Sinds 1993 bouwt de werkgroep Adelsgeschiedenis gestaag aan een klein maar belangwekkend corpus van gedegen onderzoek naar de adel in de Nederlanden. Virtus, het bescheiden begonnen bulletin van de werkgroep, is in het eerste decennium van deze eeuw uitgegroeid tot een volwaardig jaarboek, dat zich niet beperkt tot adelsgeschiedenis in Nederland, maar nadrukkelijk ook over de grenzen kijkt. Daarnaast geeft de stichting sinds 2001 de reeks Adelsgeschiedenis uit, waarvan inmiddels alweer acht delen verschenen zijn. Een aantal van deze delen heeft een nadrukkelijk regionale inslag: het eerste deel in de reeks was Antheun Janse’s boek over de Hollandse ridderschap in de late middeleeuwen, waarmee de Hollandse adel tot 1650 inmiddels behoorlijk in kaart is gebracht, en recent kwam ook Arie van Steensels proefschrift over de Zeeuwse adel in de late middeleeuwen uit. De uiterst verzorgde en van fraaie kleurenillustraties voorziene handelseditie van Conrad Gietmans proefschrift, waarin de Oost-Nederlandse adel in de tweede helft van de zestiende en de zeventiende eeuw centraal staat, is het zevende deel in de reeks.

Waar eerdere onderzoekers gebruik maakten van de prosopografische methode, om zo de adel als stand in kaart te brengen, stelt Gietman in zijn studie het begrip eer centraal, waardoor hij niet gebonden is aan een afgebakende onderzoeksgroep – zoals Janse die zich vooral op de leden van de ridderschap richtte – maar gebruik kan maken van alle kwalitatieve bronnen – stambomen, familiekronieken, brieven, wapenboeken en vriendenboeken – nagelaten door de Oost-Nederlandse adel. In zijn studie passeren dan ook niet alleen riddermatige edelen de revue, maar ook katholieke edelen, relatief onbekende landjonkers, de drostenfamilies en de semi-onafhankelijke potentaatjes van het graafschap Bergh en de heerlijkheden Almelo en Borculo. Hoe verschillend ook in rang en rijkdom, macht en status, voor al deze edelen geldt een vergelijkbaar zelfbeeld: de eer is het wezen van adeldom, de sleutel tot het denken van al deze adellijke geslachten. Het verwerven en behouden van eer was waar het om draaide. Gietman onderzoekt wat het begrip ‘eer’ betekende volgens de Oost-Nederlandse adel, en hoe werd gepoogd die eer – persoonlijk, familiaal en als stand – te handhaven en te vermeerderen. In vier hoofdstukken wordt achtereenvolgens het eerbegrip van de Oost-Nederlandse adel behandeld, het belang van huis en familie, het gebruik van eergeweld, en tenslotte het belang van het jachtrecht.

Eer, zo blijkt overtuigend uit Gietmans boek, lag de adel in de mond bestorven. Eer bepaalde hun hele doen en laten: het ging voor rijkdom en goed, hing af van hoe men er bij liep en zich gedroeg. Het was niet voldoende van adel te zijn, men moest er ook naar leven, de stand ophouden. Daartoe behoorde ook het recht van de jacht, een jaloers bewaakt adellijk voorrecht waarover de Oost-Nederlandse adel generaties lang bekvechtte met de regionale stadsbestuurders, die het voorrecht ook opeisten. Jachtbuit was een prestigieuze gift van grote symbolische waarde, men kon zo zijn waardering voor niet-adellijke tijdgenoten laten blijken, en tegelijkertijd de eigen adeldom benadrukken.

Uiteraard was de persoonlijke eer van een edelman hecht verbonden met die van het geslacht waartoe hij behoorde. Daden uit het verre, voorouderlijke, verleden konden een edelman aanzien of schande brengen, en andersom verloor een geslacht met een grote conduitestaat aan eer als een nakomeling zich niet eervol gedroeg. Adellijke vrouwen die bijvoorbeeld beneden hun stand huwden werden uitgestoten, en hun nageslacht werd doodgezwegen in de familiekronieken. Een edelvrouw die geen standsgelijk huwelijk kon sluiten, belandde daarom vaak in een klooster of werd, na de reformatie, met een uitkering in de vorm van een prebende onderhouden. Ook voor de mannen was een goed huwelijk van groot belang, want een verbintenis met een ander geslacht van grote eer vergrootte de eigen familie-eer, en straalde ook af op het verleden: hoe vooraanstaander de voorouders van de bruid, hoe hoger het aanzien ook van het eigen voorgeslacht. De rol van het verleden werd overigens geleidelijk steeds belangrijker: in de zeventiende eeuw nam de belangstelling voor genealogie aanzienlijk toe, en ontstond een ware obsessie met voorouderlijke kwartieren: hoe meer adellijke kwartieren, hoe meer aanzien en eer. Op een gegeven moment werd het hebben van minstens acht adellijke kwartieren ook een voorwaarde voor het kunnen plaats nemen in de ridderschap.

Omdat eer zo belangrijk was, leidde een gekwetst eergevoel niet zelden tot geweld: aangetaste eer moest meteen worden vergolden. Met name in de eerste door Gietman bestudeerde honderd jaar nam de Oost-Nederlandse adel veelvuldig de toevlucht tot geweld om het geschonden aanzien te herstellen. Lang niet al het geweld was eervol: het kwam wel voor dat men in het kader van een vete overging tot een sluipmoord. Het eergeweld werd aangewakkerd door het oorlogsgeweld en de daarmee gepaard gaande wetteloosheid in de late zestiende eeuw, en werd geleidelijk aan minder in de zeventiende eeuw. In de zeventiende eeuw begonnen kerk en humanisten met een beschavingsoffensief, waarbij de nadruk niet langer alleen maar lag op eergevoel: deugdbesef werd nu ook belangrijk, en naast het traditionele onderwijs in het krijgsbedrijf werd van jonge edelen verwacht dat ze een goede intellectuele opvoeding genoten, gelijk aan jonge burgers van goede huize, met grand tour, die in een enkel geval zelfs leidde naar Jeruzalem.

Republiek van adel is een belangrijke bijdrage aan het onderzoek naar de Nederlandse adel, mede door de nadruk op het overgrote belang van eer en het handhaven daarvan voor de vroegmoderne adel. Historici van de vroegmoderne tijd zijn steeds meer doordrongen van het belang daarvan voor de vroegmoderne samenleving als geheel: niet alleen de adel, maar ook de burgerlijke elite kenmerkte zich overigens door een sterk eergevoel, waarbij eer en krediet nauw met elkaar waren verbonden, zoals bijvoorbeeld Luuc Kooijmans heeft laten zien in zijn Vriendschap en de kunst van het overleven. Als zodanig stijgt dit boek daarmee ook boven de adelsgeschiedenis uit, en is het ook van belang voor het onderzoek naar de mentaliteit van andere sociale klassen in de Republiek.