In zijn proefschrift presenteert Toon Van Hal, classicus met een Leuvense opleiding, volgens een helder en herhaald schema, de opvattingen over taalverandering die hij uit de geschriften van enkele laathumanistische geleerden uit de Lage Landen haalde. Hij stelt de lezer tien geleerden uit de tweede helft van de zestiende en de eerste helft van de zeventiende eeuw uitgebreid voor; vele anderen komen ter sprake in relatie tot deze centrale tien. Al hun taalopvattingen brengt Van Hal samen in een uitgebreide synthese, waarin hij ze ook internationaal situeert. Die synthese maakt dit boek, samen met het hoofdstuk over de stand van zaken in het onderzoek naar de vroegmoderne taalkunde, de index en de rijkdom aan secundaire literatuur, tot een nuttig naslagwerk voor de historisch taalkundige. Opdat die laatsten de besproken ideeën zouden herkennen, bespreekt Van Hal ze als vergelijkend- en historisch-taalkundig onderzoek. Hierin schuilt echter, zoals Van Hal zelf ook schrijft, het gevaar van het anachronisme.

De tien centrale geleerden zijn de beruchte Becanus, de grootheden J.J. Scaliger, Lipsius en Grotius, en verder Mylius, Schrieckius, Cluverius, Laetius, Elichmann, Salmasius en Van Boxhorn. Voor elk van hen schetst de auteur een portret, zijn netwerk en zijn taalkundige ideeën, volgens een telkens terugkerend ‘interpretatierooster’. Het portret bevat korte bio- en bibliografische gegevens. Het netwerk wordt voorgesteld aan de hand van geleerdenbrieven en drukwerk, en zowel mede- als tegenstanders in het taaldebat komen aan bod. De meeste aandacht gaat uit naar de taalkundige ideeën, die Van Hal geanalyseerd heeft in de primaire, meestal Latijnse bronnen. Hier schept het interpretatierooster onmiskenbaar coherentie in het altijd over uiteenlopende geschriften verspreide denken van elke auteur: het maakt diens verantwoording voor zijn taalinteresse, de gebruikte verklarende modellen en de gehanteerde argumenten herkenbaar.

Zo biedt het herhaalde interpretatierooster de lezer inzicht in de opbouw en het circuleren van het historische denken over taal, met kwesties als de veranderlijkheid van volkstalen of taalsterfte, en met vraagstukken als dat van de afstamming van het Frans uit het Grieks, of van het Duits uit het Perzisch, de historische betekenis van de verhalen van Babel en Pinksteren, het sacrale karakter van het Hebreeuws, of de gelijkstelling van Goten met Geten. De waarde van deze gemengd persoons-, netwerk- en ideeëngerichte benadering wordt bijzonder duidelijk in het hoofdstuk over de Antwerpse arts en stadshistoricus Johannes Goropius Becanus, die stelde dat het Nederlands de oudste en dus meest volmaakte taal is. Van Hals beeld van hem is rijker en gedocumenteerder, dus wellicht correcter, dan de karikatuur die in latere eeuwen is ontstaan en die Van Hal ook kort bespreekt.

Het interpretatierooster heeft echter ook zijn beperkingen. Om te beginnen is er het te korte bestek waarin Van Hal het ‘wetenschappelijke profiel’ van elke denker bespreekt. Het rooster is opgezet om enkel taalkennis te structureren en te polijsten en leidt daarom de aandacht weg van een mogelijk omvattender verband, waarin de relatie van deze taalkennis tot andere kennisdomeinen gelegd zou kunnen worden. De auteur noemt bijvoorbeeld wel Scaligers professoraat in de filosofie, Van Boxhorns politieke bemiddelingen, of Lipsius’ militaire oefeningen op papier, maar altijd zonder de relatie ervan tot hun ‘taalkunde’ te benoemen. Ook de ‘andersoortige studieobjecten, portretten en rariteiten die de studeerkamer opluisterden’ noemt Van Hal enkel in noot (p. 17). Uitgebreider gaat hij in op de ‘theologische’ en ‘nationalistische’ ideeën waarvan de laathumanisten blijk gaven. Maar ook dan noemt Van Hal dat ‘ideologische’ invloeden, alsof ze voortkomen uit denksystemen die buiten het taalkundige denken staan, die er vreemd en zelfs tegengesteld aan zijn. Het interpretatiekader blijkt dus te beperkt om het denken van de besproken figuren in zijn geheel te omvatten. Het is daarom niet geschikt om bijvoorbeeld historisch te verklaren waarom Becanus zelfs ‘betrouwbare en competente getuigen’ (Becanus, vert. Van Hal) inriep om zijn ‘ideologische’ geschiktheid tegenover drie priesters te bewijzen (pp. 85–86).

Het interpretatiekader beperkt Van Hal niet alleen in zijn blik, het biedt hem ook te weinig garanties om moderne wetenschapsopvattingen buiten de interpretatie te houden. Van Hal weet dat gevaar niet altijd te vermijden, in het bijzonder wanneer hij grotere evoluties in het taaldenken schetst. Hij typeert dat denken vóór de moderne taalwetenschap altijd als een dienstbare taalstudie, in het teken van ‘reeds gevestigde disciplines’ (p. 14). Juist omdat zijn kader te weinig ruimte biedt om verklaringen te zoeken in relaties met andere kennisgebieden, ziet hij van de ‘dienstmeid’ (p. 73) enkel de gebreken. Die komen altijd op hetzelfde neer: het laathumanistische taaldenken is nog geen moderne taalkunde, het is slechts een oefening. Wat meer is, Van Hal legt soms de laathumanistische ideeën expliciet naast de lat van hedendaagse kennis. Zo noemt hij een van Scaligers morfologische verklaringen wel ‘intuïtief’, maar toch in overeenstemming met de ‘eigenlijke’ herkomst van het woord en dus ‘voor die tijd bijzonder origineel’ (p. 148). Wat Scaliger van antieke auteurs overnam, waren daarentegen ronduit ‘fouten’ (p. 164). Of in zijn besluit, waar Van Hal stelt dat de laathumanististen ‘nog ver van de ontdekking van de klankwetten’ afstonden, wat hun werken tot niet meer dan ‘inventarisatiepogingen’ maakt (pp. 455–456). Bovendien doet Van Hal vermoeden dat er een normale ontwikkeling van wetenschap bestaat, waar bijvoorbeeld de Sanskrietstudies van afweken: hun ontwikkeling was ‘erg grillig, omdat belangrijk werk onuitgegeven bleef’ (p. 62). De normale weg, kennelijk met edities van de belangrijkste teksten, is de weg naar de moderne historisch-vergelijkende taalkunde, waarvan ‘omstreeks 1820’ de zaken ‘in de juiste plooi’ vielen (p. 478). De taalkundige historiograaf beperkt zich hier tot het aanduiden van verschillen tussen nu en toen, tot een schema van voorlopige ‘oefeningen’, ‘experimenten’ en ‘corpusvorming’ tegenover ‘een (nog) niet bestaande discipline’ (p. 475). Op die manier contextualiseert Van Hal de taalkundige dienstbaarheid nauwelijks, hij contrasteert die slechts met de moderne taalkunde – wat een anachronistische werkwijze is.

Van beide hierboven genoemde bezwaren is Van Hal zich overigens bewust. Hij beschrijft vaak, met name in de inleiding en in een laatste ‘legitimatie’ (p. 406), dat hij het taalkundige denken heeft moeten construeren en dat dat een anachronistisch gevaar oplevert. Hij wil dan ook expliciet niet van een ‘naïef Hegeliaans vooruitgangsdenken’ (p. 20) beschuldigd worden en de ‘presentistische klif’ omzeilen door ‘een goede kennis van de tijdsgeest’ (p. 21). Maar desondanks besluit hij dat, hoewel ‘een coördinerende discipline’ rond 1600 afwezig was, ‘feitelijke en conceptuele wetenschappelijke vooruitgang’ in de vroegmoderne taalkunde vast te stellen valt, ook al waren ‘de vroege taalvergelijkende oefeningen door het gebrek aan een zelfstandig disciplinair kader misschien wel des te meer onderhevig aan ideologische manipulatie’ (p. 406). Van Hals moderne ideaalbeeld van een ideologievrije wetenschap en zijn gebruik van een wetenschappelijk vooruitgangsconcept brengen dus alsnog presentistische formuleringen met zich mee en geven zijn boek een anachronistische ondertoon. Want waren de in Moedertalen en taalmoeders besproken taalkundige ideeën groene bonen, dan is Van Hal de barista die er de latere uitkomst, de koffie, al in kan ruiken. Maar hij helpt de bioloog niet om de eigen biotoop van de koffieplant te begrijpen.