In het najaar van 1685 kwam een omvangrijke stroom protestantse vluchtelingen uit Frankrijk naar de Republiek op gang. Aanleiding voor hun vertrek was het Edict van Fontainebleau, dat Lodewijk XIV op 17 oktober van dat jaar had uitgevaardigd. Met dit edict verbood de vorst zijn protestantse onderdanen om hun geloof te belijden en gelastte hij de vernietiging van al hun kerken. Vervolgens zond Lodewijk dragonders de provincies in om de hugenoten onder dwang te bekeren tot het katholicisme. Alhoewel een ruime meerderheid van de ongeveer één miljoen hugenoten tot het katholicisme overging – de zogeheten nouveaux convertis – wisten zo’n 100.000 protestanten Frankrijk toch te ontvluchten, waarvan er naar schatting 35.000 in de Republiek belandden.1

Een van de kwesties waarvoor deze vluchtelingen zich gesteld zagen bij aankomst in de Republiek, was het vinden van een baan. Volgens historici die de Refuge hebben bestudeerd, verliep de integratie van hugenoten op de Nederlandse arbeidsmarkt relatief soepel. In de eerste serieuze studie naar de Nederlandse hugenoten, die in 1846 verscheen, schetst de historicus en letterkundige Hendrik Jacob Koenen een gunstig beeld van zowel de maatregelen die Nederlandse bestuurders namen om de hugenoten te helpen, als van de bijdrage die de nieuwkomers leverden aan de Nederlandse economie.2 Een vergelijkbare studie door de Amsterdamse advocaat en wethouder Willem Ernst Johan Berg besteedt eveneens veel aandacht aan het succes van hugenoten in de Republiek.3 De studies van Koenen en Berg zijn bijzonder invloedrijk gebleken: populariserende werken die verschenen in het herdenkingsjaar 1985, of die een algemeen overzicht schetsen van migratie naar Nederland, leggen evenals hun voorgangers het accent op de soepele integratie van hugenoten op de Nederlandse arbeidsmarkt.4

De reden waarom hugenoten zo snel carrière maakten, was te danken aan symbiose, betogen al deze historici, omdat hun poging een baan te vinden – de zogeheten ‘positieacquisitie’ – naadloos samenviel met het vestigingsbeleid van stedelijke en gewestelijke overheden, aangeduid met ‘positieallocatie’.5 De hugenoten beseften dat ze kwaliteiten bezaten waarvan de Nederlandse economie kon profiteren: in tegenstelling tot de massa’s laagopgeleide Duitse migranten die de Republiek overspoelden, hadden de vluchtelingen uit Frankrijk zich juist bekwaamd in specifieke ambachten, hadden ze toegang tot uitgebreide handelsnetwerken, en brachten ze in sommige gevallen eigen kapitaal mee. Eenmaal in de Republiek beklemtoonden ze hun vaardigheden en opleiding om financiële steun te krijgen voor het opzetten van nieuwe bedrijven. Burgemeesters op hun beurt bleken eenvoudig over te halen, omdat ze in de hugenoten niet alleen onderdrukte geloofsbroeders zagen, maar vooral ook migranten die de stedelijke economie konden stimuleren. Stadsbesturen organiseerden daarom collectes, verstrekten leningen voor het opzetten van bedrijven en gaven privileges uit, zoals vrije toegang tot de gilden, gratis burgerschap en vrijstelling van belastingen.6

Kortom, volgens historici wisten de hugenoten succesvol te integreren op de arbeidsmarkt van de Republiek dankzij een combinatie van eigen bekwaamheden en de uitgestoken hand van Nederlandse stadsbesturen. De vraag is echter of deze vaststelling ook geldt voor de vele Franse predikanten die in dezelfde periode naar de Republiek uitweken. Hoe eenvoudig of lastig was het voor deze beroepsgroep om een positie te vinden en carrière te maken? En wat leert hun verhaal ons uiteindelijk over de kansen voor buitenstaanders op de religieuze arbeidsmarkt van de Republiek? Dit artikel beantwoordt deze vragen aan de hand van een casestudy naar de loopbaan van twee uitgeweken hugenootse voorgangers, Jean Claude en diens zoon Isaac Claude. Om hun activiteiten in een breder perspectief te zien, is het noodzakelijk om eerst een algemeen groepsportret te schetsen van de gevluchte hugenootse predikanten en hun carrièrekansen in de Republiek.

Dat de hugenootse predikanten uit Frankrijk mochten vertrekken, was uitzonderlijk. In het Edict van Fontainebleau verbood Lodewijk XIV de hugenoten namelijk expliciet om het land te verlaten, maar in artikel 4 bepaalde hij vervolgens dat ‘alle predikanten van de zogenaamd gereformeerde religie die zich niet willen bekeren en overgaan tot de katholieke, apostolische en roomse religie, ons koninkrijk en grondgebied binnen twee weken na publicatie van dit edict [moeten] verlaten’.7 Wel moesten de predikanten al hun bezit achterlaten en mochten ze alleen hun vrouw en kinderen jonger dan acht jaar meenemen. Dit ius emigrandi was zeker geen speciale gunst van de Franse staat. Volgens predikant Elie Benoist, die zich in 1685 vestigde te Delft, zagen Lodewijk en zijn ministers de predikanten juist als een bedreiging voor de gelijkschakeling van hugenoten met de rooms-katholieke Kerk, omdat men vreesde dat ze in hun preken de gelovigen zouden oproepen zich niet te bekeren. De predikanten dwingen om katholiek te worden was evenmin een optie, want weigering zou hen in de ogen van de gelovigen slechts tot martelaren maken en het verzet sterken. De Franse staat was de predikanten daarom liever kwijt dan rijk.8

Inderdaad koos een meerderheid van de Franse predikanten voor ballingschap. In 1685 telde Frankrijk naar schatting ongeveer 870 hugenootse voorgangers, van wie driekwart naar het buitenland vertrok. Veruit de populairste bestemming was de Republiek, waar 405 predikanten een positie hoopten te verwerven.9 Deze keuze lag voor de hand, omdat in de Republiek reeds een groot netwerk van Waalse kerken bestond, die eind zestiende eeuw waren opgericht door Franstalige protestanten uit de Zuidelijke Nederlanden. Na op de vlucht te zijn geslagen voor de religieuze vervolging door de Spaanse overheid, hadden deze Walen in het noorden hun eigen Franstalige kerken gesticht. Deze Waalse kerken waren slechts losjes verbonden met de gereformeerde kerk in de Republiek, omdat ze hun eigen synodes hielden en dus niet waren gebonden aan de besluiten van hun Nederlandse geloofsbroeders.10

Na de Revocatie hoopten de hugenootse predikanten in de Waalse kerken een nieuwe kansel te vinden. Op het eerste gezicht lagen hun carrièrekansen goed. Ze hadden zonder uitzondering een hoge opleiding genoten aan een van de acht protestantse academies die Frankrijk telde in de zeventiende eeuw, waar proponenten niet alleen een grondige universitaire training kregen in de theologie en filosofie, maar zich ook bekwaamden in het Hebreeuws en Grieks. De faam van de grootste academies strekte zich dankzij vooraanstaande professoren als Moïse Amyraut en Pierre Jurieu zelfs uit tot in de Republiek en Engeland, waarvandaan studenten naar Saumur en Sedan kwamen. Omgekeerd brachten de Franse predikanten in spe vaak enige tijd door in Leiden, Genève of Cambridge, als onderdeel van hun peregrinatio academica.11

Nadat de exodus van hugenoten ondanks het verbod op emigratie in het voorjaar van 1686 toch op gang kwam, groeiden de Waalse kerken bovendien als kool, en nam dus ook de behoefte aan predikanten evenredig toe. In Amsterdam bijvoorbeeld steeg het aantal lidmaten in de Waalse kerk van gemiddeld 3480 in het tijdvak 1681-1685 tot ruim 6000 in de periode 1686-1690.12 Veel consistories stelden extra voorgangers aan om diensten te leiden en de zorg voor de gelovigen het hoofd te bieden. De noodzakelijke financiële ondersteuning werd geboden door stedelijke en gewestelijke overheden. Zo besloten de Staten van Holland in januari 1686 op aandringen van de Waalse en gereformeerde synodes om jaarlijks een bedrag van 25.000 gulden vrij te maken, waarmee zeventig predikanten in het Zuiderkwartier (het gedeelte van het gewest Holland onder het IJ) onderhouden konden worden. Gehuwde voorgangers en weduwnaars die nog de zorg voor hun kinderen droegen, ontvingen 400 gulden per jaar, terwijl vrijgezellen het moesten doen met een gage van 250 gulden.13 In maart 1686 namen de Staten van Zeeland een vergelijkbaar besluit, alhoewel zij slechts twaalf predikanten financierden.14

Dergelijke traktementen waren van cruciaal belang, omdat het predikantschap in de Republiek geen reguliere baan was, maar een positie die werd gefinancierd door de stedelijke of gewestelijke overheid. Overigens kregen de hugenootse predikanten volgens de resolutie van 1686 slechts de status van buitengewoon predikant, en lag hun gage lager dan dat van een regulier predikant. In 1684 verdiende een stadspredikant in het gewest Holland gemiddeld 850 gulden per jaar en zijn collega op het platteland ongeveer 550 gulden. In de overige gewesten lagen de traktementen weliswaar op een lager peil, maar in Friesland verdiende een predikant nog altijd 900 gulden per jaar in Leeuwarden en rond de 300 gulden in de dorpen.15 De gages van de reguliere Waalse predikanten waren lager, maar kwamen nog altijd boven de 400 gulden uit: in 1686 ontvingen de twee Waalse predikanten te Haarlem ieder 440 gulden, hun collega’s in Gouda en Dordrecht 500 gulden, en die in Delft 650 gulden, terwijl in Den Haag de gages zelfs 800 tot 1000 gulden bedroegen.16

Het beeld uit de literatuur dat hugenoten in allerlei beroepstakken succesvol integreerden op de arbeidsmarkt lijkt kortom te worden bevestigd door de gevluchte Franse predikanten. Net als de grote massa vluchtelingen uit Frankrijk maakten zij gebruik van de wisselwerking tussen vraag en aanbod; als bekwame en hoogopgeleide voorgangers speelden ze handig in op de groeiende vraag naar Franstalige predikanten in de Waalse kerken, en maakten ze gebruik van de financiële steun die de Republiek hun bood.

Toch was de situatie in werkelijkheid verre van florissant. Om te beginnen was een aantal predikanten reeds vóór de Revocatie naar de Republiek getrokken, toen er nauwelijks vraag was naar Franstalige voorgangers in de Waalse kerken, en de kans om een positie te bemachtigen dus gering was. Reden voor hun vroegtijdige vertrek was de sluiting van veel protestantse kerken in Frankrijk in de jaren voor de Revocatie. Sinds Lodewijk XIV in 1661 de Franse troon had bestegen, had hij de religieuze en civiele rechten van de hugenoten stelselmatig ingeperkt, in de hoop hen zo tot bekering te dwingen. Deze campagne had echter weinig succes, zodat Lodewijk na het sluiten van de Vrede van Nijmegen (1678-1679) besloot het tempo op te voeren: vanuit Versailles volgde een niet-aflatende stroom wetten die de protestantse kerkgemeenschappen en hun voorgangers steeds verder in het nauw bracht.17

In juni 1680 verbood Lodewijk bijvoorbeeld katholieken om zich tot het protestantse geloof te bekeren, en dreigde hij de predikanten met sluiting van kerken en ontheffing uit hun ambt indien ze deze bekeerlingen in hun gemeenschap toelieten; vanaf 1683 werd deze straf verzwaard met verbanning en confiscatie van goederen.18 Een declaratie in mei 1683 bepaalde vervolgens dat katholieke geestelijken de protestantse kerkdienst mochten bijwonen in speciaal daarvoor ingerichte banken, ‘om er te luisteren naar wat de predikanten verkondigen in hun preken, niet alleen met als doel om hen te weerleggen als dat nodig is, maar ook om door hun aanwezigheid te verhinderen dat ze iets opperen dat strijdig is met het respect dat men verschuldigd is aan de katholieke religie’.19 In de praktijk betekende deze wetgeving dat de lokale katholieke clerus en bestuurders voortaan een rechtsgrond hadden om protestantse kerken te sluiten en predikanten te vervolgen, wat in de jaren na 1680 inderdaad op grote schaal gebeurde. Sommige voorgangers besloten daarom reeds voor de Revocatie hun heil te zoeken in de Republiek.

Voor de Waalse synode waren de gevolgen goed merkbaar: vanaf 1680 kreeg de synode talloze verzoeken van Franse predikanten om hen beroepbaar te verklaren in de Waalse kerken van de Republiek. In april 1683 bijvoorbeeld ontvingen de afgevaardigden – op dat moment bijeen in Haarlem – een wanhopige brief van Jean Ferrand, predikant te Nérac in Zuidwest-Frankrijk: de autoriteiten hadden hem uit zijn ambt ontzet en zijn kerk tot de grond toe afgebroken, waarna Ferrand drie maanden in de cel had doorgebracht, ‘waar ik de meeste vreselijke grofheden heb ondergaan die een mens kunnen overkomen, maar waarvan ik hier geen verslag zal doen’.20 De synode verklaarde Ferrand direct beroepbaar in de Republiek, maar wees hem niet meteen een nieuwe kansel toe. Het zou nog tot 1685 duren eer hij daadwerkelijk werd beroepen in de bescheiden Waalse gemeente te Sas-van-Gent.21 Carrière maken vóór de Revocatie was dus zeker niet onmogelijk, maar het vereiste wel geduld en doorzettingsvermogen.

Toen de exodus van hugenoten in het voorjaar van 1686 eenmaal op gang kwam, op de voet gevolgd door financiële steun van de Nederlandse bestuurders, bleek echter dat er een fors overschot aan predikanten was. De Staten van Holland konden lang niet alle werkzoekende predikanten ondersteunen, en ook de andere gewesten kwamen financiële armslag te kort. Reeds in mei 1686 diende de Waalse synode daarom opnieuw een rekest in bij de Staten-Generaal en de Staten van Holland: over alle gewesten opgeteld onderhield de Republiek inmiddels 120 Franse predikanten, maar de synode stelde dat nog eens 102 broeders ‘in groote armoede ende nootdruft’ verkeerden.22 De Staten van Holland gaven ditmaal echter niet zonder meer gehoor aan de smeekbede van de Walen: weliswaar kwamen de gedeputeerden met een extra bedrag van 12.000 gulden per jaar over de brug, waarmee nog eens 35 Franse predikanten ondersteund konden worden, maar ze bepaalden ook dat zodra deze posities weer open zouden vallen – door sterfte of vertrek van een buitengewoon predikant – voortaan eerst schriftelijk toestemming van de Staten nodig was alvorens het consistorie hun plaats mocht opvullen.23 In 1695 besloten de Staten zelfs tot een algehele vacaturestop voor Franse predikanten: de opengevallen plaatsen mochten niet langer worden opgevuld.24

Het voorspelbare gevolg was een felle onderlinge concurrentie om banen. In de zomer van 1688 bijvoorbeeld liep een conflict in Den Haag over de benoeming van de gevluchte predikant Joseph Carnéli stevig uit de hand. De burgemeesters hadden hem een jaarlijks traktement van 200 gulden verleend, maar toen ze het Waalse consistorie gelastten Carnéli voortaan per toerbeurt te laten preken, zetten de predikanten Jean Carré en Isaac Claude hun hakken in het zand: de magistraat had geen enkel recht te bepalen wie de preekstoel mocht beklimmen, betoogden ze. Na lang aandringen gingen de beide heren alsnog door de knieën, maar een week later hadden ze wederom volte-face gemaakt. Ondanks ‘enighe levighe woorden’ van burgemeester Assendelft weigerden Carré en Claude om Carnéli te laten preken, en daarmee was de kous af.25 In 1690 waren de kansen voor predikanten nauwelijks verbeterd: toen het Waalse consistorie een lijst opstelde, bleek dat van de veertien Franse predikanten die hun toevlucht hadden gezocht in Den Haag, slechts drie als regulier predikant preekten, vijf een pensioen als buitengewoon predikant ontvingen, terwijl zes in de stad verbleven zonder enige financiële steun.26

De moeilijkheid was dat predikanten niet eenvoudig een carrière-switch konden of wilden maken, enerzijds omdat ze slechts waren opgeleid tot voorganger, anderzijds omdat ze niet van zins waren een beroep onder hun stand aan te nemen. Bovendien hadden ze vaak al hun bezittingen in Frankrijk moeten achtergelaten. In haar eerste rekest aan de Staten van Holland in 1685 memoreerde de Waalse synode dat de predikanten ‘in de uijtterste ellende [verkeerden], geen ambagt geleert hebbende, om in haere droevige ballingschap sig met haere vrouwen en kinderen te konnen generen, vermits niet konnen nog ook vermogen te trecken van haere verlatenen gouderen’.27

Alternatieven voor een regulier predikambt in een van de Waalse kerken lagen vooral in andere geestelijke functies. Sommige predikanten besloten hun geluk te beproeven in de Franse kerken in Engeland of Brandenburg, terwijl anderen de overstap maakten naar de Nederduits-gereformeerde kerk. Vooral proponenten hadden het zwaar, omdat ze de concurrentie aan moesten met hun meer ervaren collega’s. Jacob Gallé bijvoorbeeld, afgestudeerd aan het Collège Wallon in Leiden, somberde in een brief aan de Waalse synode ‘dat het grote aantal gevluchte predikanten die de vervolging naar ons land heeft gebracht, me voor altijd lijkt te hebben verwijderd van uw kansels’.28 Hij was daarom begonnen in het Nederlands te preken, en met succes, want eind 1685 stelden de Staten-Generaal hem aan als predikant van de Nederlandse ambassadeur te Parijs, de heer Van Starrenburg.29

De meest beproefde uitweg was echter het bemachtigen van een positie als legerpredikant. Vraag was er in deze periode voldoende, aangezien de Republiek, Engeland en Brandenburg van 1689 tot 1697 in een langdurige oorlog met Frankrijk waren verwikkeld. Alle geallieerde grootmachten hadden Franstalige regimenten te velde, veelal samengesteld uit gevluchte hugenootse officieren en soldaten, die behoefte hadden aan eigen predikanten.30 Precieze aantallen ontbreken, maar vaststaat dat vele Franse predikanten dankbaar gebruikmaakten van deze vraag: Jean Mesnard, voormalig predikant te Charenton, wist niet alleen een positie als hofpredikant van stadhouder-koning Willem III te verwerven, maar vergezelde de vorst ook tijdens diens campagnes in de Spaanse Nederlanden.31 Andere predikanten dienden de regimenten in een van de vele vestingsteden binnen de Republiek, zoals Jacques Colas de la Treille, die in 1696 preekte voor de Franse officieren gelegerd in Heusden.32 Voor sommige proponenten was het leger zelfs een eerste trede op de carrièreladder: in 1697 ontdekte de Waalse synode dat sommige theologiestudenten ten onrechte hadden beweerd als legerpredikant te zijn beroepen, in de hoop dat de synode hen officieel als predikant zou erkennen zonder dat ze het proponentsexamen hoefden af te leggen.33

Ook al lagen er kansen in de Republiek, carrière maken was voor gevluchte Franse predikanten dus allerminst een uitgemaakte zaak – het vereiste doorzettingsvermogen en inventiviteit om daadwerkelijk een baan te bemachtigen. Hoe wisten de predikanten in deze lastige situatie dan toch een positie te verwerven? Deze vraag laat zich uitstekend beantwoorden door de carrières van twee predikanten, Isaac Claude (1653-1695) en zijn vader Jean Claude (1619-1687), nader te beschouwen. Natuurlijk zijn ze niet als maatgevend te beschouwen voor de gehele groep gevluchte predikanten: terwijl de Claudes er uiteindelijk in zouden slagen een goedbetaalde positie te verwerven in de Republiek, moesten andere predikanten zich tevreden stellen met een gering pensioen of uitzien naar alternatieve betrekkingen. Om echter te begrijpen waarom sommige predikanten wel opklommen tot regulier predikant in de Waalse kerk, en anderen niet, zijn de carrières van vader en zoon Claude uiterst instructief. Voor beiden bleek namelijk een drietal factoren doorslaggevend bij het vinden van een nieuwe positie na aankomst in de Republiek.

Voor Jean Claude woog zijn reputatie als protestants activist ongetwijfeld het zwaarst: in 1685 was hij een van de onbetwiste leiders van de hugenoten, en waarschijnlijk de beroemdste predikant van Frankrijk (afb. 1). Jean werd in 1619 geboren in Sauvetat-du-Dropt, een dorpje in Zuidwest-Frankrijk, en studeerde filosofie en theologie aan de protestantse academie van Montauban. Na afronding van zijn studie in 1645 diende hij onder meer als predikant in Nîmes en Montauban, en vanaf 1666 in Charenton, de protestantse kerk net buiten Parijs. Hij verliet de Franse hoofdstad pas na de Revocatie in oktober 1685, toen Lodewijk XIV een speciaal bevel tegen hem uitvaardigde: in tegenstelling tot zijn collega’s kreeg hij geen twee weken, maar slechts 24 uur om het land te verlaten. Hij vertrok daarop met zijn vrouw Elisabeth naar Den Haag, alwaar hij introk bij zijn zoon Isaac Claude. Lang kon hij echter niet genieten van zijn vrijheid: Jean stierf reeds op 13 januari 1687, 74 jaar oud.34

Jean had in Frankrijk niet alleen naam gemaakt als een geoefend prediker – hij had reeds enkele preekbundels uitgegeven – maar bovenal als religieus activist, vanwege zijn scherpe replieken tegen de jansenisten en andere katholieke uitdagers. Vanaf 1664 raakte hij verwikkeld in een slepend debat over de eucharistie met de jansenistische voorlieden Pierre Nicole en Antoine Arnauld. Aanleiding voor deze controverse was een geschrift dat Nicole in 1664 publiceerde onder de titel La perpetuité de la foy de l’Église catholique touchant l’Eucharistie. Nicole stelde dat de aanwezigheid van Christus in het brood en de wijn tijdens de heilige communie, aangeduid als transsubstantiatie, al sinds de beginjaren van het christendom als dogma was aanvaard. Jean daarentegen betoogde dat de doctrine van de transsubstantiatie een latere uitvinding van de Kerk was, die iedere bijbelse grondslag ontbeerde; de protestanten hadden deze leer dus terecht verworpen, en het geloof tot zijn pure vorm teruggebracht. De replieken van Jean Claude deden zoveel stof opwaaien, dat hij zijn predikantschap in Montauban verloor en naar Parijs vertrok.35

In 1678 ging Jean vervolgens in debat met Jaques-Bénigne Bossuet, de gezaghebbende bisschop van Meaux, ditmaal op uitnodiging van de protestantse Marie de Duras, die overwoog zich tot het katholicisme te bekeren. Alhoewel Jean vermoedde dat de bekering allang was beklonken, en de controverse slechts een propagandastunt van de katholieke kerk was – Bossuet zou na afloop triomfantelijk kunnen beweren dat de argumenten van Jean het hadden afgelegd tegen de katholieke leer – nam hij de uitdaging toch aan.36 Onderwerp van discussie was het gezag van de Kerk: Bossuet verweet de protestanten inconsequent te zijn, omdat ze het absolute, onfeilbare gezag van de paus en de Kerk van Rome verwierpen, maar tegelijkertijd consistories en synodes in het leven hadden geroepen om doctrinaire geschillen te beslechten en de orthodoxie te handhaven. In feite waren de protestanten dus even intolerant jegens andersdenkenden als de katholieken die ze daarom verfoeiden, zo redeneerde Bossuet.37

Jean verwierp deze redenering resoluut. Katholieken beschouwden de Kerk als een wereldse gemeenschap van gelovigen, zo betoogde hij, en kenden de paus daarom absoluut gezag toe, precies zoals een vorst heerst over zijn onderdanen. Protestanten daarentegen geloofden alleen in het oppergezag van God. Synodes, consistories en predikanten hadden daarom beperkt gezag, aldus Claude: ze moesten in hun besluiten te allen tijde rekening houden met Gods woord, en de gelovigen op hun beurt dienden te controleren dat dit daadwerkelijk gebeurde – alleen dan waren ze aan de synode onderworpen. Predikanten waren kortom niet onfeilbaar, laat staan dat ze absoluut gezag over de gelovigen hadden, zoals de paus pretendeerde.38 ‘Geen enkele synode heeft zich ooit opgeworpen als absoluut heerser over het geweten’, vatte Jean zijn repliek puntig samen.39 Het probleem was juist dat de katholieke kerk dat wel deed, met als gevolg dat protestanten in Frankrijk als ketters werden vervolgd.

Tot slot had Claude zich in woord en geschrift hevig verweerd tegen het zogeheten Avertissement pastoral van de katholieke clerus, die zich in 1682 in Parijs had verzameld om de hugenoten op te roepen in de schoot van de katholieke moederkerk terug te keren.40 De geestelijken beloofden de protestanten slechts met woorden te willen overtuigen, en ieder geweld te schuwen, maar daar geloofde Jean weinig van: steunde de clerus immers niet de keiharde maatregelen om hugenoten te bekeren, zoals het inkwartieren van soldaten en het sluiten van de protestantse kerken in Frankrijk? Ook verweerde hij zich tegen de aantijging dat de hugenoten ketterse schismatici waren; juist de rooms-katholieke kerk had zich in de loop der eeuwen afgescheiden van de ware leer, betoogde Jean, en het waren dus de katholieken die de christelijke religie hadden bezoedeld.41

Jean Claude’s religieus activisme was ook in de Republiek niet onopgemerkt gebleven. De Groningse universiteit bood hem een leerstoel in de theologie aan, maar dat aanbod sloeg hij af omdat hij zijn gemeente niet in de steek wilde laten.42 Toen Jean begin november 1685 alsnog in de Republiek arriveerde, was het wederom zijn reputatie die hem snel van een positie verzekerde. De Franse ambassadeur in Den Haag, Jean-Antoine de Mesmes, graaf van D’Avaux, berichtte Lodewijk XIV dat Jean na zijn aankomst meteen een horde bezoekers ontving, ‘omdat iedereen nieuwsgierig was om hem te zien’.43

Een van de personen die buitengewoon in Jean Claude waren geïnteresseerd, was stadhouder Willem III. Het was hem ter ore gekomen dat enkele Duitse prinsen probeerden om Jean aan hun hof te installeren door hem een riant pensioen in het vooruitzicht stellen. Willem III droeg raadpensionaris Fagel daarom in allerijl op om de predikant koste wat kost in Den Haag te houden, ‘in consideratie van de profunde kennisse, die de voors. Claude hadt […] vande saecken van het koninckrijck van Vranckrijck, ende particulierelijck van Christi gereformeerde kercke aldaer’. In een geheime resolutie besloten de Gecommitteerde Raden van de Staten van Holland vervolgens om Jean een jaarpensioen van 1400 gulden te verlenen.44

Bij het vinden van een positie speelde behalve reputatie ook een tweede factor mee: het hebben van connecties. Jean dankte zijn benoeming en pensioen aan de stadhouder, die zijn reputatie kende, maar ook van de diensten van de predikant gebruik wilde maken. In april 1686 ontdekte D’Avaux namelijk dat Jeans vorstelijke gage een quid pro quo was. Willem III had hem opdracht gegeven een fel boek te schrijven tegen de religieuze politiek van Lodewijk XIV, dat in het voorjaar van 1686 anoniem uitkwam onder de titel Les plaintes des protestans, cruellement opprimez dans le Royaume de France (afb. 2).45 Het was een uitermate gevaarlijk boek, oordeelde D’Avaux, omdat Jean zich ditmaal niet had beperkt tot een theologische controverse, maar nu ook een politieke positie innam: Jean schetste het onrecht dat de hugenoten was aangedaan, om vervolgens te pleiten voor herstel van het Edict van Nantes. D’Avaux waarschuwde dat het boek las als een ‘manifest voor een godsdienstoorlog’ en vooral de plannen diende van de stadhouder, die aanstuurde op een internationale coalitie van protestantse staten tegen Frankrijk.46 Lodewijk was echter niet onder de indruk van het exemplaar dat zijn ambassadeur hem toestuurde, omdat het in zijn ogen weinig verschilde van de vele libellen die de refugiés overal in Europa publiceerden. Bovendien zouden pogingen om het boek in beslag te nemen mensen juist aansporen het te gaan lezen. ‘We moeten ze hun gal laten spuwen zonder ons er al te druk om te maken’, luidde het cynische advies uit Versailles.47

Waar Jean Claude duidelijk steunde op zijn faam als religieus activist om in de Republiek een positie te verwerven, kon zijn zoon Isaac veel minder bogen op een noemenswaardige reputatie. Isaac Claude was geboren in 1653 en daarna in zijn vaders voetsporen getreden: hij studeerde theologie aan de academie van Sedan, waarna zijn vader hem in oktober 1678 bevestigde als predikant in de kleine gemeente van Clermont-en-Beauvaisis, ten noorden van Parijs.48 Isaac vertrok reeds in het voorjaar van 1682 naar de Republiek, maar zijn precieze beweegredenen blijven ongewis: toen hij zich in augustus 1682 meldde op de Waalse synode te Gouda, met het verzoek beroepbaar te worden verklaard, verklaarde hij slechts ‘met goede redenen’ en instemming van de synode te Lassey te zijn vertrokken. Alhoewel de Waalse synode akkoord ging met zijn verzoek, kreeg Isaac niet direct een nieuwe kansel toegewezen. Hij vestigde zich voorlopig met zijn vrouw Émilie in Den Haag, maar het zou nog tot september 1685 duren eer Isaac een definitieve aanstelling kreeg als predikant in de Waalse kerk van Den Haag, die hij tot aan zijn dood in juli 1695 zou dienen.49 Het was dus allerminst vanzelfsprekend om als gevlucht predikant meteen een nieuwe kansel te vinden in de Republiek.

Omdat Isaac predikant was geweest in een kleine gemeente en nooit preken of polemische geschriften had uitgebracht, laat staan zich anderszins had weten te onderscheiden, moest hij het vooral hebben van connecties. Het ligt voor de hand te denken dat Isaac in de Republiek eenvoudig een nieuwe positie verwierf dankzij de reputatie van zijn vader, maar de realiteit bleek weerbarstiger. Uit de intensieve briefwisseling tussen vader en zoon in de jaren 1684-1685 blijkt dat Isaac zo verstandig was om na aankomst in Den Haag de steun te zoeken van de Waalse predikant Daniel Desmarets, die sinds 1663 in de hofstad preekte en nauwe banden onderhield met Willem III. Niet alleen was Desmarets een graag geziene gast aan het hof, in 1685 trad hij als botanicus in dienst van de stadhouder om zorg te dragen voor diens exotische planten in het paleis van Honselaarsdijk. Desmarets had beloofd om een goed woordje te doen bij Willem III, in de hoop dat Isaac de gewilde positie van hofpredikant zou krijgen.50 Daarnaast had vader Jean contact opgenomen met zijn collega Pierre Jurieu, voormalig professor aan de academie van Sedan en sinds 1681 predikant in de Waalse kerk te Rotterdam. Ook Jurieu stond op goede voet met Willem III, en had Jean beloofd diens zoon onder aandacht van de stadhouder te brengen.51

De pogingen om het netwerk van Jean Claude te benutten, hadden echter weinig succes, want in de zomer van 1684 was Isaac nog altijd brodeloos, terwijl hij een vrouw en kind had te onderhouden.52 Zijn vader hield de moed er in, maar Isaac begon intussen naar alternatieven te zoeken. Om te beginnen kwam er een aanbod van Abraham Tessereau, voormalig secretaris van de Franse vorst en ouderling in de kerk van Charenton. Tessereau was in 1682 naar Londen vertrokken, waar hij zijn invloed had aangewend in de Franse kerk van Threadneedle Street om Isaac aldaar zes maanden op proef te laten preken. Vader Claude was echter niet enthousiast. Vanuit Parijs drukte hij zijn zoon op het hart alleen te vertrekken indien er een formeel beroep lag.53 Bovendien was het religieuze klimaat in Engeland nauwelijks beter dan dat in Frankrijk: uit de berichten van Tessereau concludeerde Jean dat de Anglicaanse kerk onder het bewind van Karel II en diens openlijk katholieke zoon Jakobus II steeds meer naar het katholicisme neigde. ‘Omnia vergunt in papismum’, somberde hij: ‘alles glijdt af naar het pausdom’.54 Jean Claude schatte de kansen van zijn Parijse collega Pierre Allix om een post in Londen te bemachtigen daarom heel wat hoger in, omdat die minder moeite had met het arminiaanse gedachtegoed.55

Het plan van Isaac om naar de Amerikaanse koloniën te emigreren kon evenmin op veel sympathie van zijn vader rekenen. Jean herinnerde zijn zoon eraan dat de kolonie Pennsylvania vol met quakers zat – in zijn ogen een losgeslagen extatische sekte – en schreef Isaac dat hij een eventueel verblijf in Carolina alleen in uiterste nood moest overwegen.56 Als Lodewijk het Edict van Nantes werkelijk zou herroepen en Isaac er niet in slaagde in de Republiek een preekstoel te vinden, dan was het beste alternatief om zich in Zwitserland te vestigen, meende Jean.57

In januari 1685 wierp het lobbyen dan toch zijn vruchten af. Enkele van Isaacs vrienden dienden een rekest in bij de Haagse vroedschap, met het verzoek om Isaac niet als hofpredikant, maar als voorganger in de Waalse kerk aan te stellen. De burgemeesters hadden Isaac daarop een voorlopig traktement van 500 gulden toegekend, maar voor een officieel beroep moest het Waalse consistorie nog wel de toestemming van de Staten van Holland verkrijgen. Besloten werd een delegatie naar de stadhouder te sturen, die Isaac zelfs op audiëntie uitnodigde, en hem beloofde de Staten te bewegen om akkoord te gaan met diens verzoek. Aldus geschiedde, en in augustus 1685 volgde eindelijk officiële toestemming van de Gecommitteerde Raden, waarna Desmarets op zondag 30 september Isaac Claude bevestigde als derde predikant in de Waalse kerk van Den Haag, krap een maand voor de Revocatie (afb. 3).58

Naast reputatie en connecties was voor Franse predikanten een derde factor van belang bij het verwerven van een positie in de Republiek, namelijk hun capaciteiten als predikant. Waar die van Jean Claude buiten kijf stonden, was Isaac echter vrijwel onbekend. Het Waalse consistorie in Den Haag, Desmarets voorop, keek dus eerst de kat uit de boom alvorens hem formeel te beroepen. Wel mocht Isaac vanaf 1683 af en toe invallen als voorganger in de Waalse kerk, wat hem de kans gaf de gemeente te tonen welke theologische en oratorische kwaliteiten hij in huis had. Bovendien kon Isaac zijn voordeel doen met de preekadviezen die zijn vader hem regelmatig per brief toestuurde vanuit Parijs.59

Over de juiste preekstijl liepen de meningen onder Franse predikanten echter sterk uiteen. Jean Claude gaf de voorkeur aan een ingetogen stijl en grondige analyse van de bijbeltekst. Zowel in de adviezen aan zijn zoon als in het postuum verschenen Traité de la composition d’un sermon besteedde Claude vooral aandacht aan de correcte structuur en inhoud van een preek: hij raadde aan de gekozen bijbeltekst op te delen en puntsgewijs te behandelen, zonder al te veel uiterlijk vertoon. Retorische kunstgrepen zouden de gelovigen slechts afleiden van het Woord Gods, dat geen enkele menselijke verfraaiing nodig heeft.60 ‘Je moet niet al te veel esprit in een preek stoppen, dat wil zeggen: te veel luisterrijke, verbazingwekkende en aangename zaken’, waarschuwde Claude, want ‘wanneer de geest wordt overstelpt door te veel mooisprekerij heeft die geen tijd om na te denken over de onderwerpen en ze in het hart op te nemen’.61 Zijn Parijse collega-voorganger Michel le Faucheur en de protestantse geleerde, dichter en toneelschrijver Samuel Chappuzeau klaagden daarentegen dat predikanten als marmeren standbeelden hun monotone preken over de gelovigen uitstortten, die bijgevolg direct in slaap vielen. Om de geesten daadwerkelijk te beroeren, pleitten ze in hun traktaten daarom voor stemvariatie, eloquentie en levendige handgebaren.62

Welke preekstijl Isaac verkoos, blijft enigszins ongewis. Volgens Jean Rou, een voormalige advocaat in het parlement van Parijs, die vervolgens als vertaler in dienst was getreden van de Staten-Generaal, beschikte Isaac over ‘een nauwkeurige uitspraak, natuurlijke handgebaren, een zuivere dictie, en weledele uitdrukkingen’ – kennelijk zag Isaac het belang van levendige prediking wel in.63 In een preek in augustus 1685 stelde hij voorts dat predikanten begeesterd op de kansel moesten staan om de gemeente te overtuigen. De gelovigen, zo meende Isaac, ‘volgen voor het merendeel na, en voorbeelden maken op hen [dus] veel indruk. Als we in hun ogen zeer overtuigd lijken van hetgeen we hun verkondigen, dan overtuigen we hen ook, maar als ze daar niet van overtuigd zijn, dan is het zeker dat we hen ontmoedigen’.64

Isaac hanteerde in ieder geval de heldere structuur die zijn vader bepleitte, en volgde diens advies op om in een vreemde kerk religieuze controverse te vermijden. De veiligste keuze was het uitleggen van een algemeen aanvaarde leerstelling, zo stelde Jean in zijn traktaat.65 Als onderwerp voor zijn eerste preek, die hij reeds in 1678 had gehouden in Clermont-en-Beauvaisis, en in maart 1683 opnieuw uitsprak in Den Haag, koos Isaac daarom de vergeving van zonden door Jezus Christus.66 Tijdens de avondmaalspreek in april preekte hij vervolgens over Openbaring 1:5-6 (‘Hem die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed, en die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters Gods’) om de gelovigen te herinneren aan het heilige verbond dat God door middel van Zijn zoon met hen had gesloten.67 In dergelijke preken legde Isaac kortom de kern van het christelijk geloof uit: omdat de mens zondigt, treft God hem met Zijn toorn, maar wanneer de gelovigen berouw tonen en vergiffenis vragen via Christus, dan kan God genadig zijn en verlossing schenken.

Wat de preken echter bijzonder maakte, is dat Isaac regelmatig verwees naar het lot van de hugenoten en zich ook direct tot de vluchtelingen in zijn gemeente wendde. Hier volgde hij opnieuw de richtlijnen van zijn vader: Jean Claude maande predikanten om hun preken af te stemmen op uitzonderlijke tijdsomstandigheden, waartoe hij onder meer tijden van grote ellende rekende.68 In zijn preken veroordeelde Isaac daarom de nouveaux convertis, de hugenoten die in Frankrijk waren gebleven en zich hadden bekeerd tot het katholicisme. Als een gewiekst retoricus plaatste hij ze in heldere categorieën. In augustus 1685 bijvoorbeeld maakte hij onderscheid tussen hen die hun geloof hadden afgezworen bij de minste tekenen van vervolging, hen die weigerden partij te kiezen – Gods belofte van verlossing was aantrekkelijk, maar dat ze daarvoor eerst ellende moesten doorstaan was onbegrijpelijk – en hen die na lezing van de bijbel stelden dat God geenszins verlangde dat ze voor hun geloof moesten lijden.69 Daartegenover plaatste Isaac een vierde, alternatieve categorie: hugenoten die hadden geweigerd zich te bekeren, en in plaats daarvan voor ballingschap hadden gekozen.

Isaacs vernietigende oordeel over de nouveaux convertis ging dus hand in hand met lof voor de hugenoten onder zijn gehoor, omdat ze vervolging hadden doorstaan en ballingschap hadden verkozen boven bekering. Niet zonder reden preekte hij verschillende keren uit de nieuwtestamentische brieven van Paulus aan de eerste christengemeenschappen, die vanwege hun geloof vervolgd werden. De boodschap van Paulus was ook die van Isaac: het lijden lijkt uitzichtloos, maar is juist een teken van Gods uitverkiezing. Dat klonk vreemd, gaf Isaac toe tijdens een preek in 1684, want waarom zou God zijn uitverkoren volk laten lijden? Het antwoord was echter simpel: God stelde de gelovigen op de proef, omdat hij wist dat alleen de ware gelovigen standvastig zouden blijven, precies zoals de hugenoten die inmiddels hun weg naar de Republiek hadden gevonden. Juist omdat ze voor ballingschap hadden gekozen in plaats van bekering, konden ze verzekerd zijn van Gods uitverkiezing.70 In de woorden van Isaac,

Het belijden van het Evangelie brengt vaak ballingschap, armoede, slavernij en de dood met zich mee. Op het eerste gezicht lijken dit kwade zaken, maar in werkelijkheid zijn het weldaden. Ballingschap maakt dat de gelovigen de wereld als een vreemd en vijandig land beschouwen, waarin God […] verlangt dat ze slechts passanten zijn. Het brengt hen ertoe een beter vaderland te zoeken, namelijk de hemel, en om zich te begeven naar een spiritueel Kanaän.71

Isaac maakte in zijn preken kortom een scherpe tegenstelling tussen ware gelovigen aan de ene kant en de verdoemden aan de andere kant, om zo de hugenoten in Den Haag een krachtige identiteit in ballingschap te verschaffen. Zijn boodschap was er een van hoop en noodzaak: noodzaak, omdat de vluchtelingen wilden horen dat ze er juist aan hadden gedaan have en goed achter te laten; hoop, omdat ze wilden horen dat God hen uiteindelijk zou verlossen, en dat terugkeer naar Frankrijk geen utopisch verlangen was.

Het lijkt erop dat preken die Isaac bij tijd en wijle hield in de Waalse kerk van Den Haag de balans uiteindelijk in zijn voordeel deden doorslaan. Vermoedelijk lag dat vooral aan zijn inhoudelijke boodschap: Isaac was in staat de calvinistische leer helder uit te leggen, maar wist ook de precaire situatie van de hugenoten in zijn preken te betrekken en de vluchtelingen te troosten. Halverwege 1684 reageerde Jean Claude verheugd op het nieuws dat de preken van zijn zoon in de smaak vielen bij de Waalse gemeente, en in januari 1685 vernam hij dat ‘la voix publique’ geheel voor Isaac was.72 Ook het officiële rekest dat het Waalse consistorie in april 1685 richtte tot de Staten van Holland getuigde van Isaacs capaciteiten: de predikanten Desmarets en Carré motiveerden het beroep met de vaststelling dat hij ‘tot goede stigtinge enermaele gepredickt’ had.73

Wat kunnen we uit deze casestudy naar de loopbaan van Jean en Isaac Claude concluderen over de carrièrekansen in de Republiek voor hugenootse predikanten in het algemeen, en die van Jean en Isaac Claude in het bijzonder? Alhoewel de predikanten een hoge opleiding hadden genoten aan de protestantse academies in Frankrijk, de Waalse kerken in de Republiek na de Revocatie dringend behoefte hadden aan predikanten, en de Nederlandse overheid financiële ondersteuning bood, was de situatie lang niet voor alle predikanten rooskleurig. Vooral het overschot aan gevluchte predikers en de grenzen aan de barmhartigheid van de Nederlandse bestuurders speelden hen parten. De optimistische gedachte van diverse historici dat hugenoten makkelijk een baan in de Republiek vonden, moet voor deze groep migranten dus worden bijgesteld.

Anderzijds lagen er wel degelijk kansen voor de Franse predikanten. Voor een groot aantal onder hen bleek de arbeidsmarkt voor predikanten in de vroegmoderne Republiek voldoende open om een nieuwe positie te vinden. Franse predikanten die gebruikmaakten van hun reputatie, connecties en theologisch-politieke ideeën – en waarschijnlijk in die volgorde – slaagden er uiteindelijk in een nieuwe kansel te vinden. Bovendien waren er alternatieven voor het voltijds predikantschap: Franse predikanten bleken ook succesvol als hofpredikant en traden geregeld in dienst van het Staatse leger of van ambassadeurs. Kortom, de kansen voor buitenstaanders op de arbeidsmarkt van de vroegmoderne Republiek waren zeker aanwezig, al tonen de carrières van Jean en Isaac Claude aan dat men ze wel moest grijpen.