Loopbaan en carrière in de Gouden Eeuw
Maarten PrakMaarten Prak is hoogleraar Economische en Sociale Geschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Hij heeft vooral gepubliceerd over stadsgeschiedenis, onder andere veelvuldig over gilden. Zijn meest recente publikatie over dat onderwerp is S.R. Epstein, Maarten Prak (red.), Guilds, innovation, and the European economy, 1400-1800 (Cambridge: Cambridge University Press, 2008) m.prak@uu.nl
Keywords
labour market; career; social mobility; education, professionalism
Inleiding

Wat is een loopbaan?[1] In beginsel kan elke willekeurige opeenvolging van (betaalde?) werkzaamheden als zodanig betiteld worden. In de praktijk hebben sociale wetenschappers een wat meer beperkte definitie, die trouwens ook in het dagelijks spraakgebruik overheerst, namelijk een welbepaalde opeenvolging van arbeidsbetrekkingen die het individu in de loop van een werkzaam leven vervult.[2] In dat ‘welbepaalde’ wordt een patroon en vaak ook een hiërarchie begrepen, met andere woorden: de loopbaan heeft een bepaald doel. Dat doel kan uiteenlopend zijn: grotere arbeidssatisfactie, een beter loon, meer status, om enkele voor de hand liggende te noemen. Zoals velen uit eigen ervaring kunnen vaststellen, is het doel niet altijd van tevoren helder. Het kan ook in de loop van een carrière ontstaan, bijvoorbeeld doordat de betrokkene zelf zich van het patroon bewust wordt en er vervolgens ook naar gaat handelen.

Als historisch verschijnsel wordt vaak aangenomen dat de carrière pas begon met de industrialisatie. Voordien leefden en werkten de mensen in het vaste stramien van hun stand. Bovendien waren de meeste organisaties te klein om aan hun werknemers carrièreperspectieven te bieden.[3] Deze onder sociale wetenschappers populaire opvatting valt eenvoudig te loochenen. Immers, in het gildenwezen konden mensen zich opwerken van leerling, tot knecht, en ten slotte meester. En onder regenten in de Hollandse steden bestond er beslist zoiets als een cursus honorum, een opeenvolging van ambten die uiteindelijk naar het burgemeesterschap leidde.[4] Dat was dus een bestuurlijke en politieke loopbaan. Maar het is natuurlijk wel weer de vraag hoe algemeen dit verschijnsel was, en of mensen zich er ook van bewust waren. Bestond er in de zeventiende eeuw zoiets als een loopbaan? Er zijn redenen om aan te nemen dat dit inderdaad zo was. De samenleving in de Lage Landen werd niet heel sterk beheerst door standsopvattingen. En als de Nederlandse economie inderdaad al in de zeventiende eeuw ‘modern’ was,[5] dan zou dat ook kunnen gelden voor de individuele arbeidsketens in die economie. Alleen, we weten het niet. Misschien kunnen we daarom die vraag het beste aanvatten door te beginnen met twee concrete voorbeelden. Ze betreffen twee van de best gedocumenteerde levens uit de Gouden Eeuw, namelijk van Evert Willemszoon uit Woerden, die door Willem Frijhoff aan de vergetelheid werd ontrukt, en Hermanus Verbeeck uit Amsterdam, wiens rijmelende autobiografie dankzij Rudolf Dekkers egodocumenten project bekendheid verwierf. Wat leren hun levensgeschiedenissen over ons thema?

Evert Willemszoon was in 1622 een kansarme puber in het weeshuis van Woerden.[6] Hij was in opleiding voor kleermaker, een eerzaam beroep maar met beperkte vooruitzichten, toen hij op 21 juni werd getroffen door doofstomheid en verlamming. Zijn toeval duurde negen dagen, waarin hij at noch dronk. Daarna werd hij van 30 juni tot 8 september opnieuw getroffen door doofstomheid. Gedurende deze periode schreef hij voortdurend religieuze boodschappen, die hem kennelijk direct door God waren ingefluisterd. Een vergelijkbare gebeurtenis, veel kortstondiger en minder intens dan de eerste, deed zich voor in januari van het volgende jaar. Everts ervaringen trokken de aandacht en met hulp van een aantal notabelen mocht hij zijn opleiding tot kleermaker inruilen voor een opleiding aan de Woerdense Latijnse School. Daarna kon hij met een studiebeurs van de stad theologie gaan studeren aan de universiteit van Leiden. Die opleiding brak hij overigens na een jaar af, om als ziekentrooster in dienst te treden van de WIC, die hem uitzond naar Fort Nassau op de kust van Guinee. Evert keerde na drie jaar terug in patria en legde in juni 1632 het predikantsexamen af, waarna hij opnieuw door de WIC werd uitgezonden, ditmaal naar Nieuw-Amsterdam. Evert Willemszoon was nu dominee Bogardus. Hij trouwde in 1638 een welgestelde weduwe en bond de strijd aan met de hoogste gezagsdragers in de kleine, door conflicten verscheurde kolonie.

De jonge Evert Willemszoon had het dus onmiskenbaar gemaakt. Het toont ons dat de Gouden Eeuw kansen bood aan initiatiefrijke jongelui, ook als die niet met een zilveren lepel in hun mond geboren waren. Instellingen zoals het Statencollege, maar ook private weldoeners, stimuleerden mensen met talenten en ambities. De ontwikkeling van kansarme weesjongen uit Woerden tot welgesteld en gerespecteerd predikant in Nieuw Amsterdam was misschien niet helemaal de voorafspiegeling van de Amerikaanse droom, maar het patroon is wel herkenbaar. Het was alleen niet ieders weg naar de gelukzaligheid.

Hermanus Verbeeck was bepaald géén kansarme jongere.[7] Zijn vader had een bontwerkerij en liet bij zijn overlijden aan elk van zijn vier kinderen 1600 gulden na. Hermanus bezocht de Latijnse School en werd als leerling-bontwerker in 1642 voor een langdurige stage naar Parijs gestuurd, om er de kneepjes van het vak te leren. Het probleem was alleen dat de jonge Verbeeck een broertje dood had aan het bontwerkersvak. Bovendien was hij ziekelijk, wat hem bij zijn beroep ook hinderde. In 1648, vier jaar na de dood van zijn vader, verkocht hij het ouderlijk bedrijf. Na zijn huwelijk met een winkeliersdochter stortte Verbeeck zich op de kleinhandel, maar ook dat beviel hem niet. Daarom werd hij boekhouder op het handelskantoor van een zwager. Die was niet tevreden over Verbeecks prestaties, en hij werd ontslagen. Vervolgens besloot hij zich te laten omscholen tot graanmakelaar, en inderdaad werd hij in 1656 ingezworen als beëdigd makelaar, een beroep dat hij tot zijn dood in februari 1681 zou uitoefenen, als hij ten minste niet ziek thuis zat met een toelage van het makelaarsgilde.

Verbeecks loopbaan herinnert ons eraan dat het dus ook wel eens heel anders kon lopen dan die rechtlijnige loopbaan van dominee Bogardus. Verbeeck bewoog zich van het ene naar het andere beroep, zonder dat er veel patroon of zelfs ontwikkeling in zat. Het is belangrijk om te blijven bedenken dat niet alleen studenten aan het begin van de 21e eeuw geregeld tot de ontdekking komen dat ze de verkeerde studiekeuze hebben gemaakt, of ondanks hun liefde voor de Renaissance Letterkunde een baan als kwaliteitsmanager bij de brandweer moeten nemen.

Maar behalve deze lessen doen de levensgeschiedenissen van Bogardus en Verbeeck ook een methodologische vraag rijzen: hoe typerend zijn ze eigenlijk voor beroep en carrière in deze periode? Juist omdat de meeste opstellen in dit themanummer een individu als uitgangspunt nemen, is het zinvol wanneer deze inleiding een aantal algemene punten aansnijdt. Ik pretendeer niet dat ik hier een soort algemene theorie over het onderwerp kan presenteren, maar er is wel een aantal kwesties die als context kunnen dienen voor de stukken die volgen, en die kunnen helpen het daar te berde gebrachte in een wat breder verband te plaatsen.

Arbeidsmarkt

De eerste en misschien wel belangrijkste context voor loopbaan en carrière is de arbeidsmarkt. Nederland, had al in de middeleeuwen een arbeidersmarkt gekregen die in twee opzichten afweek van die in veel omringende gebieden – en dat gold zeker voor de westelijke provincies. Ten eerste kon arbeid er zonder noemenswaardige beperkingen vrij worden aangeboden en aangetrokken. Gedwongen arbeid kwam hoegenaamd niet meer voor. Ten tweede werd een ongebruikelijk groot deel van de arbeid in loondienst verricht. Of om het anders te zeggen: het aandeel van de zelfstandigen in het totale arbeidsaanbod was relatief laag. Halverwege de zestiende eeuw werkte slechts ongeveer de helft van de plattelandsbevolking voor eigen rekening.[8]

In andere opzichten zou je arbeidsmarkt in de vijftiende en zestiende eeuw daarentegen nog traditioneel kunnen noemen. Een belangrijk aspect daarvan was dat relatief veel mensen, vooral op het platteland, verschillende beroepen combineerden. Ze waren een deel van het jaar bij voorbeeld visser, of matroos, en een ander deel agrariër op een eigen stukje grond of als landarbeider in dienst bij een andere boer, maar werkten misschien ook een paar weken per jaar als dijkwerker, of sponnen voor een textielondernemer. Bij elkaar opgeteld leverden zulke seizoensgebonden beroepen in die periode een complete jaarcyclus met bijbehorend inkomen op. In de eerste helft van de zeventiende eeuw was dit waarschijnlijk nog een veel voorkomend patroon; toen was er ook nog veel werkgelegenheid in grote infrastructurele werken, zoals de inpolderingen en de aanleg van trekvaarten. Maar in de tweede helft van de eeuw verdwenen deze arbeidsmogelijkheden voor een belangrijk deel. Dat had te maken met schaalvergroting in de landbouw die intussen had doorgezet waardoor keuterboertjes verdwenen, maar ook met de beëindiging van grote projecten. Seizoenswerk kwam op het platteland nog wel voor, maar werd nu steeds meer gedaan door trekarbeiders, die voor een paar maanden uit de Duitse grensstreken naar Holland en Friesland trokken.[9]

Overigens was een dergelijke beroepsspecialisatie niet alleen aan de onderkant van de sociale piramide gaande. In het begin van de eeuw was het nog volstrekt gebruikelijk voor leden van stadsbesturen om hun bestuurlijke verantwoordelijkheden te combineren met zakelijke beslommeringen. Op 17 augustus 1617 kreeg Cornelis Pieterszn. Hooft, graankoopman, burgemeester van Amsterdam en natuurlijk ook ‘de vader van’, papieren aangaande de bekende Scherpe Resolutie aangereikt door een klerk, ‘soo als ick vanden beurse comende de marckt overgingck’.[10] Aan het einde van de zeventiende eeuw waren regenten nog maar hoogst zelden op de beurs te vinden. Ze hadden zich helemaal toegelegd op het bestuurswerk, en lieten de handel over aan hun broers, neven en andere familie. Dat specialisatie ook een handicap kon zijn, blijkt uit de bijdrage van David van der Linden: hugenootse predikanten hadden zoveel geïnvesteerd in hun opleiding, dat ze zeer onwillig waren om alternatieve loopbanen te overwegen. Waarschijnlijk begrepen ze heel goed dat een forse sociale daling in dat geval bijna onvermijdelijk zou zijn.

Niet alleen op het platteland veranderde dus de arbeidsmarkt, maar ook in de steden. Nieuwe industrieën schiepen nieuwe beroepen, terwijl elders oude beroepen verdwenen. Voorbeelden van het eerste waren de tabakspinnerij en de suikerraffinage, die beide in de laatste jaren van de zestiende eeuw in Amsterdam en daarna ook in andere steden opkwamen als typische trafieknijverheden, die werkten met uit de tropen ingevoerde grondstoffen.[11] Een voorbeeld van een verdwijnend beroep was de handzagerij. De enorme expansie van fysiek kapitaal, zoals pakhuizen, woningen, en schepen, creëerde in de decennia rondom 1600 een grote vraag naar gezaagd hout. De lonen van de zagers vlogen omhoog. Geen toeval dus dat nog voor de eeuwwende een technologische vernieuwing zijn intrede deed: de houtzaagmolen. Die werkte eerst nog niet heel goed, en er waren aanvankelijk ook institutionele belemmeringen, maar in de tweede helft van de zeventiende eeuw was het beroep van houtzager nagenoeg verdwenen.[12]

De arbeidsmarkten van West-Nederland (zie boven) werden in de eerste helft van de zeventiende eeuw in belangrijke mate bediend door immigranten – tijdelijk en permanent. Hoewel er genoeg afwijkingen waren van dit patroon, kwamen de meesten terecht in slechte, ongeschoolde, laagbetaalde banen die vaak ook nog eens tijdelijk waren.[13] Hun beroepskeuze werd opvallend vaak bepaald door hun herkomstgebied.[14] Soms was dat het resultaat van een regionaal specialisme, maar veel belangrijker waren de sociale netwerken die het migratieproces ondersteunden en vormgaven. Een prachtig voorbeeld zijn de Twentenaren die in de zeventiende eeuw naar Amsterdam verhuisden. Bijna de helft van de mannelijke Twentse migranten kwam terecht in de kleermakerij en de schoenmakerij. Dat had weinig of niets te maken met hun beroep in Twente, maar met de aanwezigheid van andere Twentenaren in dezelfde sectoren. Die hielpen hun streekgenoten aan baantjes, en zo raakten deze bedrijfstakken steeds meer in handen van mensen met dezelfde geografische achtergrond.[15]

Dergelijke keuzes waren dus in belangrijke mate het gevolg van formele en informele preferentiemechanismen. In de tweede helft van de zeventiende eeuw kristalliseerden deze uit tot wat sociaalhistorici noemen een ‘gesegmenteerde arbeidsmarkt’. Drie grote segmenten zijn daarin te onderscheiden. Ten eerste een relatief aantrekkelijk segment van geschoolde banen, met meestal langlopende contracten, en een sterke institutionele bescherming. Het tweede segment bestond uit half-geschoolde arbeid die werd verricht door autochtone arbeiders. Het derde segment bestond uit de onaantrekkelijke baantjes die niemand wilde. Veruit de belangrijkste werkgevers waren hier het leger en de voc. Misschien niet toevallig waren dat ook sowieso de grootste werkgevers in de zeventiende-eeuwse Republiek. Voor zover we weten, was het verkeer tussen die drie segmenten van de arbeidsmarkt heel gering.[16] Het onderzoek van Piet Bakker in dit themanummer geeft een heel concreet beeld van wat die verschuiving kon betekenen. In de Leidse schilderswereld nam de totale werkgelegenheid niet af, maar er vond een kwaliteitsverschuiving plaats van het ‘fijne’ werk naar het kladschilderen. Die verschuiving had onvermijdelijk een weerslag op de inkomsten van de betrokken schilders. Omgekeerd blijkt uit de bijdrage van Claartje Rasterhoff dat de veranderingen in deze periode vooral goed uitpakten voor de ‘gevestigden’. Het aantal toetreders in het boekhandelsvak nam in de tweede helft merkbaar af en tegelijk groeide de lengte van de loopbanen van boekhandelaars.

Scholing en vorming

Een probaat middel van sociale mobiliteit is opleiding en scholing. Voor een loopbaan kon dit al evenzeer cruciaal zijn. Dit was de manier waarop Evert Willemsz zichzelf een goede betrekking bezorgde. Alle individuen aan wie in dit themanummer bijdragen gewijd zijn, hadden een opleiding achter de rug – en meestal een zeer langdurige opleiding – voordat zij aan hun Grote Daden konden beginnen, al was dat in het geval van Jan Vos (bijdrage Nina Geerdink) en Joost van den Vondel (Sophie Reinders en Frans Blom) niet evident een opleiding die hen voorbereidde op hun literaire werk. De literatuur is een vak waarvoor de relevante competenties ook vandaag de dag nog altijd moeilijk overdraagbaar lijken te zijn. Vanwege het onderwerp van dit themanummer moeten we ons desalniettemin vooral richten op het beroepsonderwijs. En het eerste dat we dan kunnen vaststellen is, dat daarvan weliswaar meer beschikbaar kwam in de loop van de zeventiende eeuw, maar dat er ook in 1700 nog maar bedroevend weinig van voorhanden was. Veruit de meeste mensen werden opgeleid in de praktijk.

Die praktijk was zeker niet helemaal ongereguleerd. In veel bedrijfstakken bestonden immers gilden, die zich bemoeiden met de opleiding.[17] Die bemoeienis is een bron van veel misverstand. In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht (en opgeschreven), leidden gilden namelijk niemand op. Hun rol beperkte zich tot het inkaderen van de beroepsopleiding. Die inkadering was zeker niet onbelangrijk. Zonder de gildenregels zou het veel lastiger zijn geweest om de vraag naar en het aanbod van opleidingsplaatsen bij elkaar te brengen.[18] Gilden boden daarnaast een soort kwaliteitsgarantie in de zin dat leerlingen door de reglementen beschermd werden tegen onbetrouwbare leermeesters, terwijl omgekeerd de meesters beschermd werden tegen wispelturige leerlingen. Bovendien organiseerden veel gilden een examen, in de vorm van de meesterproef, waarbij werd vastgesteld of een ambachtsman over de vereiste competenties beschikte om zijn (in een enkel geval haar) beroep uit te oefenen. In de zeventiende eeuw nam het aantal gilden enorm toe, en hoewel bij mijn weten niemand dit ooit precies heeft uitgezocht, lijkt het niet onaannemelijk dat minstens de helft van de geschoolde beroepsbevolking in de steden een opleiding had genoten in gildenverband.[19]

Het is belangrijk om hierbij voor ogen te houden dat deze opleidingsvorm vrijwel uitsluitend toegankelijk was voor mannen. Vrouwen waren veelal aangewezen op informele vormen van instructie. Zelfs waar ze wel meededen in het gebruikelijke ambachtsonderwijs, kregen zij niet dezelfde mogelijkheden als jongens. Dat blijkt uit het zeer interessante onderzoek van Elise van Nederveen Meerkeerk naar Leidse weesjongens en –meisjes die in de plaatselijke textielindustrie werden opgeleid. Het aantal meisjes dat een opleiding kreeg, was nog best aanzienlijk: één van de vijf leerlingen was een meisje, wat waarschijnlijk te maken had met de onverzadigbare vraag naar arbeidskrachten in deze bedrijfstak tijdens de eerste driekwart van de zeventiende eeuw. Maar het is opvallend dat de meisjes alleen werden opgeleid tot spinster, terwijl de jongens ook leerden weven of zelfs voor ‘de hele draperie’ werden opgeleid, dat wil zeggen in alle aspecten van het vak.[20] Voor veel meisjes was de familie vermoedelijk een belangrijke bron van beroepskennis.

Voor een aantal beroepen ontstond echter aan het eind van de zestiende en in de zeventiende eeuw een gespecialiseerde opleiding. Te denken valt met name aan predikant en ingenieur. Voor beide bood de universiteit van Leiden sinds respectievelijk 1589 en 1600 een programma. De Leidse universiteit was in 1575 allereerst opgericht, zo verklapte de Leidse stadssecretaris Jan van Hout een paar jaar later, om er Theologie te kunnen onderwijzen. Strikt genomen was dat niet hetzelfde als de beroepsopleiding; daarvoor kwam in 1589 in Leiden een apart programma, dat voorbereidde op het predikantsexamen. Het palet werd gecompleteerd met de oprichting van het Statencollege in 1592, waar toekomstige predikanten werden ondergebracht gedurende de studietijd. Hun studie werd gefinancierd met beurzen van de Staten van Holland, hun eigen stad, of private weldoeners.[21] Evert Willemsz. was een van de studenten die daarvan profiteerde. De opleiding voor ingenieur is echter minstens even interessant, ook al omdat zoiets elders niet bestond. Bovendien stond de ontwerper van het opleidingsprogramma, Simon Stevin, een heel modern idee voor ogen van een op wiskundige kennis gebaseerde beroepspraktijk. De opleiding was ook modern in de zin dat er in het Nederlands werd onderwezen. Ook andere universiteiten boden vergelijkbare opleidingen, soms als officieel programma, soms als een soort bijproduct van het wiskundeonderwijs.[22]

Behalve volledige opleidingen had je ook aanvullend onderwijs, zoals bijvoorbeeld de tekenlessen die in verschillende steden werden verzorgd. Ook kwamen er in de loop van de zeventiende eeuw steeds meer mogelijkheden om zeevaartkundig onderwijs te volgen, veelal bij onderwijzers die met dergelijk volwassenenonderwijs een leuke bijverdienste hadden. Cornelis Lastman buitte de commerciële mogelijkheden van de vraag naar deze vorm van beroepsonderwijs wel buitengewoon behendig uit. Hij was vanaf 1619 examinator van de stuurlieden bij de kamer Amsterdam van de VOC, wat hem een jaarsalaris van 350 gulden opleverde. Hij had daarnaast een privéschool waar leerlingen zich op dat examen konden voorbereiden. Dat deden ze dan door de bestudering van het door Lastman in eigen beheer uitgegeven studieboek, Schat-kamer des grooten seevaerts-kunst. Het was misschien geen toeval dat vanaf 1633 de examens werden afgenomen door twee examinatoren, bovendien in aanwezigheid van enkele bewindhebbers. Dit om ‘alle abuysen te voorkomen’.[23] Uit de bijdrage van Djoeke van Netten over de zeemansboeken van uitgeverij Blaeu blijkt intussen zonneklaar dat zulke vakliteratuur veel meer kon zijn dan louter informatief, maar zozeer statusverhogend dat zelfs mensen die nooit op zee zouden komen ze wel wilden aanschaffen.

Vakliteratuur als die van Lastman vormde uiteraard ook buiten het klaslokaal een belangrijke bron van beroepskennis. In deze periode werd dergelijke vakliteratuur in aanzienlijke hoeveelheden in de Republiek geproduceerd. We weten meer van de aanbod- dan van de vraagzijde, helaas. Onderzoek naar achttiende-eeuwse boedelinventarissen heeft laten zien dat vrij wat mensen beroepslectuur bezaten.[24] In de eerste plaats natuurlijk medici en predikanten, maar zeker niet alleen zij. Aannemers hadden bijvoorbeeld boeken met architectonische ontwerpen, die zij ter inspiratie gebruikten. Het ‘proportie boeck’ van Albrecht Dürer dat zich in Rembrandts bibliotheek bevond, was evident vakliteratuur, maar in zijn geval zou je ook de ‘oude bijbel’ wel tot die categorie kunnen rekenen; niet voor niks bevond het zich in het voorvertrek van de ‘kunstcaemer’, tezamen met onder andere een ‘Hoogduyts boeck met oorlochs figueren’ en een geïllustreerde uitgave van Flavius Josephus.[25]

Loopbaan

De aanschaf van vakliteratuur is een mooi voorbeeld van professioneel gedrag: de beroepsbeoefenaar probeert zijn of haar vakkennis te verbreden en verdiepen met behulp van dergelijke literatuur. En professionaliteit is weer een van de typische aspecten van een loopbaan, die veronderstelt dat je je door middel van demonstraties van inzet en bekwaamheid kan onderscheiden en aldus beroepsmatig vooruitkomen. Van Rembrandt weten we dat hij enorm ambitieus was.[26] Die ambitie was artistiek, maar ook sociaal: hij wilde hogerop, en hij was niet de enige kunstenaar met zulke ambities, zo blijkt wel uit het opstel van Prisca Valkeneers over de schilder Justus van Egmont. Zijn loopbaan maakt twee dingen duidelijk die hier relevant zijn. In de eerste plaats dat talent in sommige bedrijfstakken echt verschil kon maken. Van Egmont werd als dertien- of veertienjarige al vanuit Leiden in Antwerpen in de leer gedaan. Dat suggereert dat hij al vroeg aanleg had getoond voor het vak. Vervolgens werd hij door Rubens aangenomen om in diens atelier te komen werken. Alweer speelde talent daarbij waarschijnlijk een grote rol. Tegelijk had Van Egmont meer dan alleen talent voor het schilderen. Hij beschikte ook over de nodige sociale vaardigheden. Hetzelfde herkennen we in de loopbanen van Govert Flinck en Ferdinand Bol die door Erna Kok worden geanalyseerd, en bij de literator Vondel (bijdrage Reinders en Blom): zij konden geen van allen vertrouwen op de ‘vrije markt’ voor hun ‘produkten’, maar moesten opdrachtgevers zien te paaien. Bij Bol en Van Egmont lijkt die toenadering zo ongeveer doel op zich te zijn geworden. Vos (bijdrage Geerdink) onttrok zich aan dat patroon en het is misschien ook daarom dat hij zich kon en wilde laten voorstaan op zijn ambachtelijke status als glazenmaker. Maar juist wat betreft het belang van talent en de afhankelijkheid van patronage waren de kunsten uiteraard een nogal ongewone bedrijfstak.

Helaas is er geen systematisch onderzoek beschikbaar over loopbanen tijdens de zeventiende eeuw. Het weinige dat we hierover weten suggereert dat beroepsmobiliteit eerder uitzondering was dan regel. Van de Leidse weeskinderen die in het eerste kwart van de zeventiende eeuw werden tewerkgesteld in de plaatselijke textielindustrie, stroomde slechts een van de vijf jongens door naar een positie als wever. De rest bleef allerlei ongeschoold werk doen. Meisjes leerden meestal spinnen, maar daar bleef het ook bij. De meeste spinnende weesmeisjes werkten jaren achtereen voor dezelfde baas.[27] Ook aan de bovenkant van de arbeidsmarkt was er minder beweging dan je op grond van de algemene economische dynamiek zou verwachten. Uit een prachtig onderzoek van Peter van Rooden naar de arbeidsmarkt voor predikanten kwam naar voren dat die, ondanks de grote variatie aan standplaatsen en traktementen, doorgaans toch zeer langdurig in dezelfde gemeente werkzaam bleven. Een groot aanbod van jonge, goedkope proponenten, alsmede de kosten en formele belemmeringen die een transfer met zich meebrachten, spanden allemaal samen om de dominees op hun plaats te houden.[28]

Conclusie

Zo worden we op het laatst dus nog met een raadsel geconfronteerd: een ongekend dynamische economie produceerde betrekkelijk weinig beroepsmobiliteit. Waarom dat zo was, valt op dit moment moeilijk te verklaren. Er is over dit onderwerp op dit moment te weinig bekend, voorbij het type individuele studies dat het merendeel van de inhoud van dit themanummer vormt. Maar we kunnen het voorgaande wel systematiseren tot een viertal algemene observaties.

  1. Stad versus platteland: het is een open deur dat de carrièremogelijkheden in de stad groter zijn en waren dan op het platteland. Het scala aan beroepen is in de stad domweg veel groter. Voor de zeventiende eeuw betekende dat – althans in de Noordelijke Nederlanden – bij implicatie dat het aantal carrière-opties flink toenam, gewoon omdat er in deze periode veel meer stad kwam. Tussen ruwweg 1580 en 1650 groeide het aantal stedelingen in Holland met een factor 2,5. Ook in Zeeland en Friesland groeiden de steden fors, maar niet veel meer dan de algehele bevolkingsgroei. In de andere gewesten daalde zelfs het aantal stedelingen. Door het gewicht van Holland in de totale bevolking van de Republiek bleef er desalniettemin een fors positief saldo over voor de steden. Carrièremogelijkheden namen derhalve navenant toe, maar voornamelijk in het Westen. Geen wonder dus dat de migratiestromen uit binnen- en buitenland zich daarheen richtten.

  2. Hoog versus laag: veel nieuwe banen in de stedelijke economie waren van het tijdelijke, ongeschoolde en slecht betalende soort. Instapbanen dus voor migranten. Vergeten we daarbij niet dat, hoe bescheiden ook, dit voor velen toch een soort van carrièrestap was. Zo weten we dat veel Noorse boerderijjongeren naar de Republiek kwamen om hier als matroos of aan de wal aan de slag te gaan. Ook dat is een loopbaan! Maar inderdaad, eentje met een tamelijk laag stijgingspercentage. Het heeft er alle schijn van dat er vooral in de bovenste helft van de arbeidsmarkt meer echte carrièrekansen ontstonden. De gereformeerde kerk zocht bijvoorbeeld personeel, de overheid breidde flink uit, handelsondernemingen sloegen hun vleugels uit – denk aan de mogelijkheden die de VOC bood aan ontspoorde jongens uit de betere milieus.

  3. Man versus vrouw: hoe pakte dit uit voor mannen en vrouwen? Het is ontegenzeglijk een feit dat ook vrouwen konden profiteren van de nieuwe kansen, zelfs al nam ook voor hen het aantal arbeidsplaatsen in de eerste plaats toe aan de onderkant van de arbeidsmarkt: dienstbode, spinster, en meer van dat soort banen. Dat was bepaald niet groots, maar we moeten er ook niet te lichtvaardig over denken. In andere culturen werden meisjes op hun vijftiende uitgehuwelijkt; in Europa begonnen ze op die leeftijd hun eigen geld te verdienen. Niemand zou het bestaan van een zeventiende-eeuwse dienstbode willen verheerlijken, maar nieuwe banen voor jonge vrouwen betekenden toch even zovele kansen op een stukje zelfstandigheid.[29]

  4. Begin versus einde van de eeuw: veel van die positieve ontwikkelingen waren samengebald in de eerste helft van de eeuw, een handvol decennia van ongekende dynamiek op economisch en sociaal gebied. Het lijkt erop dat in de tweede helft van de eeuw verstarringsverschijnselen ontstonden op de arbeidsmarkt, waardoor de kansen toen nog minder voor het oprapen lagen.

Notes
1

Ik verlaat mij op J.C. Brown, M.H.D. van Leeuwen en D. Mitch, ‘The history of the modern career. An introduction’, in: D. Mitch, J. Brown en M.H.D. van Leeuwen (red.), Origins of the Modern career, Aldershot 2004, p. 3-41.

2

Dit is vrij naar de Dictionary of Sociology uit 1998 geciteerd uit ibidem, p. 6.

3

Ibidem, p. 9-13.

4

J.J. de Jong, Met goed fatsoen: de elite in een Hollandse stad – Gouda, 1700-1780, Amsterdam, Dieren 1985, p. 40-44; L. Kooijmans, Onder regenten: de elite in een Hollandse stad – Hoorn, 1700-1780, Amsterdam, Dieren 1985, p. 34-37; M. Prak, Gezeten burgers: de elite in een Hollandse stad – Leiden, 1700-1780, Amsterdam, Dieren 1985, p. 43-47.

5

J. de Vries en A. van der Woude, The first modern economy: Success, failure, and perseverance of the Dutch economy, 1500-1815, Cambridge 1997.

6

W. Frijhoff, Wegen van Evert Willemsz.: een Hollands weeskind op zoek naar zichzelf, 1607-1647, Nijmegen 1995.

7

H. Verbeeck, Memoriaal ofte mijn levensraijsinghe, uitgegeven door Jeroen Blaak, Egodocumenten, deel 16, Hilversum 1999; ook M. Prak, ‘Velerlei soort van volk: sociale verhoudingen in Amsterdam in de zeventiende eeuw’, in: Jaarboek Amstelodamum91 (1999), p. 29-54, spec. p. 36-41.

8

B. van Bavel, ‘The transition in the Low Countries: Wage labour as an indicator of the rise of capitalism in the countryside, 1300-1700’, in: C. Dyer, P. Coss en C. Wickham (red.), Rodney Hilton’s Middle Ages: An exploration of historical themes Past & Present supplement 2, Oxford 2007, p. 286-303, spec. p. 299-300.

9

J. Lucassen, ‘Beschouwingen over seizoengebonden trekarbeid naar het westen van Nederland, ca. 1600-ca. 1800’, in: Tijdschrift voor sociale geschiedenis8 (1982), p. 327-358.

10

H.A. Enno van Gelder, De levensbeschouwing van Pieter Corneliszoon Hooft, burgemeester van Amsterdam 1547-1626, Utrecht 1982 (oorspr. 1918), p. 12; vergelijk ook Prak, ‘Velerlei soort van volk’, p. 33-36.

11

A. Poelwijk, ‘In dienste van het suyckerbacken’: De Amsterdamse suikernijverheid en haar ondernemers, 1580-1630, Hilversum 2003, hoofdstuk 3 en 6.

12

De Vries en Van der Woude, First modern economy (n. 5), p. 633-634; K. Davids, The rise and decline of Dutch technological leadership: Technology, economy and culture in the Netherlands, 1350-1800, 2 dln, Leiden 2008, p. 182-185.

13

E. Kuijpers, Migrantenstad: Immigratie en sociale verhoudingen in 17e-eeuws Amsterdam, Hilversum 2005, hoofdstuk 6.

14

A. Knotter en J.L. van Zanden, ‘Immigratie en arbeidsmarkt in Amsterdam in de 17e eeuw’, in: Tijdschrift voor sociale geschiedenis13 (1987), p. 403-31.

15

C. Trompetter, ‘De migratie van Twente naar Amsterdam in de zeventiende en achttiende eeuw: Ontwikkelingen en lokale verschillen’, in: Tijdschrift voor sociale geschiedenis21 (1995), p. 145-65.

16

De Vries en Van der Woude, First modern economy (n. 5), p. 646.

17

Over de gilden in de Lage Landen is de laatste jaren veel gepubliceerd; voor een samenvatting zie M. Prak, C. Lis, J. Lucassen, H. Soly (red.), Craft guilds in the early modern Low Countries: Work, power, and representation, Aldershot 2005.

18

Dit is vooral betoogd door S.R. Epstein, ‘Craft guilds, apprenticeship and technological change in pre-industrial Europe’, in: Journal of Economic History53 (1998), p. 684-713, herdrukt in S.R. Epstein en M. Prak (red.), Guilds, innovation and the European economy, 1400-1800, Cambridge 2008, p. 52-80. Zie over beroepsopleidingen verder B. De Munck, S.L. Kaplan en H. Soly (red.), Learning on the shop floor: Historical perspectives on apprenticeship, New York, Oxford 2007.

19

Over de opleiding in gildenverband, B. Panhuysen, Maatwerk: Kleermakers, naaisters, oudkleerkopers en de gilden (1500-1800), Amsterdam 2000, p. 137-42; L.H. Remmerswaal, Een duurzame alliantie: Gilden en regenten in Zeeland, 1600-1800 Werken uitgegeven door het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, deel 16, Middelburg 2009, p. 93-99; N. Slokker, Ruggengraat van de stad: De betekenis van gilden in Utrecht, 1528-1818, Amsterdam 2010, p. 78-82, 93-97, 111-19.

20

E. van Nederveen Meerkerk, De draad in eigen handen: Vrouwen en loonarbeid in de Nederlandse textielnijverheid, 1581-1810, Amsterdam 2007, p. 268.

21

G. Groenhuis, De predikanten: De sociale positie van de gereformeerde predikanten in de Republiek der Verenigde Nederlanden voor ± 1700, Groningen 1977, p. 163-170.

22

P.J. van Winter, Hoger beroepsonderwijs avant-la-lettre: Bemoeiingen met de vorming van landmeters en ingenieurs bij de Nederlandse universiteiten van de 17e en 18e eeuw, Amsterdam 1988.

23

C.A. Davids, ‘Ondernemers in kennis: het zeevaartkundig onderwijs in de Republiek gedurende de zeventiende eeuw’, in: De Zeventiende Eeuw7 (1991), p. 37-48, spec. p. 43.

24

J. de Kruif, Liefhebbers en gewoontelezers: Leescultuur in Den Haag in de achttiende eeuw, Zutphen 1999, p. 242-255.

25

A. Golahny, Rembrandt’s reading: The artist’s bookshelf of Ancient poetry and history, Amsterdam 2003, p. 77-78.

26

E. van de Wetering, Rembrandt: Zoektocht van een genie, Zwolle 2006.

27

Van Nederveen Meerkerk, Draad in eigen handen (n. 20), p. 270-271.

28

P. van Rooden, ‘Van geestelijke stand naar beroepsgroep: De professionalisering van de Nederlandse predikant, 1625-1874’, in: Tijdschrift voor sociale geschiedenis17 (1991), p. 361-93, spec. p. 375-81.

29

Redenering ontleend aan T. De Moor en J.L. van Zanden, Vrouwen en de geboorte van het kapitalisme in West-Europa, Amsterdam 2006.



Creative Commons License
This work is licensed under a Creative Commons Attribution 3.0 License.

Support our journal

eISSN 2212-7402 - print ISSN: 0921-142x