De rust op het Nederlandse platteland moet in de zeventiende eeuw veelvuldig zijn verstoord door hamergeklop en gezaag. De adel en stedelijke burgerij investeerden namelijk het met oorlog voeren en handel drijven verdiende goud massaal in een aangenaam toevluchtsoord, ver van de drukke steden. Dat de Republiek veel buitenplaatsen kende en dat die in de Gouden Eeuw in snel tempo werden opgetrokken, is bekend uit eerder onderzoek. Deze bundel voegt aan het bestaande onderzoek een belangwekkend nieuw perspectief toe: hij biedt een overzicht per gewest, zodat niet alleen de usual suspects – vooral het gewest Holland en de andere kustgewesten dus – maar ook de andere, minder rijke gewesten aan de orde komen.

Het doel van de bundel is volgens de samenstellers het geven van een aanzet tot het verkennen van de rijkdom van het buitenleven in de hele Republiek. Die gekozen opzet is aanleiding geweest tot een per provincie geordend boek. Alleen Drenthe en Groningen moeten het samen met één hoofdstuk doen. Noord- en Zuid-Holland worden ook tezamen in één hoofdstuk behandeld, maar daar staat dan weer tegenover dat Amsterdam een eigen hoofdstuk heeft, wat volstrekt begrijpelijk is gezien de enorme invloed van de elite van de koopstad aan het IJ op het buitenplaatslandschap in Holland en Utrecht. De hoofdstukken worden voorafgegaan door een historiografische inleiding van de hand van Yme Kuiper.

Veel hoofdstukken hebben het karakter van een inventarisatie, hoewel elke schrijver uiteraard zo zijn voorkeuren heeft en eigen accenten legt. Martin van den Broeke besteedt bijvoorbeeld veel aandacht aan het samengaan van otium en negotium op Zeeuwse buitenplaatsen: men ging er niet alleen in de zomer ontspannen, maar het moest ook wel wat opleveren, dus er was ook vaak een landbouwbedrijf aan verbonden. Gerdy Verschuure-Stuip kijkt in haar bijdrage hoe de buitenplaatsen in Holland zich verhielden tot hun omgeving. Rob van der Laarse plaatst in zijn hoofdstuk over de Amsterdamse buitenplaatsen de ontwikkelingen nadrukkelijk in het kader van de nauw verholen rivaliteit tussen de stadhouders en de stad. Hij kijkt naar dynastieke competitie tussen enerzijds de adel en de Oranjes en anderzijds grootburgerlijke geslachten als Bicker en De Graeff, die hun buitenplaatsen gebruikten om zich te manifesteren als nauwelijks onderdoend voor de traditionele aristocratie. De verkoop van de buitenplaats Soestdijk aan Willem III ziet Van der Laarse in het licht van de gebeurtenissen van 1672 als een revanche van de prins op de in het Eerste Stadhouderloze Tijdperk zo machtige De Graeffs. Een interessante gedachte.