Simon Vuyk vertaalde twee redevoeringen van de remonstrantse ‘kerkvaders’ Jacobus Arminius (1559–1609) en Simon Episcopius (1583–1643) en voorzag ze van een uitstekende inleiding. De ene rede werd in 1606 uitgesproken door Arminius, de ander in 1618 door Episcopius. Beide redevoeringen gaan over de visie op de kerk. In beide redes staat de vraag centraal: hoe kan men de kerkelijke eenheid bewaren en hoe dient men om te gaan met theologische verschillen? In de context van de geschillen tussen katholieken en protestanten, tussen protestanten onderling en van de godsdienstoorlogen die daaruit voortvloeiden in de zestiende en zeventiende eeuw waren dit vragen van levensbelang.

Volgens Arminius is de beste manier om religieuze geschillen op te lossen het bijeenroepen van een synode, een kerkelijke vergadering van leken en geestelijken. Zij zullen in volledige vrijheid op zoek moeten gaan naar de waarheid met alleen de bijbel als richtsnoer, dus geen belijdenissen op tafel en geen dwang. Het bijzondere aan Arminius’ rede is dat hij van mening is dat de theologie een discussie zonder einde is. Wanneer er namelijk ondanks deze zoektocht naar waarheid tijdens een synode toch nog sprake blijft van onenigheid over leerstukken die niet de kern van het geloof raken, dan mag de synode niet met geweld de genomen besluiten opleggen.

Juist dit laatste gebeurde tijdens de synode van Dordrecht in 1618–1619. De remonstrantse opvattingen werden veroordeeld en kerkelijke eenheid werd bewerkstelligd door leerstellige eenheid af te dwingen. Simon Episcopius had in december 1618 nog wel geprobeerd de remonstrantse zaak voor de synode te bepleiten. Net als Arminius betoogt Episcopius in zijn redevoering dat er ruimte moet zijn voor theologische verschillen zolang die de fundamenten van het geloof niet aantasten. Men hoeft het niet in alles met elkaar eens te zijn. Volgens hem betreffen de twisten tussen remonstranten en contraremonstranten dan ook slechts de bijzaken.

De twee redevoeringen geven goed weer wat het ‘vrijzinnig protestantse’ antwoord was op de religieuze twisten van de zestiende en zeventiende eeuw, namelijk een voortdurende zoektocht naar de waarheid op basis van bijbelonderzoek en verdraagzaamheid wanneer men het op onderdelen niet eens is geworden. Daarmee deden Episcopius en Arminius wel concessies aan de (doctrinaire) eenheid. In het confessionele tijdperk, waarin kerk en overheid nauw met elkaar verbonden waren en belijdenisgeschriften een elementaire functie vervulden, bleek dat een brug te ver. De politiek-religieuze eenheid van de Republiek zou vanaf de synode van Dordrecht worden bepaald door belijdenisgeschriften, waaronder de artikelen tegen de remonstranten.