In haar meest recente boek analyseert Judith Pollmann welke invloed de Opstand heeft gehad op de katholieke cultuur die tot stand kwam in de zuidelijke of Spaanse Nederlanden, een tot nu toe vrijwel onbehandeld onderwerp. Dit krijgt gestalte door het bestuderen van twee fenomenen: de terughoudende reactie op de reformatie door katholieken in de jaren 1560 en 1570, en de katholieke wederopluiking na 1585. Pollmann begint door op overtuigende wijze te argumenteren dat de reactie van Nederlandse katholieken niet afgedaan kan worden door te wijzen op de (veronderstelde) lauwheid van hun geloof, een idee dat terug te vinden is in de werken van Jacques Toussaert en, bekender, Jean Delumeau. Integendeel, door de veelzijdigheid van het prereformatorische katholicisme was er voor ieder wat wils, waardoor de grote meerderheid van de bevolking betrokken was bij het geloof.

Er was echter wel sprake van een ‘veranderend religieus klimaat’, waarbij traditionele vormen van geloof onder druk kwamen te staan. Het feit dat de hervormers vanuit hun midden kwamen, zich christenen noemden, en zich grosso modo beriepen op dezelfde bronnen en christelijke normen en waarden, maakte het moeilijk voor de leken (die niet met de kerk wilden breken) om zich teweer te stellen tegen deze hervormers. Daarnaast zag de katholieke clerus geen rol weggelegd voor leken in de verdediging van het katholicisme: staat en kerk zorgden voor de verdediging van het geloof en leken dienden zich primair te richten op het verbeteren van hun eigen levenswandel. Dit tezamen zorgde voor de gesignaleerde terughoudendheid.

Het herstel van het katholicisme na 1585, de val van Antwerpen, resulteerde uit de veranderde de houding van de clerus ten opzichte van de leken. Door ze te wapenen met boeken en traktaten, geschreven in de spreektaal en gericht op het onderuit halen van protestantse argumenten, konden ze ingezet worden voor de verdediging van het ‘ware geloof’. Het was echter niet genoeg om leken simpelweg van genoeg ammunitie te voorzien; wat nog belangrijker was, aldus Pollmann, was het engageren van gelovigen door ze een actieve rol te geven binnen de kerk. Autoriteit moest op overtuigende wijze gecommuniceerd worden: wat er bijvoorbeeld wel en niet van de leken werd verwacht en hoe hun (nieuwe) rol zich verhield ten opzichte van de rol van de priester.

De terugkeer van de gevluchte katholieken die door de voortwoedende opstand in de Nederlanden hun heil elders gezocht hadden, was ook van grote invloed. Geradicaliseerd, net zoals hun protestantse tegenhangers in de zogenaamde ‘stranger churches’, ging deze groep de kern van een katholieke elite vormen die, in samenwerking met de clerus, er in slaagde om de leken te mobiliseren (zoals bijvoorbeeld zichtbaar is in de ledenaantallen van de sodaliteiten). Als gevolg hiervan gingen leken zich een onderdeel van een groter katholiek geheel voelen. Dit alles natuurlijk onder de bezielende leiding van de aartshertogen, die door middel van uitgebreide patronage en het cultiveren van hun eigen katholieke identiteit een belangrijke bijdrage leverden aan de totstandkoming van een contragereformeerde katholieke cultuur in de Spaanse Nederlanden.

Het boek, met de nadruk op de relatie tussen de katholieke clerus en leken, onderschrijft het idee dat de contrareformatie niet begrepen kan worden door het hanteren van een wat eenzijdige ‘top-down’ benadering die zich met name richtte op de implementatie van de decreten van het Concilie van Trente. Deze benadering was populair onder de traditionele kerkhistorici, maar is de laatste decennia steeds sterker onder druk komen te staan door historici die stellen dat leken – net zomin als leden van de clerus – de gewenste veranderingen van Trente klakkeloos overnamen. Gevoed door concepten als ‘samenwerking’ en ‘onderhandeling’ is na verloop van tijd het accent steeds meer verschoven van leken die hervormingspogingen van de clerus trachtten te weerstaan, naar de dynamische relatie tussen deze twee groepen (het boek Faith on the Margins van Charles H. Parker is hier een uitstekend voorbeeld van). De belangrijkste bronnen die centraal staan in Pollmanns studie zijn dagboeken en kronieken geschreven door leken en leden van de clerus. Dit materiaal sluit goed aan bij de beschreven verandering van perspectief en wordt door de auteur uitstekend gebruikt om een levendig beeld te schetsen van de ervaringen van katholieken, die leefden in deze roerige tijden. Interessant zijn de beschreven reacties op de steeds meer uiteenlopende cultuur in de noordelijke en de zuidelijke Nederlanden van terugkerende vluchtelingen en/of bezoekers die hun kans schoon zagen tijdens het Twaalfjarig Bestand.

Deze studie roept ook een aantal vragen op. Hoewel de auteur ruiterlijk erkent dat er nog veel meer onderzoek gedaan moet worden naar de katholieke vluchtelingen, nemen deze toch een vrij belangrijke plaats in haar boek in. Wie waren deze vluchtelingen en wie keerden precies terug? Welke maatschappelijke positie bekleedden ze voorafgaand aan hun vlucht en na hun terugkeer en in welke mate droeg dit bij aan hun rol in de wederopleving van het katholicisme? Tevens wordt er (vrij terloops) vermeld dat het geloof van de katholieken in het noorden ‘vaak zeer traditioneel was’ (p. 188). Zeker, de katholieken daar ontbeerden een kerkelijke infrastructuur, werden allesbehalve gesteund door de staat en genoten niet de vrijheid van publieke geloofsuitingen (die zo belangrijk voor het ‘barokke’ katholicisme waren). In de Republiek waren leken en de clerus echter gedwongen samen te werken. Bovendien waren veel priesters opgeleid in het buitenland en geschoeid op de contrareformatorische leest. Zodoende zou gesteld kunnen worden dat twee bronnen van katholieke vernieuwing ook in de Republiek aanwezig waren. Hoe ontwikkelde het katholicisme zich daar? Welke elementen van het geloof bleven traditioneel en welke waren aan verandering onderhevig? De waarde van dit stimulerende boek ligt niet alleen in het oproepen van deze (en ongetwijfeld vele andere) onderzoeksvragen. Het is goed en helder geschreven, en door de nieuwe invalshoek vormt deze studie een even belangrijke als welkome aanvulling op de geschiedschrijving over de Nederlandse Opstand, alsmede over het katholicisme en de katholieke cultuur in de Spaanse Nederlanden.