Dit omvangrijke overzicht van het Neolatijnse toneel, van de veertiende eeuw tot het midden van de zeventiende eeuw, vertrekt vanuit Italië (Jean-Frédéric Chevalier) en schetst chronologisch de expansie van het Neolatijnse toneel in Duitsland (Cora Dietl), Frankrijk (Mathieu Ferrand), Engeland (Howard B. Norland) Spanje en Portugal (Joaquín Pascual Barea). Het Neolatijnse toneel begint in 1315 in Italië met Mussato’s Ecerinn. De eerste Italiaanse drama’s en vele voornamelijk West-Europese stukken worden in elf hoofdstukken behandeld met aandacht voor de inhoud, de opvoering en de context waarin ze zijn ontstaan en opgevoerd. Hoewel het Latijn een internationale taal is, zijn er toch vaak grote verschillen in de evolutie per land en ook de periodisering varieert in elk van de landen. Jan Bloemendal focust in de Nederlanden vooral op individuele auteurs. Er is ook aandacht voor de invloed van de Nederlanden op Spanje en Scandinavië. Het hoofdstuk over Centraal- en Oost-Europa houdt Bloemendal vrij beknopt ondanks de niet onbelangrijke Neolatijnse literatuur in Polen en Hongarije. Aangezien in Scandinavië (Raija Sarasti-Wilenius) weinig stukken zijn geschreven, biedt het boek voornamelijk een overzicht van het West-Europese Neolatijnse toneel.

Vanaf de jaren zestig van de zestiende eeuw krijgt het jezuïetentheater in vrijwel elk land een zeer groot aandeel in het Latijnse schooltoneel. In Spanje bestaat het Neolatijnse toneel volgens Barea zelfs voornamelijk uit jezuïetentoneel. Fidel Rädle (Duitstalige gebieden) en Chevalier (Frankrijk) bekijken de genres, de invloed van het wereldlijke toneel, de spektakelelementen, interludia en balletten afgewisseld met casussen zoals bijvoorbeeld het jezuïetentoneel in Fulda. Ook in de Zuidelijke Nederlanden spelen de jezuïeten een belangrijke rol. Andere ordes die toneel produceerden, zoals de augustijnen, komen niet aan bod.

Na elk hoofdstuk volgt een appendix met een alfabetische lijst van de belangrijkste auteurs met korte biografische informatie, een overzicht van hun belangrijkste werken en secundaire literatuur. Dit geeft het boek de allure van een naslagwerk en daarom valt het te betreuren dat niet alle namen in de appendices zijn opgenomen. Het boek sluit af met een uitvoerige lijst van secundaire literatuur en indexen op namen, anonieme stukken en een vrij heterogene lijst van onderwerpen. Hoewel niet alle landen evenveel aandacht krijgen, hebben de redacteuren met dit boek op zijn minst een standaardwerk voor het West-Europese Neolatijnse toneel samengesteld.