Op grond van het eclatante succes dat de historie- en landschapskunstenaar Cornelis van Poelenburch tijdens zijn leven genoot, zijn grote invloed op collega’s en natuurlijk vanwege de hoge kwaliteit van zijn werk zou hij deel uit moeten maken van de canon van de Nederlandse kunst. Dat doet hij niet meer en zijn exquise werkjes zoekt men tevergeefs in de eregalerij van het Rijksmuseum. Sluijter-Seijfferts voorbeeldige monografie zal hopelijk bijdragen aan een kentering in de hedendaagse appreciatie.

Het beeld van de Nederlandse zeventiende-eeuwse kunst wordt nog steeds grotendeels bepaald door een canon die in de negentiende eeuw is ontstaan en vooral door toedoen van buitenlandse scribenten. Sinds de jaren vijftig van de twintigste eeuw is gepoogd belangrijke maar verguisde Nederlandse schilderscholen weer op de kaart te krijgen, zoals de maniëristen, italianisanten, caravaggisten, classicisten, fijnschilders en de meesters uit de nabloei van de Gouden Eeuw. Een van de kunsthistorici die in dit kader meermalen zijn nek heeft uitgestoken is Albert Blankert. Met zijn baanbrekende tentoonstelling in 1965 over de italianiserende landschapskunstenaars in het Centraal Museum in Utrecht en de daarbij gepubliceerde catalogus heeft hij het pad geëffend voor Nicolette Sluijter-Seijfferts studie over de italianisant Poelenburch. Deze zag eerst in 1984 het licht als proefschrift maar is zelfs antiquarisch niet meer verkrijgbaar en, mede door deze nieuwe studie, bovendien inmiddels achterhaald.

De nieuwe monografie lost de belofte van het proefschrift in en is een klassieke kunstenaarsmonografie met het leven, het werk en een analyse daarvan als de drie belangrijkste vaste peilers. Sluijter-Seijfferts visie op de kunstenaar blijkt uit de rode draad die zij heeft uitgezet en die door praktisch het hele boek te volgen is: Poelenburchs eigentijdse succes. Sluijter-Seijffert belicht dit aspect vanuit uiteenlopende perspectieven.

Het eigenlijke boek begint al in het voorwoord, want dat bevat buiten de gebruikelijke plichtplegingen ook inhoudelijke verantwoordingen met betrekking tot de indeling van het boek en de catalogue raisonné. Die zouden beter op hun plek zijn in één of zelfs in twee aparte inleidingen; één voor het boek als geheel en één speciaal bij de catalogus. Het boek begint met een hoofdstuk over Poelenburchs waardering door de eeuwen heen, aangevuld met een blik op de historiografie en de huidige stand van onderzoek. Dan volgt het eveneens chronologisch opgebouwde hoofdstuk over Poelenburchs leven. Ook hierin komen waardering en succes weer aan bod, bijvoorbeeld in een paragraaf over opdrachtgevers. Het derde hoofdstuk gaat vervolgens dieper in op het eigentijdse succes van Poelenburchs werk, in het bijzonder op zijn deels vorstelijke en internationale clientèle, maar ook op zijn succes op de vrije markt. Het vierde hoofdstuk, waarin Sluijter-Seijffert de belangrijkste innovaties in de landschapskunst te Rome en in verschillende Noord-Nederlandse steden beschrijft, reikt de lezer een context aan waarmee hij het laatste hoofdstuk beter kan begrijpen, waarin de auteur Poelenburchs werk analyseert. De epiloog is een handige samenvatting.

Een waardevolle dimensie vormt het in bijlagen ondergebrachte apparaat van verschillende typen bronnen. Zo geeft Appendix I schriftelijke en gedrukte bronnen met betrekking tot de kunstenaar, grofweg onder te verdelen in archiefbronnen over zijn leven en vroege evaluaties van zijn werk in de kunstliteratuur tot 1745. Aangezien dit twee nogal verschillende soorten bronnen zijn en ze elk uit verschillende perioden stammen had het de helderheid gediend als ze ook ieder hun eigen bijlage hadden gekregen. Bovendien blijken bepaalde interessante bronnen niet opgenomen. Zo haalt Sluijter-Seijffert in haar eerste hoofdstuk opmerkelijke en scherpe observaties over Poelenburchs werk aan, gemaakt door de kunstenaar en schrijver Jean-Baptiste Descamps (1714–1791) in diens eerste deel van zijn belangrijke La Vie des Peintres Flamands, Allemands et Hollandois, maar ontbreekt Descamps tekst in de bijlage.

Andere aparte bijlagen hadden misschien juist wel beter in één appendix ondergebracht kunnen worden. Dat geldt voor Appendices II en III, respectievelijk een lijst van vermeldingen van werken van Poelenburch in de inventarissen van de stadhouders en hun directe familie, en de inventaris van Poelenburchs meest fanatieke patroon, Baron Willem Vincent van Wyttenhorst. Appendix IV, een catalogus van werken van Poelenburch die we kennen uit vermeldingen tot 1750, en V, opnieuw een catalogus, ditmaal van werken die Poelenburch schilderde in samenwerking met diverse collega’s, hadden beter als aparte secties in de oeuvrecatalogus ondergebracht kunnen worden.

Wie zich verder wil verdiepen in Poelenburchs geschilderde nalatenschap, kan terecht in hoofdstuk 5 en in de oeuvrecatalogus. Bijzonder prettig aan beide is dat zij rijk geïllustreerd zijn. De afbeeldingen zijn doorgaans groot genoeg afgedrukt en veel is in kleur. Iets gladder papier had de gereproduceerde schilderijen beter doen uitkomen. Ze zijn nu eigenlijk te donker en details komen niet zo goed tot hun recht.

Een groot deel van het boek wordt in beslag genomen door de catalogus van nog bewaarde of althans uit betrouwbare fotografische reproducties bekende schilderijen. Idealiter is zo’n catalogus chronologisch opgebouwd zodat de gebruiker de ontwikkeling van de kunstenaar al doorbladerend kan volgen. Sluijter-Seijfferts catalogus is echter naar onderwerp gerangschikt, beginnend met landschappen met religieuze staffage, dan die met mythologische figuren, vervolgens landschappen met thema’s ontleend aan de klassieke geschiedenis en de literatuur, landschappen met nimfen, de ‘pure’ landschappen en tenslotte de portretten en een kleine restcategorie. Waarom zij deze aanpak gekozen heeft, maakt zij duidelijk in haar voorwoord en nog eens in de korte inleidende paragraaf van hoofdstuk 5. Poelenburch dateerde zijn werken maar zelden en er is nauwelijks een stilistische ontwikkeling in waar te nemen. Sluijter-Seijffert heeft zijn chronologie hierdoor maar zeer ten dele kunnen reconstrueren. Voor zijn werk tot 1625 heeft zij een manmoedige poging gedaan maar het latere werk bespreekt zij noodgedwongen in thematische volgorde.

Een ander obstakel bij de bestudering van Poelenburchs oeuvre is dat zijn vroege werken nogal lastig te onderscheiden zijn van die van Bartholomeus Breenbergh en dat bij werk uit zijn latere carrière begaafde leerlingen en navolgers hun leermeester en inspirator zo dicht benaderen dat dezelfde moeilijkheid zich voordoet. Het is daarom te verwonderen dat in de catalogus een sectie met onzekere toeschrijvingen en twijfelachtige werken alsmede een sectie afgeschreven werken ontbreekt. Het was nu juist in het licht van de toeschrijvingsproblematiek interessant geweest om een selectie van de meest moeilijke en daarmee interessante gevallen van afgeschreven werken als apart onderdeel aan de catalogus toe te voegen. Dit had een discussie op gang kunnen brengen en zou de lezers hebben gestimuleerd zelf een oordeel te vormen. Verder is de catalogus een toonbeeld van acribie.

Het boek is doorzoekbaar dankzij twee indexen, één op namen van personen en titels van kunstwerken en één op locatie van nog bewaarde schilderijen van Poelenburch. Sluijter-Seijffert is er in deze monografie goed in geslaagd een samenhangend en evenwichtig beeld te geven van het leven, de klantenkring en de productie van de belangrijkste italianisant van de eerste generatie. Er zijn talrijke deelaspecten van Poelenburchs werk die ooit nog eens nader onder de loep gelegd zouden moeten worden. Zo zou het belangrijk zijn meer te weten te komen over Poelenburchs werkplaatspraktijk. Een nauwkeurige vergelijking van het tekeningenoeuvre met het corpus aan schilderijen zou in dit opzicht al tot nieuwe inzichten kunnen leiden. Dat Poelenburgh chronologie niet gereconstrueerd kon worden is onbevredigend. Zo weten we niet of bepaalde typen landschappen of bepaalde onderwerpen samenhangen met bepaalde fasen van zijn loopbaan. Dendrochronologisch onderzoek naar de werken op paneel zal globale dateringen op kunnen leveren en deze kunnen dan als referentie dienen bij nieuwe pogingen om alsnog tot een chronologie te komen. Het verrichten van technisch onderzoek is een logistiek ingrijpende en kostbare aangelegenheid, maar een belangrijk desideratum om meer te weten te komen over Poelenburchs werkwijze. Intussen is met dit boek voor al dat toekomstig onderzoek een solide basis gelegd en Cornelis van Poelenburch heeft nu ook het voetstuk terug dat hem in de loop van de negentiende eeuw werd ontnomen maar dat hij wel degelijk verdient.