Het lijkt de droom van zowat elke cultuurhistoricus: een bron vinden waarmee je het leven van mensen uit een ver verleden van naaldje tot draadje kan reconstrueren. Waarmee je hun dagelijkse zorgen en beslommeringen kan herbeleven en waarmee je de maat kan nemen van hun onbehagen en verdriet, maar ook hun vreugde, passie en andere emoties kan voelen. Kortom, een bron waarmee je de historische actoren als het ware op de huid zit. Bovendien wil je als cultuurhistoricus natuurlijk niet alleen de ervaringen van steenrijke kooplui, regenten, notarissen, predikanten en ambachtsmeesters onderzoeken, maar zou je ook doodgraag een bron vinden die het ‘kopergeld van de gouden eeuw’ in beeld brengt: de matrozen op de VOC- en WIC-schepen, de scheepsjongens, zeemansvrouwen en andere leden uit de onderbuik van de samenleving. Judith Brouwer had het zeldzame geluk om zo’n bron te vinden en er haar proefschrift over te schrijven. In de archieven van de High Court of Admirality (in Kew) dook ze in talloze dozen met – ogenschijnlijk banale – brieven die door de Engelse admiraliteit waren buit gemaakt. Natuurlijk was de bron al langer bekend als de Sailing Letters, een bestand van meer dan 38.000 brieven uit drie eeuwen Nederlandse geschiedenis die door Roelof van Gelder geïnventariseerd werden. Het bijzondere is echter dat Brouwer inzoomt op één belangrijk momentum uit dat vaderlandse verleden, namelijk 1672. Hoe ervoeren Nederlanders het beruchte rampjaar, toen de Republiek zowel ter land als ter zee werd aangevallen? Op welke manier boden ze het hoofd aan onheilspellende berichten, aan de toenemende armoede en schaarste, aan epidemieën en hongersnood? Waar haalden ze hun informatie over de militaire campagnes vandaan?

Dat soort spannende vragen ligt aan Levenstekens ten grondslag. Het bronnencorpus oogt bij nader inzien wel eerder bescheiden. Uit het rampjaar bleven immers nauwelijks 195 brieven bewaard, die zelden meer dan enkele folio’s beslaan en bovendien niet de hele periode dekken. Dat is het resultaat van hun herkomst. De brieven werden toevallig buit gemaakt, toen het Wapen van Hoorn (op weg naar Batavia) en de Morgenstar (op weg naar Curaçao) door de Engelse admiraliteit gekaapt werden. Doormiddel van een lange inleiding maakt Brouwer echter duidelijk dan ze zich bewust is van die onvolkomenheden en er – zoveel als mogelijk – rekening mee heeft gehouden. Uit de opbouw van het boek blijkt wel dat Brouwer een omnivoor is. Letterlijk elk stukje of snippertje informatie dat in de brieven opduikt, is het onderzoeken waard. Dat leidt ertoe dat Brouwer in haar eerste hoofdstukken – Briefcultuur en Zenders & Ontvangers – een beetje van haar oorspronkelijke vraagstelling afdrijft. Eerst wordt de praktijk van het briefschrijven omstandig onder de loep genomen. Waar haalden Nederlanders hun papier en inkt? Wanneer en waar schreef men brieven? Waren voorbeeldbrieven (uit brievenboeken) richtinggevend of hield men zich eerder aan ongeschreven regels? Welke formuleringen blijken cliché? Waarvoor dienden de marges in een brief? In welke taal werd er geschreven (Nederlands of toch maar Zeeuwse tussentaal zonder ‘h’)? Dat soort vragen werkt vooral als Brouwer haar materiaal laat spreken – de zeemansvrouw die in moeizaam gotisch schrift haar briefje neerpent – maar is wat minder overtuigend als de bestaande literatuur het spagaat moet vullen bij gebrek aan bronnen. Het levert niet meteen spetterende nieuwe inzichten op.

Eigenlijk fungeert Briefcultuur als een noodzakelijk opmaatje tot de latere, meer indringende hoofdstukken. Mutatis Mutandis geldt dat evenzeer voor Zenders & Ontvangers, waarin Brouwer een uiterst gedetailleerd groepsportret schetst van de briefschrijvers en geadresseerden. Dat levert welwiswaar een bont allegaartje aan zeemansvrouwen, predikanten, kooplieden, schippers, bootsmannen, ziekentroosters en VOC-bestuurders op: echt verrassen of beklijven, doet het niet. Dat de zenders in Amsterdam vooral in de Jordaan en de Haarlemmerbuurt huisden, breekt ook al geen potten. Nochtans weet Brouwer dat portret te verlevendigen met een aantal boeiende trouvailles. Uit de brieven blijkt bijvoorbeeld dat het clichébeeld van zeelui als ongehuwde armoezaaiers op betekenisvolle punten kan bijgesteld worden. Brouwer ontdekte immers dat het leeuwendeel van de maats die de pen voerden gehuwd was en bovendien vaak met een Amsterdams meisje het bed deelden. Een mooie vondst, al moet men de mogelijke vertekening van de bronnen in het oog houden. Na Briefcultuur en Zenders & Ontvangers, krijgt het boek in Berichten over oorlog en oorlogsberichten pas echt de wind in de zeilen. Brouwer laveert haar lezer met krachtige hand langs enkele hoogtepunten – of beter dieptepunten – uit het rampjaar. Uit Levenstekens blijkt klaar en duidelijk dat de briefschrijvers uitstekend op de hoogte waren van de opeenvolgende malheuren die de Republiek troffen en daar ook omstandig over rapporteerden in hun brieven. De voorbereidingen van de oorlog, de schermutselingen op zee, het oversteken van de Rijn, de zaak de Witt en Bommen Berend kregen opvallend veel inkt en papier toegewezen. Brouwer laat in een puntgave en bijzonder creatieve analyse zien hoe de taal, stijl en inhoud van de brieven beïnvloed werd door kranten, nieuwsprenten, pamfletten en tal van andere media, maar vooral sterk gepolijst werd door mondelinge overlevering. Dat nieuwsjes en geruchten vaak sneller reisden dan de Oprechte Haerlemsche Courant is eerder een leuk weetje, maar de vaststelling, dat het politiek en militaire nieuws niet alleen de elite en de middenklasse, maar ook het ‘grauw’ beroerde, zowel mannen én vrouwen slapeloze nachten bezorgde en zelfs kinderen bezig hield, is zonder meer baanbrekend.

In het laatste hoofdstuk Over leven en overleven gooit Brouwer het roer nog één keer om en entameert ze een stukje historische antropologie. Met een noodzakelijke methodologische slag om de arm, peilt ze naar (on)versneden emoties in de brieven. Hoewel de gevoelens van gemis en liefde vaak opvallend levendig verwoord worden – de tijd duert soo lan[g], ick leet so menijgen uer slaep om u, mijn alderliefste – legt Brouwer mooi de vinger op conventies en taboes. Bijzonder aangrijpend zijn de passages over kinderen, waarin zeemansvrouwen ongeremd praten over de eerste stapjes en woordjes van hun oogappel, en waaruit eens te meer mag blijken dat Ariès, Stone en Shorter de plank mis sloegen. Brouwers brieven leveren immers nogmaals het bewijs dat de liefde van ouders voor hun kinderen geen laat achttiende-eeuwse inventie was, maar ook al in de Gouden Eeuw hoogtij vierde. Magistraal is ook het beeld van de Nederlandse zeemansvrouwen, die verstoken van hun man moedig het hoofd boden aan de toenemende armoede en andere miserie van het rampjaar, veroorzaakt door het oorlogsgeweld, de stilvallende handel en de strenge winter. Brouwer fileert met chirurgische precisie de overlevingsstrategieën: maandbrieven (een voorafje op het loon van hun zeeman), bijklussen (tappen, naaien, wassen), handel drijven in exotische waar, hulp vragen bij buren en familieleden. Dat beeld van relatief vrije en pro-actieve vrouwen is ons natuurlijk ook al uit andere bronnen bekend, maar vindt in de gekaapte brieven bevestiging.

Levenstekens is per saldo geen boek van de forse stellingen en boude beweringen. Doormiddel van een bekwame analyse van de brieven brengt Brouwer eerder kleine – maar erg betekenisvolle – kanttekeningen aan in onze kennis over het rampjaar en het dagelijkse leven in de Gouden Eeuw. Bovendien is het aangenaam lezen, dankzij Brouwers beeldende schrijfstijl en de goedgekozen illustraties. Kortom, het boek is een absolute aanrader voor alle liefhebbers van cultuurgeschiedenis. Het doet je dromen! En dat verdient alle lof.