Deze interessante bundel Engelstalige artikelen vormt het blijvend resultaat van een conferentie bij het Warburg Institute in Londen. Elf auteurs hebben zich gebogen over het begrip ‘observatie’ in de vroegmoderne tijd, en hebben dat geproblematiseerd in de context van een ander cruciaal thema in de wetenschapsgeschiedenis en de circulatie van kennis, te weten ‘communicatie’. Die aanpak heeft beslist zeer interessante en lezenswaardige artikelen opgeleverd, die ook nog eens mooi ingebed zijn in eerder verschenen literatuur.

In acht van de tien bijdragen, staat steeds één geleerde en zijn correspondentie centraal. Aan de orde komt onder meer de vroeg 16e-eeuwse rapportage over Amerika aan het Spaanse hof door de antropoloog avant-la-lettre Petrus Martyr de Angleria (1457–1526). Gerhard Hok laat zien dat de constructie van Angleria’s geloofwaardigheid een centraal thema in zijn correspondentie was. De verzamelde informatie werd namelijk ook ontleend aan de observaties van derden. Het secundair gebruik van informatie, naast ‘het zien met eigen ogen’, toont direct hoe lastig, maar ook hoe belangrijk, het begrip ‘observatie’ eigenlijk was. Dit probleem, naast de opbouw en de mate van betrouwbaarheid van een netwerk van informanten, komt ook aan de orde in de bijdrage van Florike Egmond over Carolus Clusius (1526–1609). Doordat in de briefwisseling van deze botanische geleerde soms ook zaden, gedroogde specimina of tekeningen werden meegestuurd, kreeg die materiële en visuele kant van het gecommuniceerde, ook door een verschil in context tussen verzender en ontvanger, soms een andere betekenis dan bij een in situ waarneming. Dit fenomeen is des te interessanter waar Clusius de ingekomen informatie direct in zijn boeken verwerkte. De transformatie van de verkregen waaier aan botanische inlichtingen van de bron tot aan de gedrukte ‘geleerde’ informatie kan daardoor rechtstreeks worden bestudeerd.

Zo komen in deze bundel meer schriftelijke rapportages aan de orde over ‘observaties’ aan materiële of andere niet-tekstuele bronnen (zoals munten, monumenten of instrumenten, maar ook ziektes of astronomische verschijnselen). In hun bijdragen over andere breed georiënteerde geleerden bespreken achtereenvolgens Candice Delisle de correspondentie van Conrad Gessner (1516–1565); Dirk van Miert die van Joseph Scaliger (1540–1609); Peter N. Miller de brieven van Nicolas-Claude Fabri de Peiresc (1580–1637); Elizabethanne Boran die van James Usher (1581–1656); Erik-Jan Bos en Theo Verbeek becommentariëren René Descartes (1596–1650) en tot slot behandelt Iordan Avramov Henry Oldenburg (1618–1677). Daarnaast zijn er ook de artikelen van William Stenhouse en Adam Mosely die zich niet toespitsen op een specifieke geleerde. Zij bespreken briefwisselingen tussen groepen geleerden (meer bepaald: antiquaren, respectievelijk astronomen). Al met al is deze door Dirk van Miert degelijk geredigeerde bundel een must voor een ieder die zich met het op zichzelf niet eenduidige begrip ‘observatie’ in dit tijdvak wil bezig houden.