De Nederlandse provincies die in de tweede helft van de zestiende eeuw in opstand waren gekomen tegen het Spaanse gezag en streefden naar onafhankelijkheid en erkenning als soevereine macht, zouden die pas verwerven met de Vrede van Münster (1648). Toch verschilt die tekst niet wezenlijk van de tekst die aan de basis lag van het Bestand dat overeengekomen werd op 9 april 1609 en zou duren tot 1621. De Vrede van Münster is eigenlijk een bevestiging van een de facto toestand. Het belang van het Bestand kan dan ook nauwelijks onderschat worden. Maar wat hield het precies in? Hoe moeten we de juridische bepalingen begrijpen? En hoe verschilt het dan van die fameuze Vrede van Münster? Het zijn slechts enkele vragen die aan bod komen in de boeiende collectie essays over het Bestand onder redactie van Randall Lesaffer. De grote meerwaarde van het boek is dat het detailstudies op een mooie manier weet te combineren met grotere overzichten die het Bestand in een ruimer perspectief plaatsen (zowel chronologisch als geografisch).

Hoewel beknopt, is de introductie tot de bepalingen van het Bestand zeer handig (Paul Brood). De bijdragen van Alicia Estríngana, Bram De Ridder en Violet Soen, en Alain Wijfels gaan alle in op de voorgeschiedenis van het Bestand en tonen hoe eerdere pogingen mislukten, wat de rol van de Akte van Afstand (1598) was, en hoe het Verdrag van Londen (1604) al verschillende bepalingen bevatte die vast onderdeel zouden worden van internationale vredesverdragen (waaronder het Bestand). Het tweede deel van de bundel bevat enkele uiteenlopende bijdragen onder de noemer ‘Truce and War’. Naast teksten over de militaire vernieuwingen in het Nederlandse leger (Olaf van Nimwegen) en de regelingen over de inning van taksen in grensgebieden (Tim Piceu), bevat dit tweede deel een uiterst interessante studie van Peter Borschberg waarin hij aantoont dat het Bestand een van de eerste Europese verdragen is die een tastbare impact hadden op ‘wereldschaal’. Hij focust daarbij in het bijzonder op de werkzaamheden van de voc en de rol van het koninkrijk Johor. De bijdragen uit het laatste deel gaan voornamelijk in op de juridische terminologie van het Bestand en verduidelijken hoe een bestand verschilt van een vredesverdrag. Dat laatste wordt uitgebreid besproken in de tekst van Randall Lesaffer, Erik-Jan Broers en Johanna Waelkens. Anderen gaan in op de theoretische en de facto betekenis van soevereiniteit (Beatrix Jacobs en Georges Martyn), de onschendbaarheid van diplomaten in de geschiedenis van het internationaal recht (Carlo Focarelli), bestands- en vredesverdragen als voorwaarden voor het voeren van een rechtvaardige oorlog (Bernd Klesmann), en de betekenis van het Bestand voor religieuze verdraagzaamheid in Spanje en de Nederlanden (Werner Thomas). Dit is een mooie bundel studies, waarvan ik de volgorde van de bijdragen misschien ietwat gewijzigd zou hebben.