In studies over handelsbetrekkingen tussen de Republiek en Azië voeren sociale en economische analyses de boventoon. Als gevolg hiervan is de culturele rol van de Vereenigde Oostindische Compagnie lang onderbelicht gebleven. Er is bovendien veel meer bekend over de import van goederen uit Azië en de daarmee samenhangende smaakverschuivingen, dan over de impact van Nederlandse (kunst)voorwerpen op Aziatische visuele en materiële cultuur. De nadruk in Mediating Netherlandish Art and Material Culture in Asia ligt dan ook nadrukkelijk op dit laatste thema. De dertien bijdragen worden ingeleid door Thomas DaCosta Kaufmann en Michael North en uitgeleid met een beschouwing over transculturele bemiddeling door Astrid Erll.

Samen brengen de auteurs de netwerken van distributie, bemiddeling, receptie en toe-eigening van Nederlandse visuele en materiële cultuur in Azië in kaart. Dat Nederlands-Aziatische culturele betrekkingen niet enkel succesverhalen zijn, blijkt uit de bijdragen van Gary Schwartz en Thomas DaCosta Kaufmann over Perzië en China. Productie en receptie van Nederlandse kunst in Azië was sterk afhankelijk van commerciële relaties (Michael North), maar diende ook als middel om zulke relaties op te bouwen en te onderhouden (Cynthia Viallée). Marten Jan Bok’s bijdrage toont aan dat een aanzienlijk aantal Nederlandse kunstenaars zich bij de VOC inscheepte om naar Azië af te reizen. In hoofdstukken over Perzië (Amy Landau) India (Ranabir Chakravarti) en Ceylon (Lodewijk Wagenaar) komt het belang van gebruiksvoorwerpen en prenten in de verspreiding en adaptatie van Nederlandse materiële cultuur naar voren. De bijdragen over de unieke positie van de Nederlanders in Japan behandelen de aanwezigheid van de VOC op Deshima (Matthi Forrer en Yorika Kobayashi-Sato), de opkomst van lineair perspectief (Forrer) en de lokale toe-eigening van Nederlandse schildertechnieken (Kobayashi-Sato). Ook de hoofdstukken over architectuur in Indonesië (Peter J.M. Nas) en grafmonumenten in Zuid India (Martin Krieger) laten zien hoe in deze gebieden hybride bouwvormen konden ontstaan.

Hoewel producten en processen van uitwisseling en bemiddeling sterk varieerden, afhankelijk van de lokale context waarin de VOC opereerde, komen DaCosta Kauffman en North toch tot een synthese. Vroegmoderne culturele uitwisseling tussen de Nederlanden en Azië wordt gekenmerkt door continue interactie en een polycentrische structuur, waarin de VOC fungeerde als belangrijke bemiddelaar, niet alleen tussen Europa en Azië, maar ook binnen Azië zelf. Om dit verschijnsel te kwalificeren breken de redacteuren een lans voor de term culturele bemiddeling (cultural mediation), een concept dat verder wordt uitgewerkt in de slotbijdrage van Astrid Erll.