De carrière van de Nederlandse auteur Joost van den Vondel is een uitdaging voor onderzoek naar career strategies.3 In zijn meer dan vijftigjarige schrijversloopbaan klimt Vondel in de dynamiek van de handelsstad Amsterdam op van onbekende en eenvoudige doopsgezinde immigrant zonder overgeërfde contacten tot een dichter van groot allure. Om het succes van Vondel te begrijpen is het noodzakelijk om bij de intrinsieke kwaliteit van zijn literaire productie ook de zakelijke kant van zijn artistieke ondernemerschap te betrekken. Vergilius biedt een interessante ingang om de carrièrestrategieën van Vondel bloot te leggen. Vondel heeft in de periode 1646-1660 twee complete Vergiliusvertalingen op de markt gebracht. De eerste in proza, opgedragen aan Constantijn Huygens en het Haagse hof, en later een in poëzie, opgedragen aan de Amsterdamse burgemeester Cornelis de Graeff. Een tussentijdse uitgave van 1655 betreft een voorpublicatie van de latere rijmversie, en is opgedragen aan de zoon van de burgemeester. Met hun inhoudelijke overeenkomst zijn deze drie publicaties interessant als een comparatieve casus voor de vraag hoe ze met name in de voorwerken functioneel gemaakt zijn voor de schrijverscarrière.

De prozavertaling uit 1646 stelt de onderzoeker van de carrièrestrategie van Vondel voor drie vragen: waarom geeft Vondel, inmiddels een gerenommeerd dichter, een vertaling in proza uit, waarom op dat moment en waarom opgedragen aan Constantijn Huygens (en tegelijk dus aan stadhouder Frederik Hendrik)? Het was in alle opzichten een atypische daad. De vertaling van een poëtisch werk behoorde zelf te steken in een poëtisch gewaad.4 Bovendien doet het voorwerk van de vertaling uitkomen dat Vondel allerminst zeker was over de kwaliteit van zijn werk. Daar komt nog bij dat op het moment van publiceren Vondels band met het hof niet bepaald innig was.

In de jaren dertig, een ruim decennium voor de Vergiliusvertaling, vindt er een accentverschuiving plaats in de relaties tussen Vondel en de twee grote machtscentra waartoe hij zich als dichter verhoudt, de stad Amsterdam en het Haagse hof. Zijn oriëntatie op de stadhouder vermindert: de lofzangen op diens overwinningen drogen op.5 Eén reden daarvoor is dat het hof zich weinig erkentelijk betoont voor Vondels productie. De directe aanval op Maurits in Palamedes (1625) had Vondels positie als dichter voor Oranje bemoeilijkt. Zo stelt Van Stipriaan: ‘Hoe driftig Vondel in deze jaren de succesvolle en verdraagzame Frederik Hendrik ook overlaadde met dichterlijke huldeblijken, de stadhouder keek wel uit dat hij Vondel ervoor zou belonen.’6

Het patronagebeleid van het hof vertoont overigens in deze jaren ook in algemene zin weinig enthousiasme voor literaire kunst in de volkstaal.7 Vondel krijgt voor zijn inspanningen niets terug, wat door Brandt, zijn contemporaine biograaf, op verongelijkte toon breed wordt uitgemeten:

In de jaaren, MDCXXVI, XXVII en XXVIII heeft hij zijn aanwassende vermaardtheit vermeert door zijn zinrijke en hooghdravende gedichten op Prins Willem van Nassau’s geboorte, op de Verovering van Grol, en op de komst des Prinsen van Oranje t’Amsterdam, tot slissing van eenige verschillen. In deeze dichten ging hy met grooten zwier van kunst breedt weiden in ’s Prinsen lof: zonder des weegen ooit de minste vereering van den Vorst t’ontfangen; anders zeer mildtdaadigh tegens de Poëten, wanneer ze zijne overwinningen met hunne dichten vereerden.8

Dat Vondel zich minder en minder identificeert met het bewind van de stadhouder heeft ook te maken met zijn onbeantwoorde oproep tot vrede.9 Als, uit naam van het hof, Constantijn Huygens verzoekt om een nieuwe lofzang op Frederik Hendriks krijgsverrichtingen, luidt Vondels afwijzing in de Vredewensch aen Constantyn Huigens (augustus 1633) dat deze hem niet moet aansporen om ‘de leeuw’ Frederik Hendrik op te hitsen. De grootst mogelijke overwinning is voor Vondel de vrede:

De vreê, een schat bij veelen onbekent,

Die overtreft triomfen sonder endt.

D’olyf behaegt my boven den laurier.

Wat is de krygh een woest verslindend dier!10

De vredeswens die Vondel publiekelijk aanvoert als de reden voor zijn stilzwijgen, is ook het thema in de lijkzang Op het overlyden van Isabella Klara Eugenia uit hetzelfde jaar. Vondel heeft voor de strijd geen juichend woord meer over. De krijgstrompet, de muziek waarop vroeger Frederik Hendrik zegevierend voortrukte, is nu de ‘dolle moordtrompet’ geworden.11

De vredeswens, en de verwijdering van Frederik Hendrik die deze teweegbracht, loopt gelijk op met Vondels toenemende reputatie en status in de stad Amsterdam. Waar de dichter zich afkeert van het beleid van de stadhouder, herkent hij zich juist steeds meer in de nieuwe gematigde regering aldaar die eind jaren twintig het contraremonstrantse bestuur heeft overgenomen. Met een aanzwellend geluid verkondigt zijn poëzie de lof van de ‘wijdvermaarde koopmanstad’ en zijn regeerders.12 De wederzijdse relatie tussen stad en dichter culmineert in de Gijsbreght van Aemstel (1637), gecomponeerd voor de opening van Amsterdams nieuwe theater, de Schouwburg. Dat stuk draagt Vondel op aan Hugo de Groot, naar eigen zeggen in de eerste plaats omdat die zijn leermeester is in tragicis, en ten tweede omdat de remonstrant De Groot door de coup van Maurits het lot van ballingschap met titelheld Gysbreght deelt. Als een publieke steunbetuiging aan zijn verbannen vriend laat Vondels keuze voor De Groot en de expliciete argumentatie daarvoor in de opdracht zien dat zijn voorkeur voor Oranje uit de beginperiode van Frederik Hendriks stadhouderschap is verschoven naar Amsterdam. Nu identificeert Vondel zich met de gematigde koers van zijn stad, en profileert hij zich als Amsterdammer.

Ook het stuk zelf werkt in functie van de nieuwe carrièrerichting. Het onderwerp is ontleend aan de geschiedenis van Amsterdam, en de artistieke inventie modelleert Vondel naar de Aeneis van Vergilius. Daar laat de poeta doctus geen twijfel over bestaan door op de titelpagina de beroemde woorden ‘Urbs antiqua ruit’ te citeren: het klassieke thema van de ondergang van Troje wordt verplaatst naar Amsterdam. De opening van de Schouwburg, met een publiek van optimistisch gestemde Amsterdammers, is de ideale gelegenheid om zijn vaardigheden en ambities tentoon te spreiden. In zijn opdracht zegt Vondel dan ook een stuk te willen presenteren dat ‘deze stad en burgerije moght behaegen’.13

Bij deze accentverschuiving komt nog het gegeven dat Vondel met zijn keuze voor het katholieke geloof nog meer sympathie verspeelt aan het hof. In 1645, vlak voor de publicatie van de Vergiliusvertaling in 1646, publiceert hij immers Altaergeheimenissen waarin hij beschrijft wat eucharistie voor hem betekent. Heel wat vrienden geven uiting aan hun onbegrip. Ook Huygens steekt zijn verontwaardiging niet onder stoelen of banken.

In een allerminst open verstandhouding neemt Vondel dan het initiatief om zijn eerste grote vertaling van Vergilius op te dragen aan Constantijn Huygens, als representant van de echte adressaat Frederik Hendrik. Omzichtig opent de opdracht met de woorden: ‘Ick neem de Vrijmoedigheyt om den Ridder, en in hem de rechte hand van zijn Hoogheit, wat outs en wat nieuws t’effens aen te bieden’ (afb. 1 en 2). Hoezeer het in de toenadering nog spitsroeden lopen is, blijkt uit Vondels correspondentie. Omstreeks 20 juli 1646 stuurt hij zijn vertaling aan Hooft toe met een begeleidend schrijven. Hij deelt mee dat hij de vertaling aan Huygens opdraagt, en hoopt dat het gebaar niet geweigerd wordt, noch ‘dat het zyn E. in zyn staet of ampt quetsen zal. Het is Maro, en geen kerckgeschil.’14 De correspondentie met Huygens zelf laat hetzelfde voorzichtige proces zien. In de brief die de vertaling begeleidt naar Den Haag, benadrukt Vondel dat deze publicatie onschuldige lijm is om de contacten weer aan te halen:

Ick hope het zal my niet qualyck of [af-] genomen worden, nochte uwe Ed. in zynen staet of ampt quetsen, alzoo hier geen zaken verhandelt worden, waerover men tegenwoordigh stryt voert, en Maro een iegelyck even na is. Ick hoop myn werck zal ten minste noch behaeghelyck vallen om den naem van den man zelf, die elck een behaeght.15

De publicatie zelf bevat een uitgebreid voorwerk, dat nadrukkelijk de betekenis van Vergilius – en daarmee indirect ook van deze eerste Nederlandse vertaling van diens volledige werk – naar voren brengt. Die betekenistoekenning is met name vastgelegd in de dedicatie en in de Vergilius-biografie die aan de vertaling vooraf gaat.16 De opdracht aan Huygens bevat een uitbundige lofprijzing van de Latijnse dichter en diens verheven status, zo hoog boven iedere andere dichter dat hij niet eens bij naam genoemd hoeft te worden. Dan komt het punt aan de orde waar het in de opdracht om gaat: de wijze van vertalen. Natuurlijk, zo erkent Vondel in een bescheidenheidstopos, heeft Vergilius bij de overzetting verloren: ‘Den Latijnen zal deze vertalinge min dan den Nederduitschen behagen, wanneerze zien, hoe de Fenix hier vry wat van zijne blinckende vederen gelaten hebbe’.17 Minder topisch, echter, is het punt dat het grootste verlies ten opzichte van het origineel volgens Vondel schuilt in de omzetting naar proza. De auteur zegt dit weliswaar te doen om zo dicht mogelijk bij het origineel te kunnen blijven, maar signaleert zelf ook de anomalie dat een dichter een dichtwerk vertaalt in proza. Dat maakt de vraag naar de werking van deze publicatie binnen Vondels carrière des te dringender.

De biografie van Vergilius, die Vondel na de opdracht presenteert, geeft verdere aanwijzingen. De tekst is hoofdzakelijk ontleend aan de Vita Vergilii van Donatus, in een zeer vrije bewerking. Vondels opening van het levensverhaal is relevant: hij belicht de reden waarom Vergilius destijds de Aeneis schreef voor Augustus, en wijst er in dat verband op dat het epos eigenlijk de Pax Romana bezong. De nieuwe vredestijd en het nieuwe imperium verdienden het dat

’s Vorsten eere en gezagh, oock het aenzien van ’t nieuwe Rijck en des zelfs voortreffelijckste en outste geslachten vermeert en bevestight werden, door eenigh heerlijck en uitstekende werck van Latijnsche Poëzye18

Vergilius was de kunstenaar die, om dit werk te realiseren, van de keizer een mecenaat ontving: hij werd ‘met verwondering ten hove opgenomen’.19 In aansluiting hierop zoomt de biografie in op de goede relatie tussen vorst en dichter. Vondel beschrijft dat Augustus

zulcks op Maro verslingerde, dat hy hem noit zijn verzoeck afsloegh, rijckelijck beschonck, gemeenzame20 brieven toeschreef, onder zijn gemeenzaemste vrienden rekende, en zich van zijnen raet, niet alleen in kunst en wetenschappen, maer oock in gewightige rijckszaken niet zonder vrucht diende21

In vergelijking tot de Vita Vergilii blijkt Vondel de vriendschap tussen Augustus en Vergilius meer betekenis te geven dan zijn bron. Donatus vermeldt namelijk beknopt, en zonder Vondels opsomming, dat Vergilius in de gunst van Augustus stond.22 Vondel versterkt het motief nog door in dit verband enkele betekenisvolle verzen van Hooft te citeren:

Was Maro niet gelijck

Een zuil van koper aen de puy van ’t maghtigh Rijck?

Geen Raetsheer, daer August wel veiligh op moght slapen?

Wiens wijsheit hem te sta quam meer dan menighs wapen.23

De accentuering in de biografie wijst op de pragmatiek van deze publicatie: ze is functioneel gemaakt als een prikkel tot mecenaat. Het beeld van Vergilius en diens Aeneis zoals het door Vondel wordt uitgelicht, brengt een voor de dichter wezenlijk onderdeel voor succes naar voren: dat grote kunst niet buiten het initiatief van de vorst kan. Het was immers Augustus die Vergilius ‘leide […] opden arbeit van Eneas den Trojaen.’24 En dat benadrukt Vondel nogmaals in de zin: ‘Aldus begost de zon der Latijnsche poëzye op Augustus wenck … ’.25

Met de patronagerelatie van Vergilius en Augustus als voorbeeld is het toch niet zo vreemd dat Vondel zijn vertaling richt tot het hof, en zeker niet in het jaar 1646. De biografie opent immers met het gegeven dat de Aeneis de nieuwe vredestijd bekroont, op het moment dat Octavianus Augustus in de zeeslag bij Actium (31 v. Chr.) de overwinning op Antonius heeft behaald en daarmee de ultieme triomf: na jaren van oorlogsvoering heerst nu vrede.26 Datzelfde politieke en militaire momentum kent de Nederlandse Republiek als Vondel zijn werk opdraagt. Na decennia van oorlog zijn de vredesonderhandelingen in Münster begonnen. Frederik Hendrik laat de krijgstrompet rusten en kiest een koers van vrede.27 Daarmee is voor Vondel de tijd aangebroken voor een hernieuwde relatie met Frederik Hendrik.

Het voorwerk van de publicatie bevat dus een patronagestrategie op basis van de impliciete parallel tussen Frederik Hendrik en Augustus als de vredesvorsten en Vondel en Vergilius als hun faammakers. Die pragmatiek is ook zichtbaar in de titelprent van de uitgave (afb. 3).28 Het bijbehorende gedicht Op de Tytelprint van Maroos Wercken legt het programma van de afbeelding uit:

’t Gebouw der Tytelprint wijst aen

Door beelden, die gehouwen staen

Uit marmersteen, al Maroos wercken;

Beknopt en kunstigh aen te mercken.29

Naar de Aeneis wordt verwezen door het beeld aan de rechterkant: de Heldenzanggodin, ofwel de muze van het epos. Voorzien van helm kondigt ze met trompetgeschal het begin van Aeneas’ zwerftochten en oorlogen aan:

Begint alree geluit te slaen,

En noopt Eneas fiere Zwaen,

 Wiens borst van yver voortgedreven,

Al bruisende door zee gaet streven, […]30

De zwaan op de titelprent begeeft zich richting de Tiber om daar de stad Troje weer op te bouwen. Hier zullen, zo gaat de uitleg op de titelprent verder, Romulus en Remus door de wolvin gezoogd worden, en daaruit zal uiteindelijk het roemrijke nageslacht van de Romeinse heersers voortkomen. In het bijzonder wordt verwezen naar keizer Octavianus Augustus. Met hem zal Rome na lange strijd en oorlogen als caput mundi eindelijk rust kennen:

Daer ’s weerelts Hooftstadt entlijck rust,

En afgeoorlooght, Godt AUGUST

Begroet, met d’onderbroghte scharen,

Die hem ten hemel op zien varen.31

De goddelijke status van Augustus wordt verbeeld in het bovenste deel van de titelprent. Terwijl de volkeren zich aan zijn gezag onderwerpen, is de keizer zelf gezeten op de adelaar, de vogel van Jupiter, die met de ziel van vergoddelijkte helden ten hemel stijgt. Tegelijk maakt de prent echter zichtbaar dat de vorst ook troont op de beeltenis van Vergilius. De dichter is centraal gepositioneerd, omdat zijn kunst het vehikel is tot vorstelijke faam. Zo tonen de titelprent en Vondels gedicht in historische zin wat Vergilius betekent voor de grootheid van Augustus, en in programmatische zin wat een dichter als Vondel kan betekenen voor een vorst als Frederik Hendrik: hij kan diens grootheid onsterfelijk maken.

Alles bij elkaar genomen heeft de atypische publicatie van Vondels vertaling van Vergilius in proza in het jaar 1646 aanzienlijke betekenis als carrière-instrument. Ten eerste voorziet de vertaling in een grote lacune op de markt: er is tot dan toe nog geen volledige Vergilius in het Nederlandse taalgebied aanwezig. (De vertaling komt dan ook tegelijk in kwarto- en zakformaat uit en kent veel herdrukken.) Ten tweede bevestigt dit werk Vondels imago als geleerde auteur, doordat het laat zien dat hij zijn klassieken beheerst, in het bijzonder het grootste epos uit de klassieke literatuur. Ten derde is de publicatie, nu de vrede nadert, een kandidaatstelling in een patronage-relatie met de vorst. Vondel toont zich bereid en van zins om een ‘Arma virumque’ te componeren over Frederik Hendrik en diens hoofdrol in de vestiging van de nieuwe Republiek.

Na de dood van Frederik Hendrik in 1647 en het korte stadhouderschap van Willem II is het landschap voor mecenaten compleet veranderd. Het hof speelt als machtsfactor en als patronage-instantie nauwelijks nog een rol. Tijdens het Stadhouderloze Tijdperk draagt Vondel zijn nieuwe Vergiliusvertaling, het tweede boek van Aeneis in poëzie, op aan Peter de Graeff (afb. 4 en 5). Hij is de oudste zoon van de machtige Amsterdamse burgemeester Cornelis de Graeff. Aan de pater familias zelf zal later de volledige vertaling in poëzie worden opgedragen.

Het voorwerk van de Ondergang van Troje bevat twee stukken waarin Vondel de publicatie functioneel maakt voor zijn career strategies: de opdracht in proza aan de jonge Peter en een uitvoerig gedicht van 148 alexandrijnen Aen den zelven Heer.32 De dedicatie thematiseert, net als die aan Huygens en Frederik Hendrik, het belang van dichters in relatie tot staatslieden. Maar in het geval van deze jonge adressaat onderscheidt Vondel voor de dichter een tweeledige functie (waar hij in de eerdere vertaling enkel diende om de vorst te verheerlijken). In de opdracht aan Peter de Graeff wordt de dichter vooreerst voorgesteld als een leermeester van mannen van staat. Vondel begint met het voorbeeld van keizer Nero (37-68) die, zolang zijn leermeester Seneca invloed op hem had, regeerde als een goed vorst (en zich daarna meer en meer deed kennen als een misdadiger). Hierna noemt hij Trajanus (53-117), die in politiek en moreel opzicht veel leerde van Plutarchus. Scipio Africanus jr. (185-129 v. Chr.) luisterde naar de beroemde Griekse geschiedschrijver Polybius, die hem vergezelde op zijn tocht naar Afrika. En Cicero (106-43) volgde lessen bij de Griekse filosoof Poseidonios:

De wijze Cicero bedanckte Possidoon,

Die hem den gouden styl en Burgemeesters toon,

Ten dienst van Rome, leerde aendachtigh overweegen,

Waerdoor hy sedert quam zoo hoogh in top gestegen.33

Poëzie en historische exempla worden in deze dedicatie aan De Graeff dus voorgesteld als leidraad en richtsnoer voor beginnende regenten om ‘hoogh in top’ te stijgen als grote bestuurders. Daarmee is het aangeboden kunstwerk functioneel gemaakt en op maat gesneden voor de zeventienjarige regentenzoon Peter de Graeff, en werpt Vondel zich op in die didactische functie. Vervolgens stelt de dichter de fama-functie centraal. Hier volgt de argumentatie dezelfde lijn als die van de dedicatie aan Huygens en Frederik Hendrik: zonder kunstenaar kan een vorst geen reputatie opbouwen. Achilles’ roem, bijvoorbeeld, zou met zijn lichaam begraven zijn, als Homerus die roem niet bezongen (‘geholpen’) en onsterfelijk gemaakt had: ‘door zijn heldendicht gehanthaeft, waer die klanck Gehoort wort oost en west, ontelbre jaeren langk.’34 Als laatste in een lange rij voorbeelden komt Augustus aan de orde, voor wie Vergilius als een ‘Raetsheer’ (vs. 124) was:

Ten leste komt August ten Kapitoole, schuift

De nevels van het oogh, en toont het licht der lichten,

En zet zich, als een Godt, in top, op Maroos dichten.35

Vondel citeert bij de passages over Cicero en Augustus tweemaal achtereen het beeld van de titelprent bij zijn prozavertaling uit 1646: de goede bestuurder troont, hoog in top, als een God op de dichter. Het programmatische element dat een dichter een staatsman naar de top kan leiden en zijn faam voor de eeuwigheid in de top kan houden, activeert hij dus ook bij deze mogelijke patroon, de jonge staatsman Peter de Graeff. De opvoedkundige functie geldt voor het moment, en als faammaker kandideert de dichter zich voor een patronagerelatie op termijn:

Belooft, op ’s vaders spoor, den dichter eenmael stof

Te levren, daer ’t gebeent der vadren, in hun stoelen

Van ruste, met vermaeck den nadruck zal voelen.

Ontfang op dezen wensch den weêrgalm van Virgijl,

Wiens naem ’t gebreck vergoet van mijnen ruwen stijl.36

De deelpublicatie Ondergang van Troje kan in Vondels loopbaan op drie niveaus worden geïnterpreteerd. Ten eerste is het werk de aankondiging van wat komen gaat: een ‘voorproef’ zoals de dichter zelf zegt, van de grote vertaling in verzen die hij in voorbereiding heeft. Concurrenten voor Vergiliusvertalingen wordt de wind uit de zeilen genomen. Ten tweede toont de vertaling in poëzie een nieuwe stap in de bouw van het imago: Vondel manifesteert zijn capaciteiten als een episch dichter in de Nederlandse taal door zich te ontwikkelen tot de evenknie van Vergilius. En ten derde is de dedicatie aan Peter de Graeff werkzaam als een uitnodiging tot mecenaat. Maar de vraag is: wanneer zal hij zijn grote ambitie kunnen realiseren en een patronage mogen genieten voor het componeren van een groot Amsterdams epos met de De Graeffen in de hoofdrol?

Vier jaar later, in 1660, herneemt Vondel zijn strategie om de familie De Graeff te bewegen tot een patronagerelatie door middel van de grote Vergiliusvertaling in poëzie. Hoe dit werk functioneel wordt gemaakt voor de carrièrestrategie blijkt uit het Parnasloof, de poëtische opdracht aan Cornelis de Graeff (afb. 6 en 7).

De dedicatie stelt, naar analogie van Aeneas’ omzwervingen, de vertaling van het werk van Vergilius voor als een lange zeereis van zijn muze. Zij is langs de Herderszangen en Lantgedichten en de Aeneis gereisd om nu eindelijk deze werken in ‘Nederduitsch gezangk’ te presenteren aan ‘Mecenas Graeff’:37

Myn zangheldin belande in ’t ende met verlangen

Uit d’overrijcke zee van Maroos Herderszangen,

En Lantgedichten, en Eneas dappren toght;

Een werkstuk in Latijn door al zijn leên volwrocht

En waerdigh aen August eerbiedigh op te draegen;

Toen alle volcken Rome op haeren middagh zagen,

Den vorst in ’t hooftgezagh, en ’t aerdtrijck, onder hem38

Gebogen, luistren naer d’ontzaghelijcke stem

Van eenen eenigen, geheilight om, door wetten

En maght gesterckt, een wijs op recht en vrê te zetten:

Nu ziet mijn zangheldin, na’et landen, wacker om

Naer een’ Mecenas, die, genoodt in ’t heilighdom

Der Zanggodinnen, zoo veel goddelijcke driften

Kan schatten, uitgeleert in toetsen en in schiften

Van stoffen, zin, en zwier, en aert, en maet, en klanck.

Zy komt Mecenas GRAEFF dit Nederduitsch gezangk

In zijne schaduw dan voorzingen, magh haer d’eere

Gebeuren, datze uit zijn scherpluistrende oordeel leere

Hoe verr’ haer wedergalm van Maroos voorzangk dwaelt,

En wat haer glans verschilt van ’t licht, dat uit hem straelt.39

Het mecenaat wordt bepleit in de parallel tussen De Graeff en Augustus enerzijds en Vondel en Vergilius anderzijds. De ambitie om onder patronage een nieuw epos te scheppen wordt gesuggereerd in het hele gedicht, waarin Vondel bovendien expliciet de wens uitspreekt om, ‘indien de tijt my gunt’, een werk te schrijven over de stamvader van de Batavieren, Baeto. Vondel zou het werk componeren naar ‘’s Mantuaens wetten’, naar het voorbeeld van de twaalf boeken van Vergilius. In het kunstwerk, zo garandeert Vondel, zou men steeds het bezielende voorbeeld van de oude dichter herkennen, zoals men bij het zien van een regenboog weet dat zijn schoonheid veroorzaakt wordt door de zon.40

De inhoud van het epos zou de stad waardig zijn. In dat opzicht wijst Vondel op zijn past performances als verheerlijker van Amsterdam in werken als de Gysbreght van Aemstel, Inwydinge van ’t Stadthuis en Batavische Gebroeders. En evenzeer zou het werk de regenten waardig zijn, aangezien de historische spanwijdte zou reiken van de mythische voortijd tot aan de aanzienlijkste families van het heden: De Graven, Boelensen, de Bickers en de Hoofden, die aan het hoofd van de (stads-)staat staan. Bij mij – zo verzekert Vondel burgemeester De Graeff – zullen de Amsterdamse regentengeslachten de plaats innemen van ‘de stamvaders en de helden’ die Anchises in Aeneis boek VI voor zijn zoon de revue laat passeren:

Indien de tijt my gunt, naer ’s Mantuaners wetten,

Den krijghshelt Bato met opklinckende trompetten

In top te voeren, naer den eisch van ’t vrye lant,

Door twalef boecken heen, tot daer de vredebant

Gesloten wort41; men zal de boschnon hooren melden,

Voorspellen op een ry de vaders en de helden

Der volgende eeuwen, die alom met raet en daet

Zich queeten in gevaer, tot nootweer voor den staet,

De Graven, Boelensens, de Bickers, en de Hoofden,

Zoo trou in ’t leveren, gelijckze ’t trou beloofden.42

De verleidelijke vraag aan het slot is of er iets van Vondels pragmatiek in de respectievelijke vertalingen heeft geresulteerd in winst voor de dichter. Is er enig voordeel behaald, in economisch, sociaal of cultureel opzicht? Voor zover na te gaan, heeft geen van de drie vertalingen van Vergilius het beoogde effect bewerkstelligd in de carrière van Vondel: een patronage voor het componeren van een epos is er niet gekomen. Over de redenen valt te speculeren. Frederik Hendrik stierf al snel, een jaar na de aanbieding van de prozavertaling aan Huygens. Van Peter de Graeff viel, zoals de dichter zelf al erkende, op korte termijn nog geen mecenaat te verwachten; hij handelde immers nog onder het gezag van zijn vader. En van Cornelis de Graeffs eigen reactie is alleen bekend dat hij de eer van de dedicatie terugbetaalde met een forse hoeveelheid wijn.43

Maar of het effect nu te meten is of niet, het feit blijft dat kunstenaars hun werken telkens weer weloverwogen en doelgericht opdragen. En dat het belang van de dedicatie veelal gerelateerd is aan de carrière-ontwikkeling van de kunstenaar. De varianten die Vondel uitwerkte in zijn drie achtereenvolgende Vergiliusvertalingen zijn daarvan het bewijs. Er ligt vanuit dit perspectief nog een vruchtbaar onderzoeksgebied te wachten op ontdekking. Juist de machts- en handelsdynamiek van de Nederlandse Republiek in de Gouden Eeuw biedt daarin een ongekend avontuur, of, om met Vergilius te spreken, een vastum maris aequor arandum. In Vondels vertaling klinkt dat als een missie: ‘gij moet nog lang de wilde en woeste zee alom beploegen’ (Aeneis2, 780).

Voor structureel onderzoek naar literair ondernemerschap en carrièrebouw is het nodig om dedicaties te inventariseren en bevraagbaar te maken in een database als de STCN. Dat opent mogelijkheden tot systematische data-analyses: welke auteurs richten welke werken tot welke adressaten? Of omgekeerd: welke personen krijgen (wanneer) welke werken opgedragen? Of nog anders: waarom krijgt de ene persoon bepaalde werken wel opgedragen, en de andere niet? De deelonderzoeken die nu als incidentele proefsleuven fragmenten van het terrein blootleggen, kunnen in zo’n structureel kader veel aan betekenis winnen en nieuw licht werpen op het boeiende spel van de politiek van publiceren.

Hoe boeiend en concreet die pragmatiek kan zijn, bewijst ten slotte een uniek exemplaar uit de eerste drukgang van Vondels grote vertaling in poëzie.44 DE UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK VAN AMSTERDAM BEWAART HET BOEK NOG IN DE OORSPRONKELIJKE ROOD FLUWELEN TABAKSGEURIGE BAND. HET IS EEN UITVOERING MET GOUD OP SNEE. OOK IS HET EXEMPLAAR GEPRODUCEERD OP EXTRA GROOT FORMAAT, MET CHIQUE, RUIME MARGES. DE GEDRUKTE TEKST IS IDENTIEK AAN DE REST VAN DE DRUKGANG, MAAR TOCH GEBEURT BOVEN HET PARNASLOOF IETS BIJZONDERS: HET FAMILIEWAPEN VAN CORNELIS DE GRAEFF DAT IN DE ‘GEWONE’ EXEMPLAREN EEN ZWART-WIT AFBEELDING IS, IS MET DE HAND INGEKLEURD (AFB. 8). HET WEKT BIJZONDERE AANDACHT VOOR DIT SLEUTELSTUK WAAR DE RELATIE TUSSEN DICHTER EN PATROON TOT UITING KOMT. EN ONDER DE OPDRACHT HEEFT VONDEL ZIJN DEDICATIE NOG MEER KRACHT BIJGEZET MET EEN PERSOONLIJKE, HANDGESCHREVEN OPDRACHT: ‘UWE WELEDELE GESTRENGE OOTMOEDIGE DIENAAR. J.V. VONDEL’ (AFB. 9). Dit is het exemplaar dat de carrièrestrategie onder de aandacht van de beoogde patroon heeft gebracht: Vondels auteursexemplaar voor Cornelis de Graeff.