Negotiating Differences. Word, Image and Religion in the Dutch Republic is een ambitieus boek dat twee eeuwen theorie en praktijk van de geïllustreerde geloofsliteratuur beslaat. Els Stronks laat in de rijk geïllustreerde studie zien welke rol het beeld speelde in religieuze literatuur uit de zeventiende en achtiende eeuw en in contemporaine debatten onder en tussen theologen, literatoren, uitgevers en kunstenaars. Hiermee beoogt ze een bijdrage te leveren aan het debat over religieuze tolerantie in de Republiek: welke mogelijkheden en beperkingen bestonden er voor verschillende denominaties bij het gebruiken van het beeld, waarmee protestanten zo’n problematische relatie hadden en dat voor katholieken zo essentieel was?

Na een inleidend eerste deel worden de bevindingen gepresenteerd in twee chronologisch geordende delen met veelzeggende titels: ‘Boundaries’ en ‘Transformations’. In de periode 1600–1678 domineerden door gereformeerden gestelde begrenzingen, in de periode 1678–1795 veranderde de rol van het beeld en namen de mogelijkheden voor alle denominaties toe.

Tijdens de periode van restricties waren zowel protestanten als katholieken over het algemeen voorzichtig met beeldgebruik. Het beeld speelde desalniettemin een rol, en ging dat ook steeds nadrukkelijker doen. Stronks onderscheidt drie perioden waarin de mogelijkheden lijken toe te nemen. Aan het begin van de zeventiende eeuw (hoofdstuk 3, 1600–1630) werden katholieke, geïllustreerde teksten vooral in de Zuidelijke Nederlanden geproduceerd en ontwikkelde men in de Noordelijke Nederlanden een protestantse traditie van geïllustreerde geloofsliteratuur, waarin het beeld een kleine rol speelde als letterlijke verbeelding van de Bijbel. Vanaf de jaren 30 sloegen de verschillende denominaties uiteenlopende wegen in (hoofdstuk 4, 1630–1653). De gereformeerden keerden zich tegen het beeld terwijl doopsgezinden, remonstranten en katholieken een eigen identiteit begonnen te vormen waarin afbeeldingen juist wel een rol speelden. Uiteindelijk konden doopsgezinden en katholieken religieuze embleemboeken produceren die volledig in de Zuid-Nederlandse traditie stonden en gingen gereformeerden zich onderdelen van de katholieke iconografie toe-eigenen (hoofdstuk 5, 1653–1678).

De veranderde rol van het beeld tijdens de achttiende eeuw wordt in het deel ‘Transformations’ in verband gebracht met de Verlichting. Rond 1700 (hoofdstuk 6, 1678–1725) werden de eerste veranderingen zichtbaar: het beeld werd belangrijker in religieuze literatuur, ook die uit protestantse kring, en er kwam nauwelijks meer kritiek op. Halverwege de achttiende eeuw hadden de protestanten (van verschillende denominaties) de katholieke beeldcultuur volledig geannexeerd. Geloofsliteratuur was onder invloed van de Verlichting meer gericht op sociale instructie dan op confessionele of theologische thema’s. Katholieken ontwikkelden een nieuwe, eigen identiteit – los van de Zuid-Nederlandse voorbeelden en protestantse normen.

Voor deze weergave van de ontwikkelingen in de geïllustreerde geloofsliteratuur is een enorme hoeveelheid tekst en beeld bestudeerd, maar het ambitieuze van Stronks’ studie zit ook in de vraagstelling zoals die in het eerste deel van het boek geponeerd wordt. De centrale vraag – wat zegt de productie van geïllustreerde geloofsliteratuur over tolerantie en confessioneel samenleven in de Republiek? – maakt deel uit van een internationaal cultuurhistorisch debat. Om zo’n vraag te kunnen beantwoorden moet je van vele markten thuis zijn: literaire ontwikkelingen moeten in verband gebracht worden met uiteenlopende actoren (drukkers, auteurs, lezers, religieuze gemeenschappen), motieven (ideologisch en commercieel), en contexten (religieus, politiek, cultureel en sociaal) en voortdurend moet het internationale debat en het internationale kader in het oog gehouden worden. Het lijkt onmogelijk al deze ballen tegelijk in de lucht te houden en in de epiloog stelt Stronks zich dan ook bescheiden op.

Over de omgang met de historische context schrijft ze: ‘[An] issue waiting to be addressed is the question of whether the literary constellations analyzed in this book reflect a broader cultural and even political trend.’ (p. 302) Inderdaad geeft haar studie uiteindelijk geen antwoord op de vraag hoe de mogelijkheden en beperkingen voor auteurs en uitgevers van geloofsliteratuur zich verhielden tot religieuze tolerantie en confessionele existentie in het algemeen. Ze doet hier in het boek desalniettemin uitspraken over. Zo constateert ze bijvoorbeeld dat de bereidheid literaire genres van andere denominaties te annexeren aan het eind van de zeventiende eeuw de algemene aanname tegenspreekt dat anti-katholicisme in deze periode toenam (p. 269). Zijn deze conclusies gerechtvaardigd? Hoe verhouden die literaire ontwikkelingen zich tot wat op andere gebieden gebeurde? Betekent de toename van toe-eigening automatisch dat het anti-katholicisme niet kan zijn toegenomen?

Inleiding en titel van het boek lijken wat dit betreft meer te beloven dan wordt waargemaakt. Negotiating Differences levert een bijdrage aan de internationale, cultuurhistorische vraag, maar geeft daarop geen antwoord. Welke rol speelde religieuze literatuur nu bij het onderhandelen over mogelijkheden en beperkingen voor verschillende religieuze denominaties? Reageerde de literaire omgang met het beeld alleen maar, of speelde deze, zoals in de inleiding verondersteld wordt (p. 9), ook een sturende rol? Stronks wijst af en toe op politiek-religieuze ontwikkelingen die samen zouden kunnen hangen met haar bevindingen, zoals de strijd tussen remonstranten en contraremonstranten in de eerste decennia van de zeventiende eeuw en de Vrede van Munster in 1648, maar laat de volgende stap – de vraag hoe de bevindingen samenhangen met andere ontwikkelingen – aan anderen over.

Daar staat tegenover dat één context wel uitgewerkt wordt: de literaire context. Dit is blijkens de inleiding een bewuste keuze, en wat mij betreft een goede. De bestudeerde werken worden beschouwd als onderdeel van de literaire cultuur in de Republiek en de verkregen inzichten worden geconfronteerd met literaire ontwikkelingen in het algemeen. Hoe waardevol dat is blijkt bijvoorbeeld bij de bespreking van de vroege emblematiek in hoofdstuk 3, die in wisselwerking stond met geloofskwesties en zo de religieuze emblematiek mede heeft vormgegeven. Door het centraal stellen van één context, namelijk die waarin Stronks als literatuurhistoricus het meest thuis is, is diepgang gewaarborgd.

Dit wil overigens niet zeggen dat Stronks niet over de grenzen van haar eigen discipline heen kijkt. Waar de vraag wat betreft het cultuurhistorische aspect wellicht ambitieuzer is dan de studie kan waarmaken, is Stronks in het voornemen een internationale studie te schrijven voor de volle honderd procent geslaagd. Zowel het internationale debat over religieuze tolerantie in de Republiek als het internationale kader waarbinnen de Nederlandse geïllustreerde geloofsliteratuur tot stand kwam, spelen een natuurlijke rol. Dat blijkt al bij de vraagstelling in de inleiding, die voortkomt uit verbazing over het feit dat geïllustreerde geloofsliteratuur in de als relatief tolerant beschouwde Republiek een veel heter hangijzer lijkt te zijn geweest dan in andere landen. Stronks blijft steeds naar het buitenland kijken. In de eerste plaats naar het nabije buitenland dat in neerlandistische studies zo vaak over het hoofd gezien wordt – het Zuiden –, in de tweede plaats ook naar andere landen, die in de analyses steeds aan de orde komen als blijkt dat er sprake is van beïnvloeding of juist van opvallende afwijkingen. Een voorbeeld is de bespreking van Hulsius’ Emblemata Sacra (pp. 117–129). Het werk van Hulsius, dat opgedragen werd aan de Nederlandse kerk in Londen, maakte gebruik van Duitse afbeeldingen en Franse versieringen,verscheen bij een Duitse uitgever. Andere representatieve voorbeelden zijn de bespreking van de vertaling van Hayward, wiens boek in Engeland anders en rijker geïllustreerd was (p. 140); of Jan Luykens vernieuwingen in de embleemliteratuur die in verband gebracht worden met het Duitse piëtisme, het Engelse puritanisme, het Nederlandse anabaptisme en de Zuid-Nederlandse embleemtradities (p. 233).

Negotiating Differences is een diepgravende studie over twee eeuwen geïllustreerde geloofsliteratuur die bovendien laat zien hoe Nederlandse literatuur een rol kan spelen in internationaal onderzoek.