De studie van de internationale relaties in de vroegmoderne tijd is lang gedomineerd geweest door een machtsrealistisch paradigma, waarin diplomatie en buitenlands beleid werden gezien als onderdelen van een cynisch machtsspel, dat hoofdzakelijk empirisch werd onderzocht aan de hand van archivale bronnen. Door de cultural turn en de religious turn hebben machtsrealisme en het archief aan invloed ingeboet in de nationale geschiedschrijvingen van de afgelopen decennia. Aan het domein van de internationale betrekkingen zijn deze ontwikkelingen echter grotendeels voorbijgegaan. Hier speelden ideologie en religie tot voor kort nog steeds een ondergeschikte rol.

Dat is in kort bestek het uitgangspunt van Ideology and Foreign Policy in Early Modern Europe (1650–1750). In de inleiding van deze bundel zetten David Onnekink en Gijs Rommelse zich af tegen het machtsrealistische paradigma in de studie naar de vroegmoderne buitenlandse politiek. Vooral in de periode die in dit boek centraal staat zijn ideologische aspecten volgens hen onderbelicht gebleven. De eeuw die ligt tussen de Vrede van Munster en de revolutionaire oorlogen van de achttiende eeuw, staat immers te boek als een periode van de-ideologisering. Onnekink en Rommelse betogen echter dat politieke en economische ideologieën juist in dit tijdvak de internationale politiek gingen domineren. In de opkomst van het mercantilisme, binnenlandse partijpolitiek, de openbaarheid, en nieuwe ideeën over soevereiniteit en de machtsbalans in Europa zien zij bij uitstek aanleiding om de gebaande paden te verlaten. Neem daarbij dat religie ook na de grote religieuze oorlogen van de zestiende en zeventiende eeuw nog geenszins haar politieke rol had verloren, stellen de inleiders, en het is duidelijk dat het oude paradigma aan herziening toe is.

Enkele van bovenstaande uitgangspunten worden expliciet bevraagd in Robert von Friedeburgs antwoord op de inleiding. Von Friedeburg stelt dat de tegenstelling die Onnekink en Rommelse zien tussen realisme en ideologie vals is: de studie naar ideologie is net zo realistisch als de studie naar diplomatie en buitenlandse politiek. Von Friedeburg wijst het idee van een waterscheiding in 1648 af, en plaatst het belang van ideologie in de zeventiende-eeuwse internationale arena in de context van de schaalvergroting en de kapitalisering van oorlog. Verwikkeld in een wapenwedloop waren de ‘New Monarchies’ van Europa gedwongen financieringsmiddelen te vinden die de relaties met de eigen onderdanen onder spanning zetten. Deze spanning, betoogt Von Friedenburg, leidde tot partij- en factievorming, het ontstaan van publiek debat, en deed het belang van ideologie in de buitenlandse politiek sterk toenemen.

Von Friedeburgs betoog biedt geen expliciet en systematisch antwoord op de inleiding, waarvan de impetus vooral historiografisch was. Door een verklaring te bieden voor het toenemende belang van ideologieën in de internationale Europese politiek vanaf de zestiende eeuw leest zijn bijdrage eerder als een welkome aanvulling daarop. Maar hoewel Von Friedeburg dat belang onderschrijft, is zijn analyse in zeker opzicht toch ook een manifestatie van het machtsrealistische paradigma waaraan Onnekink en Rommelse nu juist leken te willen ontsnappen. Von Friedeburg weigert ideologie en cultuur als sturende krachten te zien, en bevestigt het primaat van het dynastieke en economische machtsspel. Door louter daarop te wijzen gaat hij voorbij aan de complexe interactie tussen deze macht en diverse ‘zachte’ ontwikkelingen die evengoed hebben bijgedragen aan de ideologisering van de politiek, zoals het humanisme, de reformatie en de mediarevolutie van de zestiende eeuw. Het is jammer dat de principiële discussie die hier opdoemt impliciet blijft en niet verder gevoerd wordt.

Gezien de achtergrond van de redacteurs van deze bundel is het niet verwonderlijk dat de aandacht in de casushoofdstukken nadrukkelijk uitgaat naar Engeland en de Nederlandse Republiek. Maar liefst tien van de twaalf bijdragen richten zich op deze twee landen. Zo gaan Steve Pincus en Gary Evans beiden in op de implicaties die de ideologische partijstrijd tussen Tories en Whigs had voor de Britse buitenlandse politiek. Pincus doet dat door de lens van Robert Molesworths uiterst populaire pamflet Account of Denmark (1693). Molesworth zorgde hiermee in heel Europa voor ophef, mede omdat hij de confessionele kijk op de Europese oorlogsvoering verwierp en zijn pijlen op het absolutisme richtte. Evans onderzoekt hoe het buitenlandse beleid van Karel II en Willem III door een ideologische bril werd bezien in de achttiende-eeuwse Britse geschiedschrijving.

Stadhouder-koning Willem III, de verpersoonlijking van de Engels-Nederlandse as in deze periode, figureert prominent in maar liefst zes hoofdstukken. Het interessantste daarvan is Henk van Nierops hoofdstuk over de nieuwsprenten van Romeyn de Hooghe. Van Nierop verkent de complexe relaties tussen het werk van de individuele kunstenaar, politieke propaganda en ideologie. Hoewel De Hooghe gedurende zijn lange en productieve carrière geen geringe bijdrage leverde aan de positieve beeldvorming rond de oorlogen van Willem III, moet hij volgens Van Nierop niet onomwonden als diens propagandist worden gezien. De Hooghe werkte niet in opdracht van Willem III, en werd bovendien maar matig door hem beloond. Toch ziet Van Nierop hem niet als een ideologisch gedreven kunstenaar. ‘The relation between ideology and art is always mediated’, stelt hij terecht, en hij suggereert dat De Hooghes ambitie wel eens meer door markt en carrière zou kunnen zijn gemotiveerd dan door zijn Orangisme. Zo eindigt Van Nierop met een realistische noot die doet denken aan Von Friedeburg: ideologie is weliswaar het bestuderen waard, maar uiteindelijk draait het natuurlijk wel om de centen. De vraag is of Van Nierops biografische insteek niet op deze conclusie anticipeert.

Het grote nadeel van de preoccupatie met het zeevarende, Protestantse en door partijstrijd gedomineerde noordwestelijke hoekje van Europa is natuurlijk dat het beeld dat hierdoor ontstaat wel erg eenzijdig is. Frankrijk komt slechts in één bijdrage aan bod, het Heilige Roomse Rijk komt in het geheel niet voor. Dat is, zeker in het licht van Von Friedeburgs pleidooi voor het belang van de grote vorstenhuizen, een onmiskenbaar gemis. Tegelijkertijd maakt al die aandacht voor de Noordzeelanden dit boek tot een waar feest voor mensen die zich met de bloeiende Anglo-Dutch Studies bezighouden. Met name voor de periode 1688–1702 biedt het een rijkgeschakeerd beeld. Moge de rest van Europa volgen.