Dit achtste deel in de Architectura Moderna reeks kan in zekere zin beschouwd worden als opvolger en pendant van Unity and Discontinuity (2007), eveneens onder redactie van Konrad Ottenheym en Krista De Jonge. Hierin stond de relatie en uitwisseling van architecturale ideeën tussen de Zuidelijke- en Noordelijke Nederlanden centraal. In de huidige publicatie wordt dit geografisch perspectief geopend en ligt de nadruk op de beïnvloeding, assimilatie en migratie van architectuur uit de Nederlanden door Europa. De nadruk ligt hierbij minder op stijl, maar eerder op de achterliggende mechanismen die de verspreiding van architecturaal gedachtengoed mogelijk maken, zoals de circulatie van gedrukte traktaten, de rol van opdrachtgevers en hun dynastiek connecties, migratie van architecten en beeldhouwers en de export van bouwmaterialen. Het boek is ingedeeld in vijf delen. Het inleidende hoofdstuk bevat naast een status quaestionis van het onderzoek ook een beknopt overzicht van de architectuurgeschiedenis van de Nederlanden en een overzichtelijke historiografie, als houvast en insteek voor lezers die minder vertrouwd zijn met het onderwerp.

In deel twee staat de rol van patronagenetwerken en individuele relaties tussen migrerende kunstenaars centraal. Konrad Ottenheyms behandelt in zijn artikel de verschillende verspreidingsmechanismen van architecten, zoals de rol van buitenlands mecenaat, familienetwerken, reizende kooplieden die optraden als opdrachtgevers, migratie zonder specifieke uitnodiging en het opsturen van bouwplannen en modellen. Hiermee wordt de basis gelegd voor de volgende hoofdstukken die dieper inzoomen op de materie. Matt Kavaler behandelt de diaspora van beeldhouwers in Europa tijdens de tweede helft van de zestiende eeuw, waarbij de nadruk op ligt op Centraal-Europa en de Baltische staten. Ottenheym vergelijkt in zijn tweede artikel in dit deel de internationale stilistische invloeden van Cornelis Floris en Hendrik de Keyser met elkaar. Centraal hierin staat de communicatie tussen het oorspronkelijke atelier en de werkplaats in het buitenland. Hugo Johannsen bespreekt de immigratie van de familie Steenwinckel en hun opdrachten in Denemarken. Jacek Tylicki en Franciszek Skibinski leggen beiden de nadruk op Polen en Centraal-Europa met respectievelijk een overzicht van de opdrachten van Mechelse familie Van den Blocke en een onderzoek naar de invloed van Nederlandse beeldhouwateliers in Gdansk in de zestiende- en zeventiende eeuw. Vervolgens verschuift de geografische focus naar het Iberische schiereiland met een artikel van Bernardo J. Garcia Garcia. Daarin belicht hij de architecturale kruisbestuiving tussen Habsburgs Spanje en de Nederlanden aan de hand van de grotendeels ongepubliceerde correspondentie van Infanta Isabella Clara Eugenia met de hertog van Lerma, Phillip III van Spanje en aartshertog Albrecht. Gabri van Tussenbroek ten slotte, verduidelijkt de rol van Amsterdam als internationale handelshaven in steen, baksteen en hout als gevolg van de verspreiding van populaire Nederlandse modellen in Scandinavië, Centraal-Europa en de Baltische staten.

Naast de fysieke migratie van architecten en bouwmaterialen, speelt ook de circulatie van papieren architectuur in de vorm van traktaten, instructies en architectuurtekeningen een belangrijke rol in de verspreiding van de beeldtaal van architectuur uit de Nederlanden. Deel drie gaat van start met twee algemene hoofdstukken. Ottenheym biedt een overzicht van buitenlandse architecten in de Nederlanden en de rol van architectuurprenten en –traktaten in het buitenland met nadruk op de zeventiende eeuw en vervolgens analyseerd De Jonge de rol van architectuurmodellen van het Habsburgs hof in de Nederlanden op de hofarchitectuur in Spanje, Duitsland en Denemarken. Daarna volgen zes casestudies over de circulatie van architectuurmodellen. Birgitte Bøggild Johannsen schrijft over de vroege receptie van Nederlandse architectuurmodellen in Denemarken aan het hof van Christian II. Heiner Borggrefe bespreekt invloeden van architecten en beeldhouwers uit de Nederlanden op de Weser renaissance, met nadruk op de rol van hertog Erich II van Braunschweig-Calenberg. Ojārs Spārītis legt de focus op de invloed van beeldhouwer-architect Joris Jorissen Frese uit Bremen bij de introductie van renaissancearchitectuur in Letland en Estland. De migratiemechanismen via papieren architectuurmodellen (bv. traktaten van Hans Vredeman de Vries of losse gravures naar Maarten van Heemskerk of Frans Floris) in Engeland worden besproken in de bijdrage van Anthony Wells-Cole. Gabri van Tussenbroek bespreekt in zijn bijdrage de verspreiding en invloed van het laat zeventiende-eeuws Classicisme in Berlijn en Brandenburg tijdens de wederopbouw na de Dertigjarige Oorlog. Ottenheyms afsluitend hoofdstuk behandelt de receptie van Nederlands Classicistische architectuurmodellen, geïnspireerd op Palladio en Scamozzi, in Noord- en Centraal-Europa tijden de tweede helft van de zeventiende eeuw aan de hand van voorbeelden van reizende kunstenaars en de verspreiding van traktaten en prenten.

Het vierde deel bevat bijdragen waar de focus specifiek ligt op de verspreiding en beïnvloeding van militaire architectuur en ingenieurs uit de Nederlanden. De positie van de Nederlanden als voortdurend strijdtoneel van Europese oorlogsvoering heeft geleid tot een diepgaande expertise op het vlak van militaire bouwkunde. De bijdrage van Pieter Martens en Ottenheym behandelt de toepassing van deze opgebouwde kennis in vroegmodern Europa. Nauw verbonden met militaire ingenieurskunde, wordt hier ook aandacht gegeven aan de expertise-export van hydraulische ingenieurs. In verlengde hiervan staat de bijdrage van Piet Lombaerde die export van stedenbouwkundige modellen uit de Nederlanden in Denemarken, Schleswig-Holstein en Noord-Duitsland onderzoekt. Hierin onderscheidt hij twee fazen: tussen 1565 en 1585 kwamen emigrerende ingenieurs hoofdzakelijk uit de Zuidelijke Nederlanden, waarbij de focus lag op een beperkt aantal stadsuitbreidingen en bastionbouw. Na 1590 nam de omvang en het aantal opdrachten aanzienlijk toe. Nils Ahlberg gaat met een overzicht van de stadsplanning in Zweden tussen 1521 en 1721 dieper in op het de invloed van Nederlandse stedenbouwkundige expertise.

Het boek sluit af met een epiloog van Dirk van de Vijver waarin hij de verdere evolutie van verspreiding en invloed van architectuurmodellen uit de Nederlanden tijdens de achttiende eeuw overschouwt. De auteur spreekt van een verschuiving waarbij de interesse in Nederlandse architectuur minder gebaseerd was op een specifieke stijl, maar eerder op een technische know-how. Het epiloog wordt gevolgd door de bondige maar accurate conclusies van de twee redacteurs waarbij de verschillende mechanismen voor emigratie van architecturale modellen uit de Nederlanden verder worden geanalyseerd.

Dit achtste deel in de Architectura Moderna-reeks biedt een uitstekende stand van zaken van het huidige wetenschappelijk onderzoek naar de export van ‘Nederlandse’ architectuur in de rest van Europa. Zoals uitvoerig aangehaald in de introductie, beogen de redacteurs niet om een volledig beeld te geven van de Nederlandse architecturale invloed in Europa. Aan de hand van de talloze casestudies en ongepubliceerd bronnenmateriaal ontstaat er caleidoscopisch beeld van de verschillende mechanismen die aan de grondslag liggen van dit fenomeen. Ondanks de heterogeniteit van de verschillende invalshoeken van de betrokken auteurs, blijft er een coherent beeld overeind van de verscheidenheid aan migratiefactoren van architectuurmodellen. De auteurs zijn zich bovendien goed bewust van de traditionele methodologische valstrikken die dergelijk onderzoek rond beïnvloeding met zich meebrengt en een verraderlijk begrip als stijl is slechts aanwezig in de marge van het bredere verhaal. Centraal staan de internationale netwerken tussen kunstenaars en opdrachtgevers, de rol van traktaten als visuele bron, technische expertise van architecten en beeldhouwers, en verspreiding van bouwmaterialen. De bijdragen in The Low Countries at the Crossroads blazen een nieuwe wind in de behandeling van dit onderwerp en is essentiële literatuur over de rol van de Nederlandse architectuur in Europa in de Vroegmoderne tijd.