overigens weer op elke titelpagina de tekst ‘cum privilegio’ toe, hoewel de privileges allang niet meer van kracht waren. De laatst bekende editie van de Zeespiegel met de naam Blaeu op de titelpagina stamt uit 1658.[43] Het werk heette toen de De groote zeespiegel, waarbij dat ‘groote’ alleen iets zegt over het gebruikte papierformaat.

De inhoud van Blaeu’s zeemansgidsen was dus steeds minder up-to-date en de paratekst werd steeds kariger. Aangezien dezelfde, steeds meer versleten, houtsneden werden gebruikt, zal het geen verbazing wekken dat de kwaliteit van de boeken steeds minder werd. In de drukken van na Willem Jansz’ dood verdween met Vondel alle poëzie en ook verkapte verwijzingen naar de contemporaine politiek zijn dan niet meer te vinden. Ook opdrachten, voorwoorden en vragen om correctie en aanvulling ontbreken in de drukken na 1638. Joan Blaeu achtte het doel van het boek blijkbaar bekend en de hulp van zeelui was nauwelijks meer nodig, in ieder geval werd nieuwe informatie weinig meer in latere drukken geïncorporeerd. Joan Blaeu verhuisde de drukkerij ook weg van ‘Op ’t water’ naar de Bloemgracht en stapte zo voor een deel uit de wereld van de zeelieden.[44] Het netwerk van dichters en geleerden waar Willem Blaeu deel van uitmaakte vormde ook veel minder de wereld van Joan Blaeu. Hij was een bestuurder. Het verdwijnen van de opdracht en later ook het voorwoord en de gedichten laten zien dat de uitgever in een ander netwerk verkeerde dan zijn vader en dat de boeken niet meer bestemd waren voor wie in politiek en poëzie geïnteresseerd was.

De bewaard gebleven edities van zeemansgidsen uit de tijd van Joan Blaeu (de jaren 1640 en 1650) zijn vaak samengesteld uit delen met verschillende jaartallen. Dit wijst erop dat er geen gehele boeken werden gedrukt, maar zo nu en dan een nieuw deel, dat uitverkocht was. Het verzorgen van een nieuwe uitgave gebeurde alleen als de vorige succesvol was geweest en Blaeu winst dacht te kunnen maken met de verkoop van de herdruk. Er bleef dus een markt voor zijn zeemansgidsen bestaan – ondanks het feit dat ze steeds minder nieuws bevatten en steeds meer gebreken vertoonden. Daarbij kwam er steeds meer concurrentie, die ook kwalitatief betere zeemansgidsen ging produceren. Maar kennelijk bleven de naam en faam van Blaeu overeind, juist op het terrein van navigatie en cartografie. Hun atlassen hebben hier zeker aan bijgedragen. Verder had Willem Blaeu zich niet alleen als uitgever doen kennen, maar ook als zeevaartkundige autoriteit, onder meer in verschillende commissies die uitvindingen op dit gebied moesten beoordelen.[45] Daarnaast was Willem Blaeu vanaf 1633 aangesteld als kaartmaker van de VOC en trad hij op als examinator van zeelieden.[46] In dienst van de VOC kon hij zijn invloed aanwenden om de aanwezigheid van zijn zeemansgidsen op VOC-schepen te verplichten, zelfs al was dit voor maar een klein deel van de reis nuttig (alleen binnen Europa) en dan ook nog slechts een klein deel van het boek (de kaarten van de Republiek en de kust ten zuiden daarvan).[47] Joan Blaeu nam na de dood van zijn vader diens taken voor de VOC én diens zorgvuldig opgebouwde positie en invloed over. De afzet aan de VOC is niet genoeg om Blaeu’s totale productie te verklaren, wel was deze een welkome aanvulling op de verkoop én verleende zij de Blaeus extra status als kaartmakers.

Conclusies

Zeemansgidsen zijn uitgebreid beschreven, maar omdat de historische cartografie en de maritieme geschiedenis over het algemeen vooral op verandering en innovatie zijn gericht, zijn ze vervolgens nog maar weinig onderwerp van analytische studie geweest. Deze boeken bevatten gedurende de zeventiende eeuw steeds minder nieuws en zeker op cartografisch gebied is er weinig ontwikkeling in aan te wijzen. Blaeu’s doel was ‘de zeevaerder bequamen dienst te doen’. In relatieve zin, vergeleken met andere auteurs en de beschikbare informatie, was die ‘bekwaamheid’ steeds meer discutabel, maar kennelijk voldeden ze in absolute zin. De Zeespiegel bleef een succesnummer, dat vanaf de eerste editie van Het licht der zee-vaert uit 1608 nog decennialang het herhalen waard was. Daarbij laat de toenemende concurrentie zien dat er in Amsterdam in de zeventiende eeuw voldoende vraag was voor meerdere uitgevers van zeemansgidsen naast elkaar.

Het is verder duidelijk dat Willem Blaeu’s zeemansgidsen veel meer zijn dan gebruiksboeken met kaarten en tekst. Zo’n boek was een representatieobject. Blaeu gebruikte Het licht als visitekaartje om zijn geleerdheid, kunde en kunst te demonstreren. Hij sprong in 1608 in een gat in de markt, achtergelaten door enerzijds het overlijden van auteurs van zeemangidsen als Waghenaer en Barentsz en anderzijds door het verdwijnen van de uitgeverij van Claesz. Blaeu liet in 1608 voor het eerst zien dat hij een boek kon uitgeven, met goede letters en mooie afbeeldingen – in dit genre én andere genres. Met Het licht der zee-vaert zette Blaeu zichzelf op de kaart, niet alleen als verlener van ‘service aan zeelieden’, maar ook als bezorger van hoogstaande poëzie. Zijn contacten met Heyns en met name met Hooft waren daarvoor onmisbaar. Niet alleen zijn kennis, ook zijn kennissen zette Blaeu in om verder te komen. De poëzie en de verwijzingen naar de politiek in Blaeu’s zeemansgidsen zijn ook vooral gericht op de kring rond Hooft, de intellectuele bovenlaag van Amsterdam met remonstrantse sympathieën. Zeelieden zullen dit weinig hebben gelezen, laat staan begrepen. Blaeu’s publiek was dus tweeledig, wat de gidsen een zekere ambiguïteit geeft, die pas duidelijk wordt als er niet alleen naar de kaarten wordt gekeken.

De paratekst toont het beoogde publiek van Willem Jansz Blaeu én het netwerk waar hij zichzelf graag in plaatste en dat hij wenste te vergroten. De paratekst – of beter: het ontbreken van bepaalde onderdelen daarvan in later tijd – laat ook de verschillen tussen Willem Jansz en zijn zoon Joan zien. Laatstgenoemde was niet meer geïnteresseerd in het uitgeven van Nederlandse poëzie en vond de cartografie en met name de Grote Atlas veel belangrijker. Uiteindelijk kwam dit het voorwerk, de inhoud en de kwaliteit van de zeemansgidsen niet ten goede. Willem Blaeu zette deze boeken in als carrièrevehikel: hij lanceerde zijn carrière als geleerde auteur en als boekdrukker en kwam op gezette tijden met een (uiterlijk) nieuwe uitgave, meestal ter onderscheiding van zijn concurrenten. De vele edities van Blaeu’s zeemansgidsen representeren zo de ambities van twee generaties Amsterdamse uitgevers.

Notes
1

Dit artikel is gebaseerd op hoofdstuk 2 van mijn in 2012 te verschijnen proefschrift Koopman in kennis. De uitgever Willem Jansz Blaeu in de geleerde wereld van zijn tijd (Zutphen: Walburg Pers). De totstandkoming van dit artikel is deels te danken aan het Dr. Ernst Crone-fellowship van Het Scheepvaartmuseum, Amsterdam. In dit kader vindt ook vervolgonderzoek plaats.

2

W.J. Blaeu, Het licht der zee-vaert, Amsterdam 1608, fol. *2r.

3

Hiervan is alleen de derde druk bekend: C. Anthonisz, Onderwijsinghe vander zee, om stuermanschap te leeren, Amsterdam 1558. Zie verder: W.F.J. Mörzer Bruyns, ‘Leeskaarten en paskaarten uit de Nederlanden. Een beknopt overzicht van gedrukte navigatiemiddelen in de zestiende eeuw’, in: Lucas Jansz. Waghenaer van Enckhuysen. De maritieme cartografie in de Nederlanden in de zestiende en het begin van de zeventiende eeuw, Enkhuizen 1984, p. 11-20; C.A. Davids, ‘Van Anthonisz tot Lastman. Navigatieboeken in Nederland in de zestiende en het begin van de zeventiende eeuw’, in: Lucas Jansz. Waghenaer van Enckhuysen, p. 73-88.

4

L.M. Akveld e.a. (red.), Maritieme geschiedenis der Nederlanden II: Zeventiende eeuw, van 1585 tot ca 1680, Bussum 1997, p. 160; zie ook E. Bos-Rietdijk, ‘Het werk van Lucas Jansz. Waghenaer’, in: Lucas Jansz. Waghenaer van Enckhuysen, p. 21-46.

5

G. Schilder, Monumenta cartographica, dl 7: Cornelisz Claesz (c. 1551-1609). Stimulator and driving force of Dutch cartography, Alphen aan de Rijn 2003, p. 47; C.A. Davids, Zeewezen en wetenschap. De wetenschap en de ontwikkeling van de navigatietechniek in Nederland tussen 1585 en 1815, Amsterdam 1985, p. 98.

6

Zie over Claesz: E.W. Moes en C.P. Burger, De Amsterdamse boekdrukkers en uitgevers in de zestiende eeuw II, Amsterdam 1907, p. 27-209; F.J. Dubiez, ‘ “Int Schrijfboeck”. De Amsterdamse boekdrukker en boekverkoper Cornelisz Claeszoon’, in: Ons Amsterdam12 (1960), p. 203-213, 240-248, 206-213, 240-248; Schilder, Cornelisz Claesz.; B. van Selm, Een menighte treffelijcke boecken. Nederlandse boekhandelscatalogi in het begin van de zeventiende eeuw, Utrecht 1987; P. Dijstelberge, ‘De Cost en de Baet. Uitgeven en drukken in Amsterdam rond 1600’, in: Holland26 (1994) p. 217-234; E. Sutton, ‘Mapping meaning. Ethnography and allegory in Netherlandish cartography, 1570-1655’, in: Itinerario33 (2009), p. 12-43.

7

Blaeu, Het licht der zee-vaert (n. 2), fol. *2r.

8

Ibidem, fol. *2v.

9

Ibidem, fol. *2r, zie ook W.J. Blaeu, ’t Derde deel van't Licht der zee-vaert, Amsterdam 1621, fol. *3v en *4r.

10

Blaeu, Het licht der zee-vaert (n. 2), fol. *2r.

11

Ibidem, ingebonden blad aan achterin het boek.

12

R.A. Skelton, ‘Bibliographical note’, in: W.J. Blaeu, The light of navigation, Amsterdam 1964 [1612], p. viii suggereert minimaal een glaasje jenever.

13

Skelton, ‘Bibliographical note’, p. v; C. Koeman, Atlantes Neerlandici, dl 4, Amsterdam 1970, p. 29. Vergelijk J. Keuning en M. Donkersloot-De Vrij, Willem Jansz. Blaeu. A biography and history of his work as a cartographer and publisher, Amsterdam 1973, p. 82.

14

Over Janssonius is maar weinig literatuur; zie J. Theunisz, ‘Het boekdrukkers-geslacht Janssonius’, in: Het boek24 (1936-1937), p. 211-215; J. Belonje en I.H. Van Eeghen, ‘De familie van de drukker Jan Willemsz. Blaeu in Alkmaar en in Amsterdam’, in: Jaarboek van het Genootschap Amstelodamum64 (1972), p. 75-93, spec. p. 90-93; P. van der Krogt, Koeman's Atlantes Neerlandici, dl 1, Amsterdam 1997, p. 35-39. Zie verder hoofdstuk 6 van mijn proefschrift (n. 1).

15

Vergelijk D.W. Waters, The art of navigation in England in Elizabethan and early Stuart times, New Haven 1958, p. 327-328.

16

Over deze concurrentie zie D. Smith, ‘Jansson versus Blaeu. A study in competitive response in the production of English county maps’, in: The cartographic journal23 (1986), p. 106-114 en hoofdstuk 6 van mijn proefschrift (n. 1).

17

C. Koeman, ‘Bibliographical note’, in: W.J. Blaeu, The sea-beacon, Amsterdam 1973 [1643], p. vii. Zie ook Koeman, Atlantes Neerlandici, dl 4, p. 28 en 78; G. Schilder, ‘Willem Jansz. Blaeu (1571-1638)’, in: G. Schilder e.a. (red.), Vier eeuwen varen: kapiteins, kapers, kooplieden en geleerden, Bussum 1973, p. 80-98, spec. p. 87-88 en H. de la Fontaine Verwey, ‘Willem Jansz Blaeu, “mercator sapiens”’, in: H. de la Fontaine Verwey, Uit de wereld van het boek, dl 3: In en om de ‘Vergulde Sonnewyser’, Amsterdam 1979, p. 9-34, spec. p. 23. Over de verschillen zie ook P.J.H. Baudet, Naschrift op: Leven en werken van W. Jz. Blaeu, z.p. 1872, p. 23; Waters, The art of navigation, p. 459-460; E. Crone, ‘The Luywagen by Willem Jansz Blaeu’, in: Quaerendo3 (1973), p. 117-128, spec. p. 117.

18

Koeman, Atlantes Neerlandici, dl 4 (n. 13), p. 76-77.

19

Tegenwoordig wordt er onder leiding van Peter van der Krogt (Universiteit Utrecht) gewerkt aan een nieuwe uitgave van Koemans Atlantes Neerlandici. Het deel over zeeatlassen en zeemansgidsen verschijnt in 2013/2014.

20

Koeman, Atlantes Neerlandici, dl 4 (n. 13), p. 47. Cursivering DvN.

21

Vergelijk C.P. Burger, ‘Oude Hollandsche zeevaart-uitgaven. De oudste uitgaven van het “Licht der Zeevaert” ’, in: Tijdschrift voor boek- en bibliotheekwezen6 (1908), p. 119-137, spec. p. 137.

22

Zie G. Genette, Paratexts. Tresholds of interpretation, Cambridge 1997.

23

Zie ‘Zeemanskleding: functioneel en herkenbaar’, in: H. Ketting, Leven, werk en rebellie aan boord van Oost-Indiëvaarders (1595-1650), Amsterdam 2002, p. 76-81.

24

Burger, ‘Oude Hollandsche zeevaart-uitgaven’, p. 123.

25

Zie H. de la Fontaine Verwey, ‘Willem Jansz Blaeu as a publisher of books’, in: Quaerendo3 (1973), p. 141-146, spec. p. 143; M. Donkersloot-De Vrij, Drie generaties Blaeu. Amsterdamse cartografie en boekdrukkunst in de zeventiende eeuw, Zutphen 1992, p. 29; H. de la Fontaine Verwey, ‘Willem Jansz en de Nederlanse emblematiek’, in: Uit de wereld van het boek, dl 3 (n. 17), p. 108.

26

Van de zeevaartmeester is wel gezegd dat het Peter Plancius zou zijn; een andere mogelijkheid is dat Robbert Robbertsz le Canu hiervoor model heeft gestaan. Zie Burger, ‘Oude Hollandsche zeevaart- uitgaven’ (n. 21), p. 124.

27

Zie bijvoorbeeld verschillende titelpagina’s van het werk van Colom.

28

Zie V.R. Remmert, Widmung, Welterklärung und Wissenschaft. Titelbilder und ihre Funktionen in der Wissenschaftlichen Revolution, Wiesbaden 2005, p. 118-123, die echter uitgaat van een vergelijkbare Engelse afbeelding uit 1681 en driekwart eeuw Nederlandse traditie hiervoorafgaand mist.

29

Vergelijk M. Russel, ‘The light of navigation’, in: Dutch quarterly review of Anglo-American letters10 (1980), p. 244-257.

30

Resolutiën der Staten Generaal25 april 1608. Afgedrukt in P.J.H. Baudet, Leven en werken van Willem Jansz. Blaeu, Utrecht 1871, p. 155.

31

Heyns had in ieder geval in 1597 een adres Op ’t water, maar in 1599 in de nabijgelegen Warmoesstraat. J.A. Gruys en J. Bos (red.), Adresboek Nederlandse drukkers en boekverkopers tot 1700, Den Haag 1999. Blaeu zou pas in de eerste jaren van de zeventiende eeuw Op ’t water zijn komen wonen. Zie Belonje en Van Eeghen, ‘De familie van de drukker’ (n. 14), p. 85-86. Over Heyns zie H. Meeus, ‘Zacharias Heyns. Een “drucker” die nooit drukte’, in: De gulden passer73 (1995), p. 107-127. Met dank aan Hubert Meeus voor inzage in zijn ongepubliceerd gebleven proefschrift over Heyns (1990).

32

H. Meeus, ‘Lof van Het licht der zeevaert’, in: H. Duits e.a. (red.), Klinkend boeket. Studies over renaissancesonnetten voor Marijke Spies, Hilversum 1994, p. 37-41.

33

De la Fontaine Verwey, ‘Willem Jansz Blaeu’, (n. 17), p. 15. Vergelijk Burger, ‘Oude Hollandsche zeevaart-uitgaven’ (n. 21), p. 124. Zie voor het sonnet P.C. Hooft, Alle de gedrukte werken 1611-1738, dl 1: Emblemata amatoria 1611; Verspreide gedichten, Amsterdam 1972, p. 188-189.

34

Dat wat in de negentiende eeuw met een wat anachronistische term wel de ‘Muiderkring’ is genoemd. Zie E.K. Grootes, Het literaire leven in de zeventiende eeuw, Leiden 1988, p. 17; S. Groenveld en G.J. Schutte, Delta. Nederlands verleden in vogelvlucht, dl 2: De nieuwe tijd: 1500 tot 1813, Leiden 1992, p. 157. Zie ook M.B. Smits-Veldt, ‘De Muiderkring in beeld. Een vaderlands gezelschap in negentiende-eeuwse schilderijen’, in: Literatuur15 (1998), p. 278-288.

35

Brief Hooft aan Grotius; [.]9 november 1616; in: H.W. Van Tricht (red.), De briefwisseling van Pieter Corneliszoon Hooft dl 1, Culemborg 1976, p. 28.

36

In J. van den Vondel, De werken, dl 2: 1620-1627, Amsterdam 1928, p. 405 en B.H. Molkenboer, ‘Vondels drukkers en uitgevers’, in: Vondel-kroniek12 (1941), p. 17-71, 86-89, 121-148, 152-188, spec. p. 158 wordt dit gedicht 1621 gedateerd, het komt echter ook voor in de eerste editie van ’t Derde deel van’t licht der zee-vaert van 1618.

37

Het werk is uitgegegeven en van commentaar voorzien door H. den Haan: J. Van den Vondel, Het lof der zee-vaert, Uitgeest 1985; M. Spies: J. Van den Vondel, Twee zeevaart-gedichten, Amsterdam 1987.

38

Vondel, Twee zeevaart-gedichten, dl 1, p. 31-33.

39

Over Reael zie G.G. Hellinga, Leiders van de Gouden Eeuw, Zutphen 2009, p. 167-170.

40

Vondel, Twee zeevaart-gedichten, dl 1, p. 65.

41

Ibidem, p. 255.

42

Ibidem, p. 39.

43

Koeman, Atlantes Neerlandici, dl 4 (n. 13), p. 103 noemt ook nog een verwijzing naar een Groote zeespiegel uit 1666, waar echter geen exemplaar van bekend is.

44

Vergelijk Baudet, Leven en werken (n. 30), p. 75.

45

Keuning en Donkersloot-De Vrij, Willem Jansz. Blaeu (n. 13), p. 25.

46

Skelton, ‘Bibliographical note’ (n. 12), p. viii; Schilder, ‘Willem Jansz. Blaeu’ (n. 17), p. 87. Over de taken van VOC-kaartmaker zie Keuning en Donkersloot-De Vrij, Willem Jansz. Blaeu (n. 13), p. 26-28; Davids, Zeewezen en wetenschap (n. 5), p. 101; G. Schilder, ‘Organization and development of the hydrographic office of the Dutch East India Company in the 17th century’, in: Imago Mundi28 (1976), p. 61-78; G. Schilder, ‘Het cartografisch bedrijf van de VOC’, in: P. van Mil (red.), De VOC in de kaart gekeken. Cartografie en navigatie van de Verenigde Oost-Indische Compagnie. 1602-1799, Den Haag 1988; C.J. Zandvliet, Mapping for money. Maps, plans and topographic paintings and their role in Dutch overseas expansion during the 16th and 17th centuries, Amsterdam 1998, p. 86-163; specifiek over de Blaeus p. 118-130.

47

Schilder, ‘Het cartografisch bedrijf van de VOC’, p. 23.





Creative Commons License
This work is licensed under a Creative Commons Attribution 3.0 License.

Support our journal

eISSN 2212-7402 - print ISSN: 0921-142x