De voorloper van Google Translate luisterde naar de naam Calepino. De Italiaanse geleerde Ambrosius Calepinus vervaardigde in de zestiende eeuw een meertalig lexicon dat zo succesvol en gezaghebbend was dat vele soortgelijke woordenboeken, al waren ze gemaakt door andere auteurs, ook Calepino’s heetten. De ware Calepino bevatte de woordenschatten van de destijds belangrijkste talen in Europa. Je kon er naar hartenlust mee vertalen, bijvoorbeeld vanuit het Latijn naar het Italiaans, of vanuit het Spaans naar het Grieks, vanuit het Engels naar het Nederlands, of vanuit het Hebreeuws naar het Frans. Een grensoverschrijdend lexicon dus dat dan ook eeuwenlang in vrijwel geheel Europa gebruikt is.

Herinneringen aan het talenwonder Calepino bestaan er in vele gedaanten, zoals gedrukte portretten en olieverfschilderijen, of zoals de achttiende-eeuwse buste van Calepino, in zijn geboorteplaats Bergamo, in het oude klooster van Sant’ Agostino. Constantijn Huygens was daar in het voorjaar van 1620 en noteerde in zijn Franstalige reisjournaal: ‘A Bergamo se void le tombeau d’Ambrosius Calepinus, natif de ce lieu, au temple des Augustins.’ De notitie is met de nodige urgentie, in de marge, geschreven en wordt gevolgd door de opmerking: ‘mais je ne le sceus qu’apres.’ De teleurstelling is zelfs vier eeuwen later nog voelbaar. Alsof je een bezoek hebt gebracht aan de National Gallery in London en pas na thuiskomst hoort dat daar, ja daar, het portret ten voeten uit hangt van de veelzijdige Constantijn Huygens en zijn klerk.

Huygens was in Bergamo op doorreis naar Venetië. Nog geen week eerder had hij via de Splügenpas de Zwitserse Alpen achter zich gelaten door zich met doodsverachting van de ijshellingen omlaag te storten. Die koude wereld lag achter hem; nu opende zich een nieuw stuk van Europa, een paradijs waar hij eindelijk het Italiaans tevoorschijn kon halen, dat hij als student in Leiden en thuis in Den Haag zelfstandig had geleerd. Van het diplomatieke gezelschap waarmee hij reisde, beheerste geen andere Nederlander het Italiaans, zodat Huygens van grand tourist opklom tot tolk en secretaris in woord en geschrifte. In die waarde beleefde hij een van zijn finest hours in het Palazzo Ducale van Venetië, toen de Doge hem in het bijzijn van de Nederlandse gezant complimenteerde met zijn optreden en woordvoerderschap in het Italiaans: Questo è suo secretario, giovane discreto e savio. Het is best begrijpelijk dat deze taalvirtuoos die er veel eer mee inlegde om zijn talen perfect te beheersen en nergens als onbeholpen buitenlander voor de dag wilde komen, zijn teleurstelling niet verborgen heeft kunnen houden toen hij ontdekte dat hij de tombe van Calepino was misgelopen, van wie hij nota bene twee edities in zijn bibliotheek had.

Veeltaligheid staat centraal in de Huygens-studie die Christopher Joby in 2014 bij AUP uitgaf onder de titel The Multilingualism of Constantijn Huygens (1596–1687). Het is welbeschouwd een raadsel waarom er nooit eerder een dergelijke monografie geschreven is over de polyglot Huygens, want veeltaligheid is een prachtig en immer actueel Europees thema, dat zich in dit geval manifesteert bij een kosmopolitische Nederlander die in eigen land nog altijd wordt gerekend tot de vaandeldragers van de Gouden-Eeuwse cultuur. Maar misschien zit hem daar nu wel juist de kneep, dat Huygens hier te lande met name wordt bestudeerd om zijn Nederlandstalige erfgoed, en was er een non native Dutchman als Chris Joby voor nodig om juist dit aspect op waarde te schatten.

Wat leren we uit het boek? Ten eerste dat Constantijn Huygens ondanks zijn brede belangstelling en vele interesses toch eigenlijk wel het warmst wordt van talen. Dat geldt in eerste instantie voor het leren en gebruiken van de gezaghebbende talen in Europa, de Calepino-talen. Maar met minstens evenveel plezier verdiept hij zich in regionale varianten als het zangerige taaltje dat zijn Antwerpse moeder spreekt, of het rauwe Hollands dat in Amsterdam en hoger klinkt. Luister maar eens naar de dialecten in Trijntje Cornelis, of in Batava Tempe naar Huygens’ eigen Haags in de flirterige dialogen onder de linden van het Voorhout. Of hij zelf zo sprak betwijfel ik, maar ik weet zeker dat de gedistingeerde heer van stand met het grootste plezier zijn plaatsgenoten nadoet. Want naast taalvariatie op regionaal niveau, heeft Huygens ook een goed gehoor voor sociale taaldomeinen. Als hoveling kent hij maar al te goed het sociolect van zijn pedante soortgenoten: een taaltje van gebakken lucht gelardeerd met gallicismen. Of het sociolect van academici en medici, die zich hullen in Latijnse (onzin-)woorden.

Zoals Joby’s systematische inventariswerk laat zien, passeren al die taaldomeinen de revue in de gedichten en brieven van Huygens. En ik meen nog te kunnen toevoegen dat Huygens zich ook kostelijk vermaakt bij de ideolecten van de mensen om hem heen. Zo wijst hij met plezier zijn vriend dominee Johannes Vollenhoven op diens eigenaardig trage en eh nogal gewogen eh formuleringen: ‘Mijn vriendt-e Vollenhoven-e, ’tIs niet-e te gelooven-e, Dat ghy niet-e verstaet-e, Hoe vreemt-e dat het staet-e, Daer ghy so wel-e spreeckt-e Gods woordt-e, dat ghy spreeckt-e Met staerten-e veel woorden-e Die hollandt-e noijt hoorden-e.’ Net zo makkelijk imiteert hij Joost van den Vondel om diens dikke woorden en, in Huygens’ ogen, te vette poëzie. Of formuleert hij kunstige Latijnse Barlaeismen in zijn correspondentie met Barlaeus. Een van de opmerkelijkste voorbeelden is de imitatie van een adellijke reisgenoot met wie Huygens in zijn jeugd door Engeland had gereisd, het prototype van de Britse gentleman die in iedere zin een understatement gebruikt. ‘Terug aan de Theems’, zo brengt Huygens het afscheid tussen hen beiden in herinnering, ‘gingen wij ieder ons weegs, hij, zoals hij op zijn typerende manier kon zeggen, niet echt ongelukkig met mijn vriendschap.’ Het is grappig om het enige wat de man zegt, te herkennen als het persoonlijk taalgebruik van een upper class Brit, en het wordt nog gekker als je je realiseert dat Huygens dit ideolect nabootst in Latijnse hexameters: ‘Ad Thamesin reduces secessimus, ille mea non Maestus amicitia, ut prae se, de more, ferebat’ (Mijn leven 1,475–76). Nee, het kan niet anders of Huygens had een grote liefde voor talen in al hun verscheidenheid en variaties. Een ‘excellent ear’, zoals Joby vaststelt. Het lijkt me zeer de moeite waard om in een vervolgstudie dit wonderlijke vermogen te verbinden met Huygens’ oor voor de muziek.

Joby leert ons verder dat Huygens zijn aanleg en interesse voor taal niet voor zichzelf houdt, maar als een belangrijk aandachtspunt in de opvoeding overbrengt op zijn kinderen. Let bijvoorbeeld eens op de parallel met de derde zoon Lodewijk die er door zijn vader om wordt geprezen dat hij zich ‘voor iedereen in ieders taal een landgenoot toont.’ De lof betreft in dit geval het Frans en Engels, talen die Huygens zelf ook beheerste op het niveau van een moedertaalspreker. Maar markant is dat het hier ook het feit betreft dat Lodewijk van het Spaans een moedertaalspreker is. Want zover is Huygens zelf niet gekomen, omdat hij anders dan bij het Frans en Engels, zich nooit heeft kunnen onderdompelen in een Spaanstalige omgeving. Hij heeft Spaans geleerd uit de boeken en met hulp van de in Nederland wonende Sefardische jood Rachon, zoals blijkt uit de dagboekaantekening bij 12 juli 1629: ‘Rachon Judaeus Lusitanus Hispanicam lectionem meam inchoat.’ Zijn zoon Lodewijk begon zijn eerste Spaanse lessen dertig jaar later ook in Nederland (en ik heb het idee dat Huygens daar zelf bij betrokken was, aangezien zijn grote vertaalactiviteit ‘uyt Spaans ondicht’ precies met deze periode samenvalt). Maar de inmiddels getekende vrede tussen Nederland en Spanje stelde Lodewijk wel in de gelegenheid om af te reizen naar Madrid en zich op het Iberisch schiereiland zelf de taal tot in de finesses meester te maken. Voor Huygens was dat beproefde leerplan alleen mogelijk geweest voor het Engels en het Italiaans. (Frankrijk betrad hij pas als zestiger voor het eerst, maar die taal werd door de vele Fransen en Walen hier te lande op native niveau onderwezen.)

De dynamiek der Europese verstandhoudingen en de invloed daarvan op de status, beheersing en waardering van de verschillende talen, komen in het boek af en toe al een beetje naar voren en verdienen het om mede op basis van Joby’s rijke materiaal en observaties systematisch geanalyseerd te worden al was het maar om de huidige talendiscussies in Brussel en in het Nederlandse onderwijs te verrijken. Huygens gebruikte bijna tachtig jaar lang diverse talen in diverse domeinen, maar statisch is dat spectrum allerminst. In Huygens’ correspondentie is er een graduele verschuiving van het Latijn weg. Ook in zijn poëzie is dat het geval. Zijn eerste verzamelbundel, de Otia, is een bewuste proeve van meertaligheid (vario sermone, vermeldt de ondertitel), terwijl zijn latere verzamelaars ofwel Nederlandstalig zijn (Korenbloemen) ofwel exclusief in het Latijn (Momenta Desultoria). In de eerste druk van de Otia verloopt de ordening van talen van Latijn (boek 1), naar Frans en Italiaans (boek 2) naar Nederlands (boek 3 en verder). Latere drukken vertonen een herschikking. En wat moeten we denken van zijn keiharde oordeel over het gebruik van Latijn als een collectieve dwaling: ‘Alsof een wijze alleen maar wijs kan zijn bij de gratie van het Latijn. Die plaag woekert maar voort en laat de jeugd zonder pardon kreunen en zuchten onder haar zware last.’ Wat is er gebeurd dat iemand gedurende zijn hele leven de heilige status van het Latijn erkent, en die uiteindelijk, als 82-jarige, in zijn autobiografie zo hartgrondig verkettert als een publicus error. En waarom doet hij zo’n uitspraak in perfect Latijn?

Een laatste boeiende aandachtsveld van Joby’s studie naar Huygens’ meertaligheid is het fenomeen van de vertalingen, iets wat in de literatuurgeschiedenissen categorisch als secundair of minder nog is weggezet. Maar wacht eens, bestaan er dichters die geen vertalingen maken? Niet dat we van de hand van deze Calepino-Huygens een Vergilius, Tacitus of Sophocles in Nederlands gewaad mogen verwachten, of een Lope de Vega voor het Nederlandse toneel, of een Hofwijck in het Frans. Huygens is immers geen full time literator als Vondel, geen studiosus als P.C. Hooft; hij heeft daar als secretaris van de Prins te weinig tijd voor en is er bovendien het type dichter niet naar. Hij is een intellectuele, explosieve schepper die uit een ander literatuurgebied af en toe een passage vertaalt (zoals een stukje over Laocoon uit Aeneis 2), een aantal losse epigrammatische inventies of zegwijzen bewerkt (de Floresta Espagnol) of een reeks van gedichten omzet in Nederlandstalige verzen (John Donne). Dat werk gaat als bij iedere vertaler ook bij Huygens gepaard met de nodige bescheidenheidstopiek in de zin van ‘bastaarden’ en ‘scheve schaduwen’, maar het lijdt geen twijfel of ook hierbij laat Huygens zijn vuistregel opgaan dat het buitenlandse origineel geen flater mag slaan in de nieuwe taalomgeving. Bij voorkeur geen letterlijke weergave van de brontaal, maar de mogelijkheden van de doeltaal dichterlijk benutten.

Zelfs zijn eigen werk gebruikt hij voor zulke vertaalexercities. Dat geschiedt in het kleinste geval naar één enkele doeltaal, bijvoorbeeld een epigrammetje van het Latijn naar het Nederlands, of van een Frans sonnet naar een Latijns elegisch distichon. In extremis vertaalt hij een gedicht evenwel met speels gemak naar alle Calepino-talen. Maar zelfs op het subtieler niveau van verzen of versdelen maakt hij vertalingen uit het eigen oeuvre. Dat komt nogal eens voor wanneer een inventie opnieuw wordt uitgewerkt in een andere taalomgeving. Neem het intrigerende plafond van de Haagse Ridderzaal waar naar men zegt nooit een spinrag zou hechten aan het oude Ierse eikenhout. Voor het eerst werkt Huygens het motief uit in dit Latijnse versfragment uit Haga Vocalis: ‘Quod grave compactis, quos nescit aranea, tignis Audaci nixum fornice durat opus.’ Voor de vertaling daarvan in Stemmen van Den Haag konden de vertalers bij Huygens zelf te rade, want de Nederlandstalige variant van het motief is te vinden in het gedicht Hofwijck, waar de Ridderzaal figureert als het ‘hoogh gebouw van balcken ,verr’ gebrocht, Dat geen vervuyling kent van Spinnewebs gedrocht.’ De ene keer beter verstopt dan de andere keer, zijn de self translations een feest voor de lezer in het meertalige oeuvre van deze Haagse Calepino. Telkens als je er eentje ontdekt, ervaar je het plezier dat Huygens heeft gehad bij het maken. En realiseer je je eens te meer waarom talenkennis, ook van het Latijn, zo waardevol is.