Dit laatste nummer van De Zeventiende Eeuw ‘oude stijl’ opent met een themadossier dat voortvloeit uit het jaarcongres 2015 van de Werkgroep. Dit congres, getiteld ‘Uit de Europese mal. Europese hypes in de Nederlanden’, handelde over processen van navolging en toe-eigening van Europese fenomenen door en in de vroegmoderne Nederlanden, en andersom. Ronny Spaans bijt het spits af in dit themadossier met zijn onderzoek naar de literaire representatie van exotica in de poëzie van de Amsterdamse drogist Jan Six van Chandelier (1620-1695). Hij analyseert de verschillende lagen in Six’ ironisch getinte lofdichten op Filips IV en zijn bruid Mariana. Niet alleen de Spaanse Contrareformatorische pracht en praal, maar ook de hype rond exocita in de Republiek, en Six’ eigen rol als drogist daarin, waren onderwerp van zijn ironie.

De bijdragen van Thijs Weststeijn en Trude Dijkstra en van Elmer Kolfin verleggen de grenzen naar hypes van buiten Europa. Weststeijn en Dijkstra zoomen in op de Nederlandse ontmoeting met Confucius. Zij tonen aan hoe de ‘Confucian moment’ in de zeventiende eeuw een multiconfessioneel, Europees project was met implicaties voor en vertakkingen naar allerlei intellectuele terreinen. Kolfin richt zijn blik op een derde continent en traceert in zijn artikel de ontwikkelingen in de afbeelding van zwarte Afrikanen op Europese landkaarten en in reisboeken. Aan de hand van de landkaarten van Joan Blaue, verklaart hij waarom zwarte Afrikanen pas vanaf begin zeventiende eeuw met hun donkere huidskleur werden afgebeeld.

Het tweede deel van dit nummer bestaat uit een drietal losse artikelen. Lara Yeager brengt de verbeelding van de zeventiende-eeuwse kunstliefhebber in de ‘konstkamer’ van de schilder in verband met een breder cultureel discours over connaisseurschap. Teresa Esposito herinterpreteert het portret van Peter Paul Rubens en zijn zoon Albert in de Hermitage in St. Petersburg. Zij beargumenteert waarom dit dubbelportret Rubens’ kennis van en affiniteit met filosofische ideeën uit de antieke oudheid belichaamt. Marika Keblusek, tot slot, legt door een analyse van het niet gepubliceerde en onderbelichte toneelstuk Acteonisation du Grand Veneur d’Hollande de interne en externe dynamiek van het Haagse hofleven bloot. Zij stelt zowel de onderlinge rivaliteit tussen de verschillende hoven als de botsing met de Nederlandse burgers aan de orde.

Zoals gebruikelijk sluit dit nummer af met enkele recensies en signalementen.