‘Niets betreur ik meer dan dat de ongelukkige jeugd door zo vele en grote grammaticale folteringen gepijnigd wordt. Het is juist de taak van de betere leraar om slechts gezonde kost voor te zetten’ (p. 170). Aan het woord is Reinerus Neuhusius (1608–1679), op dat moment de 26-jarige rector van de Latijnse school in Harlingen. Neuhusius richt zich per brief tot de adellijke grietman Tjalling van Eysinga, die zijn zoon naar Neuhusius’ school had gestuurd, maar ontevreden bleek over de voortgang. De jonge rector overtuigt Van Eysinga van zijn kunde door zijn moderne didactische aanpak uitvoerig aan te prijzen. Hij overlaadt leerlingen niet met ‘futiele en nutteloze voorschriften’, maar past zich flexibel aan hun niveau aan – hij verandert ‘als Proteus […] in alle mogelijke gedaanten’ – en streeft een activerende didactiek na: ‘Mijn leerlingen moeten niet alleen luisteren, maar ook aantekeningen maken met de pen’ (p. 170).

De brief van Neuhusius aan Van Eysinga maakt deel uit van de bloemlezing Geldzucht en godsvrucht, bezorgd door de classici Sybren Sybrandy en Piter van Tuinen. De uitgave bevat een selectie uit de Latijnse brieven die Neuhusius als rector in Harlingen en later Alkmaar publiceerde in vier nauwelijks bestudeerde brievenboeken (1639, 1651, 1662, 1678). Sybrandy en Van Tuinen vertaalden 28 van de bijna duizend brieven, die zij categoriseerden op basis van het type adressant. Behalve met Friese notabelen correspondeerde Neuhusius met ‘landelijke coryfeeën’ zoals Vossius en Cats, hoogleraren en familieleden. De editeurs voegden introducties en noten toe, en schreven een uitvoerige inleiding, met ook aandacht voor Neuhusius’ jeugdgedichten, oraties en tekstedities voor scholen.

Zoals de brief aan Van Eysinga laat zien, biedt de vertaalde correspondentie een waardevol inkijkje in zeventiende-eeuwse netwerken en onderwijsopvattingen. De discussies over didactiek ogen soms opvallend modern. Zo pleit Neuhusius ervoor om in alle scholen dezelfde methoden en regels te gebruiken, en klaagt hij over jeugdige overmoed: de jeugd denkt ten onrechte ‘dat ze al genoeg weet als ze het woord welsprekendheid slechts uit de verte ziet’, schrijft hij Barlaeus (p. 82).

Hoewel Neuhusius in zijn zelfgeschreven levensbericht beweert dat zijn publicaties louter ‘het nut van de jeugd’ beoogden, fungeerde zijn correspondentie evenzeer als sociaal instrument en uithangbord. Via zijn brieven kon Neuhusius banden met geleerden en notabelen aanhalen en vele Friese zonen naar zijn Alkmaarse kostschool trekken. Niet alleen vanuit bekommernis over de jeugd maar ook ter versteviging van zijn eigen reputatie maakte hij uitvoerig reclame voor zijn school en aanpak: hij presenteerde zich als de ‘Aristoteles’ die wist wat leerlingen nodig hadden (p. 174). Geldzucht en godsvrucht laat mooi zien hoezeer het verlangen naar goed onderwijs verstrengeld was met het streven naar aanzien en gewin.