In 2014 verscheen The First Knowledge Economy van Margaret Jacob, waarin zij de groei van ons ‘human capital’ aanwijst als motor achter het ontstaan van een kennissamenleving in Europa.1 Wie die cruciale ontwikkeling van menselijk kapitaal wil begrijpen, moet volgens Jacob onderzoek doen naar de productie en verspreiding van kennis in verschillende educatieve en sociale contexten. Volgens Jacob worden kennis en kennisoverdracht in het (vooral economisch-historische) onderzoek te vaak voorgesteld als een ‘socially disembodied and universally transferable’ gegeven: er is sprake van een ‘top-down opvatting van kennis’ waarbij ‘het fundamenteel dynamische karakter en de meervoudige contouren’ van de kennisproductie geheel buiten beeld blijven.2 Jacob plaatst ‘minds, books, school curricula’ en ‘human actors’ daarentegen in het centrum van het onderzoek naar de opkomst van de kennissamenleving in Europa.3 Het is immers via ‘bottom-up education, formal, informal, on the shop floor, in the home’ dat mensen zich kennis konden toe-eigenen en zo ‘human capital’ creëerden.4

Jacobs studie spitst zich toe op de periode 1750–1850, maar haar benadering is ook inspirerend voor wie zich bezighoudt met onderwijs en kennisoverdracht in de zeventiende-eeuwse Nederlanden. Vooral in de Noordelijke Nederlanden was al vanaf de Reformatie een sterk accent komen te liggen op leesonderwijs voor jongens en meisjes, omdat protestantse gelovigen zelfstandig de Bijbel moesten kunnen lezen. De zeventiende eeuw was bij uitstek een periode waarin nieuwe kennis ontstond en – mede dankzij een florerende drukpers – op grote schaal werd verspreid: denk aan natuurwetenschappelijke kennis en aan kennis over onbekende werelden, maar bijvoorbeeld ook aan praktische ‘know how’ of aan nieuwe theologische gezichtspunten. Veel van dat soort kennis was onontbeerlijk voor wie een maatschappelijke positie wilde bekleden, de zondagse preken wilde analyseren of wilde meepraten in de trekschuit, op het marktplein of op de beurs. Hoe konden nieuwe generaties kennis tot zich nemen en zo klaargestoomd worden om een actieve rol te vervullen in een zich snel ontwikkelende kennissamenleving? Die belangrijke vraag nodigt uit tot onderzoek naar onderwijs en vorming van jongeren, en meer specifiek naar de manieren waarop verschillende groepen jongeren zich bepaalde kennis en vaardigheden konden toe-eigenen in werkplaatsen en klaslokalen, maar ook in andere educatieve contexten. Dit themadossier, getiteld ‘Een gouden leertijd’, biedt hiertoe een eerste verkenning en aanzet tot verder onderzoek.

In 2014 verschenen buiten The First Knowledge Economy van Margaret Jacob ook in Nederland diverse studies waarin de thema’s onderwijs, kennisoverdracht en jeugd centraal stonden. Klaas van Berkel leverde een wezenlijke bijdrage aan de universiteitsgeschiedenis met het eerste deel van zijn Universiteit van het Noorden, dat verscheen ter ere van het vierhonderdjarig bestaan van de Rijkuniversiteit Groningen.5 Een heel ander soort boek uit hetzelfde jaar is Benjamin Roberts’ Seks, drugs en rock ‘n’ roll in de Gouden Eeuw, dat een rijk beeld schetst van de wijze waarop de in de Nederlandse Republiek ruim vertegenwoordigde populatie van jongemannen een eigen jongerencultuur creëerde en daardoor als groep steeds zichtbaarder werd.6 In De Zeventiende Eeuw verscheen in 2014 ook een bijdrage van Els Stronks over praktische ‘know how’ die jongeren konden verwerven via de informele route van de rijke liedcultuur.7

Deze greep uit in 2014 verschenen studies laat zien dat de thema’s onderwijs, kennisoverdracht en jeugd in de belangstelling van vroegmodernisten staan – maar ook dat zij op zo verschillende wijzen en vanuit zulke uiteenlopende invalshoeken worden benaderd dat van één af te bakenen discipline geen sprake is. Tot die constatering kwam eerder ook Eddy Put in zijn inleiding van de bundel Onderwijs en kennisoverdracht in de Nederlanden (1500–1800).8 Hij wijst erop dat de vroegmoderne onderwijsgeschiedenis zich in de afgelopen decennia verbreed heeft. De basis werd gelegd in de jaren zeventig van de vorige eeuw met het onderzoek naar onderwijs en kennisverwerving in verschillende typen scholen in de vroegmoderne tijd, wat resulteerde in de publicatie van belangrijke handboeken en algemene historische overzichten.9 Tegelijkertijd ontwikkelde de universiteitsgeschiedenis zich tot een volwaardige discipline.10 Inmiddels is de vroegmoderne onderwijsgeschiedenis in toenemende mate een multidisciplinair veld geworden, juist ook vanwege de onlosmakelijke vermenging met de sociale, culturele, religieuze en politieke geschiedenis, aldus Put.11

De artikelen in het themadossier ‘Een gouden leertijd’ illustreren die verbreding van het onderzoek. De breedheid blijkt allereerst uit het onderzoeksobject. Zo bevat dit themadossier artikelen die ingaan op de mediale contexten waarin het leren plaatsvond (Feike Dietz over literaire leerroutes om schrijfvaardigheid te trainen; Gwendoline De Mûelenaere over performatieve en multimediale kanten van het onderwijs) en op de toegankelijkheid van de leerprocessen voor specifieke sociale groepen (Carolina Lenarduzzi over de universiteitskeuze van katholieke jongeren). Niet alleen vormt dit themadossier een bijdrage aan het onderzoek naar de universiteitsgeschiedenis (artikelen van De Mûelenaere en Lenarduzzi),12 maar het haakt ook in op de recente ontwikkeling om leerprocessen buiten formele instituten te bestuderen, en daarbij met name aandacht te besteden aan de praktische vaardigheden die jongeren in de vingers moesten krijgen (artikel Dietz).13

De breedheid is behalve in de keuze van het onderzoeksobject ook zichtbaar in de onderzoeksvragen: de artikelen dragen bij aan geesteswetenschappelijke discussies die het specifieke veld van de onderwijsgeschiedenis te buiten gaan. Zo biedt de bijdrage van Lenarduzzi inzicht in de identiteitsvorming en belevingswereld van katholieken in de zeventiende-eeuwse Nederlanden: een onderzoeksthema dat in de sociale religiegeschiedenis momenteel hoog op de agenda staat.14 Door de afwegingen van katholieke studenten bij hun keuze voor een Noord-Nederlandse (protestantse) of Zuid-Nederlandse (katholieke) universiteit te analyseren, werpt Lenarduzzi licht op de pragmatische omgang van katholieken met hun religieuze identiteit. De Mûelenaere wijst op de rol van patronagerelaties in het universitaire onderwijs, en draagt zo bij aan het onderzoek naar het belang van patronage in de vroegmoderne tijd.15 Dietz, ten slotte, gebruikt mediawetenschappelijk onderzoek naar de betekenis van schrijfvaardigheid om een nieuwe bijdrage te leveren aan de studie van vroegmoderne geletterdheid.16

De gemeenschappelijke noemer in de hier opgenomen artikelen is de wijze waarop ze de lerende jongere benaderen: als een actief handelende en zelfbewuste actor in het leerproces. Zo richt het onderzoek van De Mûelenaere zich op de vaardige studenten aan Zuid-Nederlandse universiteiten die hun verworven kennis en kunde (zoals hun iconografische bagage en hun sociale competenties) vertaalden in rijk geïllustreerde theses waarmee ze zichzelf konden profileren en hun patronen openlijk konden prijzen. In het onderzoek van Lenarduzzi komen Noord-Nederlandse katholieke studenten naar voren als jongeren met eigen overwegingen en behoeftes, die autoriteiten durfden te trotseren door te gaan studeren aan een Zuid-Nederlandse universiteit (wat de Noord-Nederlandse overheid verbood) of juist aan een Noord-Nederlandse onderwijsinstelling (wat de katholieke kerk tegenhield). Lenarduzzi constateert dat veel van deze studenten weliswaar zwegen over hun afwegingen, maar betoogt dat die stilte ook blijk geeft van hun weloverwogen optreden: het leek vaak een strategische keuze om hun motivatie voor zich te houden en zo hun reputatie niet in gevaar te brengen. Het artikel van Dietz, ten slotte, gaat over de bijdrage van literatuur aan de vorming van actief handelende jongeren, die met hun geletterdheid in staat waren om eigen schrijfproducten tot stand te brengen.

Om de actieve leerders en leerpraktijken in beeld te krijgen, benutten de artikelen een rijke variëteit aan bronnen, die niet eerder in het onderzoek naar de vroegmoderne leertijd zijn betrokken, of daarin nog niet eerder vanuit deze perspectieven en vragen werden bestudeerd. De prachtig geïllustreerde theses uit het onderzoek van De Mûelenaere zijn nog nauwelijks bestudeerd en bieden nieuwe inzichten in de wijzen waarop studenten hun tijdens de studie opgedane kennis en vaardigheden publiekelijk demonstreerden om hun sociale positie te verstevigen. De liedjes, emblemen en romans uit het onderzoek van Dietz zijn weliswaar bekend materiaal, maar worden voor het eerst gelezen als ‘schrijfwijzers’ die geletterdheid verbeeldden en zo de jeugd stimuleerden zich te ontwikkelen tot schrijvende actoren. Lenarduzzi, ten slotte, betrekt een nieuw type bron in het onderzoek naar de universiteitskeuze van katholieke studenten: egodocumenten. In plaats van institutionele bronnen en theologische geschriften gebruikt zij brieven, memoires en autobiografisch dichtwerk om de afwegingen van de katholieke studenten te kunnen onderzoeken.

Het themadossier als geheel roept de vraag op of bepaalde kennis en/of kunde was toegesneden op een specifieke sociale of geografische subgroep, en in hoeverre de verworven inzichten te vertalen zijn naar andere sociale contexten of leeromgevingen. Maakten de Noord-Nederlandse katholieke studenten die kozen voor een Zuid-Nederlandse universiteit uit de bijdrage van Lenarduzzi ook het type geïllustreerde theses waarover De Mûelenaere schreef? We kennen visuele theses, collegedictaten en onderwijsmaterialen alleen uit een Zuid-Nederlandse context,17 maar raakten de beeldpraktijken via die Noord-Nederlandse studenten niet ook in de Republiek bekend? En welke hier beschreven kennis en kunde bereikten ook jonge vrouwen, die weliswaar geen toegang hadden tot de universiteiten maar wel tot de informele leerroutes die Dietz bespreekt?

De artikelen in dit themadossier laten kortom zien dat multidisciplinair onderzoek en de combinatie van verschillende typen bronnen ons nieuwe inzichten kunnen bieden in de wijze waarop jongeren zich in de zeventiende-eeuwse Nederlanden profileerden als zelfbewuste actoren. Tegelijkertijd nodigt dit themadossier uit tot nieuw onderzoek naar de verspreiding en ontwikkeling van verschillende typen kennis en kunde onder lerende jongeren uit en in uiteenlopende sociale, religieuze en geografische contexten, via zowel formele als informele leerscholen.