Rens Bod, Jaap Maat, Thijs Weststeijn (eds). The Making of the Humanities. I: Early Modern Europe. Amsterdam, AUP, 2010. 400 pp. ISBN 978-90-8964-269-1. € 44,50.

Deze fraai uitgegeven bundel is de fysieke weerslag van een ambitieus project. De redacteuren organiseerden in 2008 in Amsterdam een eerste International Conference on the History of the Humanities, dat inmiddels een tweejaarlijks terugkerende evenement is geworden. De redacteuren stellen dat er sinds de negentiende eeuw wél goed gedocumenteerde geschiedenissen van de natuurwetenschappen zijn verschenen, maar dat de geschiedenis van ‘the making of the humanities’ feitelijk een onbeschreven blad is. Die opmerking is interessant, al roept deze natuurlijk ogenblikkelijk allerhande conceptuele en epistemologische vragen op. In de inleiding stelt Rens Bod terecht nadrukkelijk de vraag ‘What are the humanities’? (p. 7) Deze bundel biedt geen dichtgespijkerde definitie, maar geeft een staalkaart van de onderwerpen die op het eerste congres aan de orde zijn geweest. Dat was grotendeels gewijd aan vroegmoderne ‘zachte’ wetenschappen zoals de humanistische tekstkritiek, taalkunde, retorica en kunsttheorie. De rijk geïllustreerde bundel bevat kwalitatief hoogstaande, soms uitdagende bijdragen. Zo wijst Michiel Leezenberg op de islamitische invloeden op Spinoza en zijn kring, een onderwerp dat inderdaad nadere bestudering verdiend. Floris Cohen schreef een mooie bijdrage ‘Music as Science and as Art’, die demonstreert dat in de vroegmoderne tijd scheiding tussen kunsten en exacte wetenschap nog niet strikt gedefinieerd was. Een soortgelijke aanpak kenmerkt de sectie ‘The Visual Arts as Liberal Arts’ met sterke bijdragen van Ingrid Rowland, Marieke van den Doel en Thijs Weststeijn. De bundel bevat verder nog delen gewijd aan ‘Humanism and Heresy’, ‘Language and Poetics’, ‘Linguistics and Logicians’, ‘Philology and Philosophy’ en de geschiedenis van de historiografie, waarin een keur aan Nederlandse en vooral ook buitenlandse onderzoekers uiteenlopende onderwerpen behandelt, zoals ‘Giordano Bruno and the Metaphor’ (Hillary Gatti) of de opkomst van de bestudering van het IJslands (Már Jóhnsson).

Ondanks de grote reikwijdte en diepgang van de afzonderlijke bijdragen, stelt de bundel als geheel wat teleur, mede omdat de belofte ‘to make a start in investigating the comparative history of the various humanistic disciplines’ (p. 10) niet wordt ingelost. Daarvoor bieden de meeste bijdragen te weinig of geen reflectie op het overkoepelende thema. Dat maakt de lezer alleen maar nieuwsgieriger naar deel II in deze serie, dat staat aangekondigd voor oktober 2012. En dan is er natuurlijk ook nog Bods veelgeprezen De vergeten wetenschappen (2010).

door Eric Jorink

Thomas Paul Bonfiglio. Mother Tongues and Nations. The Invention of the Native Speaker. (Trends in Linguistics. Studies and Monographs, vol. 226.) Berlin/New York, Walter de Gruyter, 2010. 244 pp. ISBN 978-1-934078-25-9. € 89,95.

Bonfiglio’s boek behandelt een belangrijk thema over een indrukwekkende periode: de ontwikkeling van het begrip native speaker van de oudheid tot nu. In zeven hoofdstukken beargumenteert Bonfiglio dat het begrip in de oudheid niet bestond, maar zich vanaf de middeleeuwen heeft ontwikkeld, vooral in samenhang met (proto-)nationalistische ideologieën. Zijn historiserende deconstructie beoogt bij te dragen aan het inzicht dat ‘to employ the designations “native speaker” and “native language” unreflectively is to engage, from the instant of the first perception, in a gesture of othering that operates on an axis of empowerment and dispowerment’ (p. 218). De complexiteit van dit onderwerp noopt tot conceptuele transparantie en duidelijke keuzes aangaande de selectie en benadering van de enorme hoeveelheid bronnen. Bonfiglio biedt die duidelijkheid niet.

Van de vele moeilijkheden kan ik hier slechts een indruk geven. Allereerst werkt de auteur met een kluwen van verwante begrippen zonder duidelijke afbakeningen, wat zijn toch al opake proza (zie het voorbeeld hierboven) niet ten goede komt. Zo blijft het verband tussen kernconcepten als moedertaal, nativity en standaardtaal duister. De auteur lijkt gebruik te maken van deze terminologische flux om zijn werkterrein te verruimen in plaats van te bepalen. Afgaand op wat hij er zelf over zegt, handelt zijn boek o.a. over vooroordelen over taalgebruik, over de metaforiek van de moedertaal, of over etno-linguïstisch nationalisme, wat zeker verwante, maar geenszins identieke thema’s zijn (zie bv. p. 2, 3, 16, 21, 27, 36 en 40). In methodologisch opzicht heerst er onduidelijkheid zowel over het kerncorpus waarop Bonfiglio zijn onderzoek baseert, als over de uitgangspunten van zijn interpretatie. Eén voorbeeld volstaat. In het hoofdstuk over de oudheid merkt Bonfiglio en passant op dat hij het deels baseert op Perseus (p. 36–40). Deze database met antieke teksten is echter veel minder representatief dan de wetenschappelijke Thesaurus Linguae Graecae en de Library of Latin Texts. Perseus is derhalve geen solide basis voor algemene conclusies over de oudheid. Bovendien blijft onduidelijk welke zoektermen Bonfiglio voor zijn corpusonderzoek heeft gebruikt. Heeft hij naast het Griekse glossa bijvoorbeeld ook gezocht op de minder frequente variant glotta? Waarschijnlijk niet, want glotta komt in de TLG al vaker voor dan glossa in Perseus.

Dit zijn slechts enkele wakken in het gladde ijs waarop Bonfiglio zich begeeft. De verwerkelijking van Bonfiglio’s ambitie vergt gefundeerd detailonderzoek dat meer tijd vraagt dan de auteur kennelijk heeft kunnen investeren. Omdat zijn boek uitspraken doet over belangrijke facetten van de Europese cultuurgeschiedenis, is een grondige herbevraging ervan noodzakelijk.

door Han Lamers

Mary Bryan H. Curd. Flemish and Dutch Artists in Early Modern England. Collaboration and Competition 1460–1680. (Visual Culture in Early Modernity.) Farnham, Ashgate, 2010. 256 pp. ISBN 978-0-7546-6712-4. £ 55,00.

Engelse kunstenaars in de vroegmoderne periode gaven Hollandse en Vlaamse migrerende kunstenaars niet vanzelfsprekend een warm welkom. Enkel talent was voor hen dan ook niet voldoende om te kunnen concurreren. De vraag die Curd in haar onderzoek centraal stelt, luidt: welke strategieën moesten zij inzetten om zich staande te houden in hun nieuwe omgeving? Zoals de ondertitel aangeeft, richt Curd zich specifiek op collaboration. Aan de hand van vijf casestudies die verschillende artistieke genres en perioden behandelen, wil zij aantonen dat samenwerking een belangrijke strategie was bij de integratie op de Engelse kunstmarkt.

De eerste case behandelt het manuscript The Pageants (ca. 1483–1493), dat Anne Beauchamp ter nagedachtenis aan haar vader liet maken. Op basis van de tekeningen beargumenteert Curd een intensieve samenwerking tussen Vlaamse miniaturist, assistenten, tussenpersoon, kopiist en opdrachtgever die ontstond onder druk van de groeiende vraag naar geïllustreerde boeken. Hoofdstuk 2 vertelt het verhaal van glasschilder Galyon Hone, werkzaam aan het hof van Henry VIII. Curd beschrijft hoe The Worshipful Company of Glaziers het buitenlandse glasschilders moeilijk maakte hun vak te beoefenen. Dankzij een vernieuwde productiemethode en een werkplek buiten de stad wisten Hone en zijn Nederlandse collegae toch een deel van de Engelse markt te veroveren. Rond 1568 ontvluchtte de tapijtwever Richard Hycke onder druk van het Spaanse geweld Vlaanderen om zich in Engeland te vestigen. In het derde hoofdstuk zet Curd uiteen hoe Hycke samen met de Engelse Sheldon een netwerk van tapijtwevers opzette. Met de nieuwe technieken van het vasteland zou de Engelse tapijtindustrie gestimuleerd worden. Regionaal slaagden Hycke en Sheldon in hun voornemen, maar hun uiteindelijke doel van landelijk succes bleef uit. Met de portretschilder Peter Lely maakt de auteur een sprong naar de tweede helft van de zeventiende eeuw. Lely hanteerde een nieuwe vorm van atelierpraktijk: in zijn atelier werkten ervaren schilders die hij zijn ‘hand’ leerde, om te kunnen voldoen aan de groeiende vraag naar zijn portretten. Tevens werkte hij samen met specialisten zoals de marineschilder Willem van der Velde. De auteur sluit het boek af met een studie naar de graveur Abraham Blooteling die vijf jaar in Engeland verbleef. Dankzij zijn netwerk van zowel Engelse als Nederlandse collegae en opdrachtgevers bleef hij ook na zijn terugkeer naar Amsterdam succesvol mezzotinten produceren voor de Engelse markt.

Curd presenteert aan de hand van deze vijf interessante studies een beeld van een onderbelichte activiteit van Nederlandse kunstenaars in Engeland. Ondanks de overkoepelende introductie waarin een uitgebreid theoretisch kader wordt geschetst en de conclusie waarin onder andere een algemeen standpunt van Engelse kunstenaars ten opzichte van nieuwkomers wordt gegeven, blijven de studies vooral individuele gevallen waarover geen algemene uitspraken kunnen worden gedaan. De inleiding van het boek geeft aan dat het onderzoek zich richt op de kleinere meesters om een context te creëren voor de vele studies die zijn gepubliceerd rondom het ‘Engelse’ werk Van Dyck en Rubens (p. 11). Focus op een kortere periode en (of) één genre zou hier meer diepgang aan hebben kunnen geven. Toch is de publicatie een zeer bruikbare bijdrage aan de kennis van de Engelse kunstmarkt, de theorievorming rond migrerende kunstenaars en de kunstgeschiedenis van tot op heden onderbelichte Hollandse en Vlaamse kunstenaars.

door Marloes Hemmer

A.Th. van Deursen. Bavianen en Slijkgeuzen. Kerk en kerkvolk in de tijd van Maurits en Oldenbarnevelt. Vierde, nageziene en geïllustreerde uitgave. Franeker, Van Wijnen, 2010. 571 pp. ISBN 978-90-519-4391-7. € 69,50.

De eerste grote studie van de voormalige vu-historicus Van Deursen (die in het najaar van 2011 overleed) was Bavianen en Slijkgeuzen. Kerk en kerkvolk in de tijd van Maurits en Oldenbarnevelt. Van Deursen focust in deze studie op de religieuze en politieke twisten tussen remonstranten en contraremonstranten in het gewest Holland in de periode van 1609 tot 1619. Bavianen en Slijkgeuzen biedt een gedetailleerd, genuanceerd en gevarieerd beeld van kerk en kerkvolk in Holland. Deze studie, voor het eerst verschenen in 1974, werd reeds spoedig een ‘klassieker’. In het najaar van 2010 bracht uitgeverij Van Wijnen een vierde druk uit, die met circa 100 kleurenafbeeldingen is geïllustreerd.

Als weinige andere bekende historici wist Van Deursen het leven en de denk- en belevingswereld van de ‘gewone’ man en vrouw te beschrijven en dat op basis van een grote hoeveelheid aan archivale bronnen, vooral kerkenraadsnotulen en classicale acta. Van Deursen heeft met zijn Bavianen en Slijkgeuzen op een aantal punten het bestaande beeld ten aanzien van ‘rekkelijken’ en ‘preciezen’ gecorrigeerd. Zo wees hij erop dat nog heel lang een omvangrijke groep ‘onbeslisten’ of ‘liefhebbers’, zij die de gereformeerde kerkdiensten bezochten maar (nog) niet de stap namen tot het lidmaatschap van deze kerk, aan de rand van de gereformeerde kerk stonden. Ook maakte hij duidelijk dat het onderscheid tussen remonstranten en contraremonstranten vooral een ideologisch karakter droeg en dat sociaal-economische factoren hierbij een minder belangrijke rol speelden dan algemeen werd aangenomen.

De vierde editie van Bavianen en Slijkgeuzen is, op enkele kleine, vooral stilistische wijzigingen na, gelijk aan de vorige edities. Dat betekent dat de na 1974 (het jaar van de eerste druk) verschenen relevante literatuur niet is verwerkt. Ook is het jammer is dat de noten naar het einde van het boek zijn verplaatst. Dat belemmert een kritisch lezen van de hoofdtekst.

De illustraties in deze nieuwe editie van Bavianen en Slijkgeuzen, uitgezocht en van omkaderde bijschriften voorzien door Joke Korteweg, zijn goed gekozen, hoewel de bijschriften niet altijd een wezenlijke toevoeging bieden aan wat in de hoofdtekst ter sprake komt. Het zijn de talrijke kleurenafbeeldingen die deze editie van Bavianen en Slijkgeuzen een meerwaarde geven en die de aanschaf van deze heruitgave alleszins rechtvaardigen.

door S.J. Visser

Peter Fuhring, Barbara Brejon de Lavergnée, Marianne Grivel et al. (red.), Sylvie Aubenas (voorwoord). L’Estampe au Grand Siècle. Etudes offertes à Maxime Préaud. Paris, BnF/Ecole de Chartes, 2010. 612 pp. ISBN 978-2-7177-2476-9/78-2-35723-011-8. € 59,00.

De publicaties van Maxime Préaud, voormalig conservator prenten van de Bibliothèque Nationale in Parijs, betroffen aan alchemie en hekserij gerelateerde afbeeldingen. Deze feestbundel belicht echter de ‘Grand Siècle’ van de grafiek in ruimere zin. Ze toont dat niet alleen het contact met Rome, maar ook wisselwerking met de Lage Landen de dynamiek van de Franse prenttraditie kenmerkte.

Zo ging de opdracht voor een gegraveerd ruiterportret van Lodewijk XIII naar de Zuid-Nederlander Jan van Halbeeck (Philippe Rouillard). De Harlingse graveur Simon Frisius veranderde van werkwijze na confrontatie met Jacques Bellanges idiosyncratische afbeeldingen (Nadine Orenstein). Een Nederlandse zilversmid gaf aanleiding tot een curiosum: een papieren overdruk van een enorm dienblad met scènes uit het leven van Cleopatra, naar geschilderd ontwerp van Bernardo Strozzi (Antony Griffiths). Een kerk in Cahuzaquet in de Pyreneeën bevat nog steeds een altaarstuk gebaseerd op een prent van Egidius Sadeler (Jean-Claude Boyer).

Met name uitgevers opereerden internationaal. De graveurs Jan van Haelbeck, Jacob de Weert en Justus Sadeler werkten voor de Parijse drukker Jean IV Leclerc die ook andere Nederlandse kunstenaars in prent bracht (Severine Lepape). De Amsterdamse uitgever Cornelis Danckerts verspreidde een serie afbeeldingen van Italiaanse acteurs die optraden in Parijs (Sue Welsh Reed). Voor een topografisch boek vroeg Matthaeus Merian om militaire tekeningen aan de Zweedse maarschalk en gouverneur van Litouwen, Erik Dahlbergh. Dahlberg zelf liet de Nederlandse graveurs Willem Swidde, Laurens Scherm en Johannes van Aveele overkomen voor een publicatie over Zweden (Börje Magnusson).

Dahlberg, kunstliefhebber en uomo universale, bezat bovendien etsen van Rembrandt. Diens werk was nog ruimer vertegenwoordigd in de prentencollectie van de Hertog van Aumale, een zoon van Koning Louis-Philippe, die ook andere Nederlanders verzamelde onder wie Adriaen van Ostade, Cornelis Visscher en Adriaen van de Velde (Nicole Garnier-Pelle).

De hofschilder van Lodewijk XIV, Charles le Brun, imiteerde niet alleen Rubens’ olieverfschetsen gewijd aan Alexander de Grote: ook getuigden zijn ambities om zijn werk in prent te brengen van wedijver met de Antwerpse meester (Louis Marchesano). In de koninklijke collecties waren de Lage Landen echter ondervertegenwoordigd, zoals een manuscriptinventaris Tableaux gravés du Roi getuigt (Jean-Gérald Castex). Nederland speelde een grotere rol in de eerste gespecialiseerde prentencollectie, die van Jean Nicolas de Tralage te Parijs. Naast op grote uitgevers als Blaeu, Elzevier en Janssonius deed Tralage een beroep op Pieter van der Aa, Nicolaes II Visscher en Frederik de Wit (Peter Fuhring).

Het meest aansprekende voorbeeld van Frans-Nederlandse uitwisseling is het verblijf van Christiaan Huygens in Parijs. Huygens frequenteerde de prenthandel van Pierre II Mariette waar hij Italiaanse en Franse kunsttraktaten kocht voor zijn broer Constantijn. In de correspondentie tussen de broers verschijnt deze kosmopolitische winkel, genaamd ‘De zuilen van Hercules’, als een ontmoetingsplek voor Europese reizigers (Kristel Smentek).

door Thijs Weststeijn

Leen Huet, Jan Grieten. Nicolaas Rockox 1560-1640. Burgemeester van de Gouden Eeuw. Amsterdam, Meulenhoff/Antwerpen, Manteau, 2010. 409 pp. ISBN 978-90-8542-198-6. € 29,95.

Over de Tachtigjarige Oorlog is al heel wat inkt gevloeid, waarbij men doorgaans de blik richt op de politiek-economische context, de militaire gebeurtenissen of de hoofdrolspelers. Leen Huet en Jan Grieten hebben hun boek opgebouwd rond een boeiende en veelzijdige figuur, Nicolaas Rockox, die als burgemeester (9 jaar) of schepen (28 jaar) van zijn geboortestad Antwerpen van nabij werd geconfronteerd met de gevolgen van het aanslepende conflict voor de Scheldestad en haar bewoners. Rockox werd geboren in 1560, dus enkele jaren voor de beeldenstorm de confrontatie tussen het opstandige Noorden en het Spaanse Zuiden inluidde. Hij overleed in 1640, enkele jaren voor de Vrede van Münster een einde stelde aan de strijd en de scheiding der Nederlanden officieel werd bekrachtigd. Intussen was hij in september 1589 in het huwelijk getreden met Adriana, dochter van de Spaanse koopman Luis Perez, afstammeling van een tot het katholicisme bekeerde jodenfamilie, die zijn vorst herhaaldelijk financieel zou bijstaan, maar ook nicht van Marcos Perez, de leider van de Antwerpse calvinisten, die in het conflict resoluut de kant koos van Willem van Oranje. Rockox speelde niet alleen een voorname rol in het besturen van zijn stad; hij was ook een sociaal bewogen man die niet onverschillig bleef voor de grauwe ellende waarin ontelbare gezinnen werden gedompeld door de sterk beperkte scheepvaart op de Schelde. Bovendien toonde hij een brede interesse voor literatuur, beeldende kunst, geschiedenis en numismatiek. Hij wierp zich op als mecenas voor schrijvers en kunstenaars en onderhield goede contacten met de leidende intellectuelen van zijn stad, maar ook daarbuiten, onder meer dankzij zijn vriendschap met drukker Christoffel Plantijn en zijn opvolgers, schoonzoon Jan en kleinzoon Balthasar Moretus. Hij slaagde erin een mooie bibliotheek, een fraaie kunstcollectie en een rijke verzameling munten te verwerven.

Bij het voorbereiden van hun boek stuitten Huet en Grieten echter op een groot probleem: op zijn studietijd na was Rockox altijd in zijn geboortestad actief geweest en ook zowat zijn hele vriendenkring, evenals de geleerden en kunstenaars waarmee hij in contact stond, woonden en werkten in Antwerpen. Ze konden dus rechtstreeks met elkaar van gedachten wisselen en in tegenstelling tot figuren als een Plantijn, Ortelius, Lipsius en Rubens, die behoorlijk wat correspondentie nalieten, zijn van Rockox nauwelijks brieven bewaard. Beide auteurs waren dus voornamelijk aangewezen op archiefmateriaal en op eventuele vermeldingen door secundaire bronnen, al met al een wat mager uitgangspunt voor een biografie. Ze hebben die leemte echter bijzonder handig opgevangen door het beschikbare materiaal optimaal aan bod te laten komen en hun boek een verrassende structuur te geven, namelijk twee paren van korte hoofdstukken die een zeer uitvoerig middendeel omkaderen. In het eerste hoofdstuk belandt de lezer midden in het verhaal: in 1607 had namelijk een boer in een dorpje aan de Dender een pot met enkele honderden Romeinse munten opgegraven, een vondst die numismaat Rockox natuurlijk bijzonder aansprak. Daarop volgt in een tweede, bondig hoofdstuk een schets van Rockox’ leven. In het derde hoofdstuk, dat zowat de helft van het boek beslaat gaan Huet en Grieten deze eerder beperkte informatie in de ruimere context van Rockox’ tijd plaatsen, waarbij ze een overvloed aan informatie uit secundaire bronnen hebben verwerkt, wat mede dankzij de vlotte stijl, een levendig en intrigerend portret oplevert van Rockox én zijn tijd. In de laatste hoofdstukken, die opnieuw veel bondiger zijn, wordt stilgestaan bij Rockox’ schilderijencollectie en zijn belangstelling voor de oudheid. Het geheel wordt afgerond met een notenapparaat, verhelderende illustraties, een uitvoerige bibliografie en twee registers, van personen en van plaatsnamen.

door Jeanine De Landtsheer

Djoeke van Netten. Nicolaus Mulerius (1564-1630). Een geleerde uit Groningen in de discussies van zijn tijd. (Biografieën van Groningse Hoogleraren.) Groningen, Barkhuis, 2010. 96 pp. ISBN 978-90-77922-72-9. € 17,50.

Ubbo Emmius is de bekendste founding father van de Groninger universiteit. In zijn schaduw speelden anderen hun rol, onder wie zijn vriend Nicholas Des Muliers ofwel Nicolaus Mulerius, in 1614 benoemd als de eerste hoogleraar wiskunde en geneeskunde in Groningen. Dit prachtig vormgegeven boekje karakteriseert gedetailleerd en genuanceerd leven en werk van deze nu vrij onbekende geleerde. Mulerius was een man van contrasten. Geboren in Brugge, maar zijn hele leven werkzaam in Noord-Nederland. Kind van doopsgezinde ouders, maar zelf een calvinist. Befaamd om zijn editie van Copernicus’ revolutionaire boek, maar zelf een overtuigde geocentrist. Mulerius’ doen en laten en denken worden geschilderd tegen de achtergrond van zijn tijd. Aan bod komen zijn calvinisme (waaruit blijkt dat voor hem vooral een zuiver geweten voor God van belang was), zijn kennis en handelen als arts in Harlingen en Groningen, zijn aanstelling als hoogleraar in Groningen en zijn sterrenkundige interesses (getuige ook de almanakken die hij samenstelde). Overigens kon Mulerius’ beoefening van astronomie en astrologie in de twintigste eeuw op veroordeling rekenen, zoals Newtons alchemie ook wel moderne verontwaardiging uitlokt. De laatste twee hoofdstukken handelen over Mulerius’ samenwerking met Ubbo Emmius en over zijn nalatenschap. Dit boekje is rijk aan informatie, zij het enigszins afstandelijk geschreven.

door A.H. van der Laan

Roberto De Pol (ed.). The First Translations of Machiavelli’s Prince. From the Sixteenth to the first half of the Nineteenth Century. (Internationale Forschungen zur Allgemeinen und Vergleichenden Literaturwissenschaft, Nr. 133.) Amsterdam/New York, Rodopi, 2010. 329 pp. ISBN 978-90-420-2962-0. € 66,00.

This volume is a collection of essays dedicated to what the editor, Roberto De Pol, refers to as the ‘early’ translations of Machiavelli’s Prince, i.e., up to ‘the end of the Revolutionary and Napoleonic periods’ (p. 19), including French, Latin, English, Spanish, Dutch, German, Swedish and Arabic. The strength of the volume generally is the care dedicated to explaining the impact these translations were meant to make in their own cultural contexts. For example, Francesca Terrenato shows that while Adam van Zuylen van Nyevelt finished his Dutch translation of the Prince in 1595, Nicolaes Biestkens only decided to publish it in 1615 as part of a polemical project aimed at criticizing the growingly autarchic character of the stadhouder, prince Maurits van Oranje. Serena Spazzarini, for her part, explains that Christian Albrecht von Lenz dedicated the first German translation to Princess Hedwig, who was widely considered to be mad, in order to win the grace of her sister, Eleonore Charlotte, who held much power at court during the last years of Duke Sylvius Friedrich’s government in Oels. These and the other essays help us understand not only how Machiavelli’s text was read, but also how it was used to promote different views and moral values in the societies in which these translations were produced.

On the other hand, the comparative analyses found in the latter part of each essay resulted in a wide range of success and failure: while some authors make exemplary and thought-provoking contributions in this regard, for others the decision to publish was probably premature. In particular, either they do not hypothesize which original edition the translators used, or if they do so, they do not take that hypothesis into account for their comparisons, using a modern edition instead, rendering some if not all of their comparisons invalid.

Finally, throughout this volume, some of the summary statements about Machiavelli’s Prince itself could have been more nuanced. Just to give one example, in one essay it is suggested that one of the reasons why the Prince was not translated in Scandinavia until 1757 was ‘because at that time a work which established, among other things, the superiority of the Reason of State to moral values was unacceptable, at least formally’ (249). The Reason-of-State tradition, while certainly founded upon a reading of Machiavelli’s texts, belongs to a specific time period and mode of thought alien to both Machiavelli and the Enlightenment Voltairian Swedish translator, namely the Counterreformation Baroque. To be sure, this and other statements like this were minor points in otherwise worthwhile essays. Yet, in a volume dedicated to the translation and reception of Machiavelli, in general the authors could have been a little more self-conscious of their own ways of interpreting this difficult text.

by Keith David Howard

K. Van der Stighelen, B. Watteeuw (eds). Pokerfaced. Flemish and Dutch Baroque Faces Unveiled. Turnhout, Brepols, 2010. 277 pp. ISBN 978-2-503-52564-8. € 75,00.

In 1995 wijdde het Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek een themanummer aan Beeld en Zelfbeeld in de Nederlandse kunst 1550-1750, waarin de portretkunst een centrale rol speelde. Het was het resultaat van een toenadering tussen kunsthistorici en cultuurhistorici op een terrein dat voorheen vooral werd bestudeerd vanuit een monografische invalshoek. Nieuw was de aandacht voor de symbolische structuur van het kunstwerk in relatie tot de cultuurhistorische context, die in de vroegmoderne tijd zelf eveneens rijk aan symboliek was. Een spannend boek, ook omdat portretten hierin niet at face value werden genomen, maar werden gefileerd op onderwerpen als status, kleding, lichaamshouding, beschouwer etc. De ontvangst onder kunsthistorici in Nederland was op z’n zachtst gezegd terughoudend (recensie P.J.J. van Thiel in Simiolus 25 (1997), 238–246) en kenmerkend voor de koudwatervrees voor het toepassen van sociologische en antropologische noties op kunstwerken. Toch heeft een aantal artikelen uit deze bundel de weg naar menige publicatie en notenapparaat weten te vinden, juist vanwege hun bruikbaarheid voor de interpretatie van vroegmoderne portretten. De bundel Pocerfaced. Flemisch and Dutch Baroque Faces Unveiled laat zien dat het nog steeds de moeite waard is om via uiteenlopende invalshoeken portretten te bestuderen. De artikelen zijn onderverdeeld in vier secties: ‘Emotion and Expression’, ‘Stage and Performance’, ‘Kinship and Recognition’ en ‘Intimacy and Remembrance’. De bundel wil een overzicht geven van het lopende internationale onderzoek op het terrein van zeventiende-eeuwse Vlaamse en Nederlandse portretkunst. De nadruk ligt op de wijze waarop opdrachtgevers of kunstenaars identiteit welbewust en met gerichte middelen construeerden. Portretten zijn als het ware – zoals Stephanie Dickey het elders eens formuleerde – ‘a barometer of evolving notions of status, gender, personhood, and psychological interiority’ (p. 5). De kunst voor de onderzoeker is om ze te ontsluieren. De artikelen in Pokerfaced lopen uiteen van historisch (literair, medisch/psychisch, sociaal) tot puur kunsthistorisch, van theoretisch tot meer toegepast. Vooral de artikelen met een thematische insteek zetten de lezer aan tot een andere of frisse kijk op het portretgenre. Dit geldt bijvoorbeeld voor de artikelen van Karolien De Clippel (over de rol van het naakt in portretten), Ann Jensen Adams (over het performative portrait historié) en Zirka Z. Filipczak (over mannelijke en vrouwelijk poses in portretten). Tot nadenken stemt ook Katlijne Van der Stighelen afsluitende bijdrage aan de bundel. Zij kruipt achtereenvolgens in de huid van de beschouwer, het model en de kunstenaar en beziet de manier waarop zij naar portretten keken. Aan de hand van een aantal interessante bronnen laat ze zien hoe de interactie tussen al die invalshoeken portretten maakt tot ‘exceptionally highly polished ego-documents’ (p. 271).

door Annette de Vries

Angus Vine. In Defiance of Time. Antiquarian Writing in Early Modern England. Oxford, Oxford University Press, 2010. 272 pp. ISBN 978-0-19-956619-8. £ 66,00.

Vroegmoderne antiquaren, liefhebbers van oudheden en dus tot op zekere hoogte de voorlopers van onze archeologen, genieten de laatste jaren dankzij de studies van onder meer Peter N. Miller een verhoogde belangstelling. Het werk van Agnus Vine biedt de lezer zowel een lezenswaardige inleiding tot het wezen van het antiquarisme als een belangwekkende aanvulling op de bestaande monografieën. Vine laat zien met welke methodes de antiquaren de kloof tussen het heden en het verre verleden trachten te overbruggen, en ook door wie en op welke wijze hun bevindingen werden gelezen. De grootste meerwaarde van het boek bestaat vooral uit de gevarieerde thema’s die centraal staan in de zes hoofdstukken. Vine verstaat immers de kunst om de duiding van het werk van particuliere auteurs (zoals John Leland, William Camden en John Selden) te paren aan thema’s die voor het wezen van het vroegmoderne antiquarisme in het algemeen van betekenis zijn, maar vooralsnog onderbelicht bleven of niet coherent behandeld werden. Hierdoor krijgt dit boek een relevantie die de eigen ruimtelijke en chronologische delimitaties (het Engeland van de vroege zeventiende eeuw) overstijgt. Centraal in Vines betoog staat het belang van de verbeelding en de nieuwsgier. Dat de auteur een volledig hoofdstuk wijdt aan de etymologie als antiquarische methode, is ten zeerste toe te juichen. Wanneer William Camden stelt dat het verre verleden enkel door middel van de taal opnieuw tot leven kan worden geroepen, dan weerklinkt daar de echo van Jean Bodin – en Vine plaatst het Engelse antiquarisme met succes in zijn Europese context. De etymologie opent voor de antiquaren vele mogelijkheden en perspectieven. Zo legt de auteur terecht nadruk op de band tussen etymologie en genealogie. Tegelijkertijd getuigt de voorliefde voor etymologie van de filologische basis van het antiquarisch onderzoek, een ander weerkerend aandachtspunt in deze monografie. Elders illustreert Vine aan de hand van William Camdens Brittania-project hoe antiquarische projecten staan of vallen met het uitgebreide netwerk van correspondenten en contacten waarop auteurs konden bogen. Het boek is grondig gedocumenteerd, al gaat de auteur veeleer exemplarisch dan systematisch te werk. De talrijke voetnoten bevatten doorgaans louter uitgeschreven bibliografische referenties, die aan het einde van het boek allemaal ten overvloede integraal worden uitgespeld in twee uitvoerige bronnenlijsten. Op het vlak van afwerking, acribie en opmaak is deze monografie een ware verademing, zoals men van boeken van de Oxford University Press niet anders verwachten kan.

door Toon Van Hal

Olivier Bonfait, Antoinette Le Normand-Romain et al. (red.). Les Pays-Bas. Numéro thématique. Perspective. La revue de l’INHA. Actualités de la recherche en histoire de l’art 4 (2010–2011). Paris. 229 pp. ISBN 978-2-200-92738-7. € 23,00.

Elke twee jaar brengt het tijdschrift van het Franse ‘Institut national d’histoire de l’art’ een aan een regio gewijd nummer uit. Willem Frijhoff opent dit keer met de oude vraag naar de relatie tussen kunst en Nederlandse identiteit: de schilders van de Gouden Eeuw zouden op kenmerkend nuchtere wijze een kijkje in de nationale keuken hebben geleverd. Krista De Jonge betreurt dat het onderscheid tussen Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden nog altijd vertekenend werkt. Ze wijst op de essentieel internationale oriëntatie van architecten en beeldhouwers die actief waren tot in Spanje en het Baltisch gebied, zodat de term ‘Vlaams’ kwam te staan voor ‘kwaliteit en moderniteit’. Julie Hochstrasser overziet de koloniale context en vraagt wat geschilderde exotica ‘ons leren over onze huidige positie in de lange geschiedenis van de globalisering’.

Edward Grasman geeft een weidse prosopografie van kunsthistorici, van Abraham Bredius tot Ernst van de Wetering, om een manco van de Nederlandse benadering te signaleren: de focus op het kunstvoorwerp zelf in musea en universiteiten heeft de interesse in theorie afgeremd. De op betekenis gerichte invalshoek van Hans van de Waal kende bijvoorbeeld nauwelijks navolgers. Caroline van Eck merkt op dat deze situatie anders was geweest als de bibliotheek van Aby Warburg, zoals in 1933 het plan was, naar Utrecht of Leiden was gegaan (in plaats van Londen). Ook signaleert ze inhoudelijke gevolgen van het nieuwste financieringsmodel gericht op onderzoeksprojecten van meer personen.

Mariët Westermann analyseert op prikkelende wijze het Rembrandtonderzoek van de laatste vier decennia. Ze traceert een beweging die, na zich eerst van een zo canonieke figuur te hebben afgekeerd, Rembrandt in tijden van globalisering weer centraal stelt. ‘Gezien de omvangrijke maar niet langer vanzelfsprekende geschiedenis van schilderkunst als een uniek Europees cultuurproduct, lijkt deze terugkeer [...] zowel gerechtvaardigd als tijdig’. De meest veelbelovende invalshoek richt zich op netwerken om ‘het ontstaan van een vroegmodern artistiek systeem’ in kaart te brengen, te weten de samenhang tussen atelierpraktijk, biografie, kunstmarkt, theorie, receptie, literaire bronnen en religieuze cultuur.

Ger Luijten biedt het eerste overzicht van de bestudering van de Nederlandse prentkunst, van Gersaints Rembrandtcatalogus (1751) tot de lopende digitaliseringsprojecten van het British Museum en het Rijksmuseum. Hij signaleert nieuwe perspectieven gerelateerd aan Rubens’ experimenten met copyright, de routes van prenten langs Europese markten, prenten als onderdeel van interieurdecoratie en als bron voor kunstenaars als Velázquez. Jan Piet Filedt Kok schetst de verschillende bijdragen van de natuurwetenschappen waarbij hij de, recentelijk gediscontinueerde, Groningse benadering van schilderijen centraal stelt. Léonard Pouy, tenslotte, beschrijft de Nederlandse kunsthistorische tijdschriften vanaf het eerste in zijn soort ter wereld, Oud Holland (opgericht in 1883).

Het overzicht van invalshoeken en hun geschiedenis maken deze bundel bijzonder waardevol voor onderwijs, ook al zal de Franse taal hierbij een belemmering vormen.

door Thijs Weststeijn

Anton W.A. Boschloo, Jacquelyn N. Coutré, Stephanie S. Dickey et al. (eds.). Aemulatio. Imitation, emulation and invention in Netherlandish art from 1500 to 1800. Essays in Honour of Eric Jan Sluijter. Zwolle, Waanders, 2011. 512 pp. ISBN 978-90-400-7801-9. € 69,95.

Na ruim negen jaar hoogleraarschap aan de Universiteit van Amsterdam hield Eric Jan Sluijter op 15 april 2011 zijn afscheidsrede. Ter gelegenheid hiervan is de bundel Aemulatio. Imitation, emulation and invention in Netherlandish art from 1500 to 1800 uitgegeven. De titel verwijst naar de kern van Sluijters werk; in zijn excellente boek Rembrandt and the Female Nude (2006) wijdde hij een heel hoofdstuk aan deze concepten en maakte hij duidelijk hoe belangrijk het is de contemporaine betekenis van de concepten te begrijpen. Niet alleen in zijn publicaties maar juist in zijn onderwijs speelde het bewust lenen van andere kunstenaars, een prominente rol, niet in het minst met de bedoeling om studenten voor de ongelukkige term invloed te behoeden. Zoals de samenstellers in de introductie van het boek uitleggen, is de titel ook als aanmoediging bedoeld om het inspirerende werk van Sluijter te emuleren. Ook geeft de titel de 35 auteurs met uiteenlopende achtergronden een bindend thema.

Aemultio is prachtig uitgegeven met ruim dertig kleurenplaten en een index. Na een voorwoord van de redactie volgen de 35 artikelen. De bundel is niet thematisch onderverdeeld, maar de artikelen zijn – waar mogelijk – chronologisch geordend. Fiona Healy opent de bundel met de zestiende-eeuwse Maerten van Heemskerk. Met het artikel van Barbara Haeger over Rubens’ eerbetoon aan Elsheimer treden we de zeventiende eeuw binnen. Gezien Sluijters expertise is het niet verwonderlijk dat deze eeuw het sterkst vertegenwoordigd is in de bundel. Via de Oranjezaal (Margriet van Eikema-Hommes) en Van Dyck (Walter A. Liedtke) verschuift de aandacht naar de tweede helft van de zeventiende eeuw. De achttiende-eeuwse publicaties van Houbraken en De Lairesse staan centraal in de bijdragen van respectievelijk Emilie Gordenker en Jacqueline N. Coutré. Ch. Dumas sluit de bundel af met zijn bijdrage over de tekeningen van Aert Schouman.

Er is veel aandacht voor Noord-Nederlandse schilders en met name voor Rembrandt, maar er worden ook uitstapjes gemaakt naar Italië, Spanje en Japan. In veel artikelen wordt gerefereerd aan Sluijters publicaties of worden zijn bevindingen als startpunt gebruikt. (o.a. door Healy, Kettering, Blankhart). Een bijdrage over Rembrandts kat en Sluijters tante Titia maken de publicatie naast wetenschappelijk interessant, heel persoonlijk. De bundel eindigt met een indrukwekkende bibliografie van het werk van Sluijter, die begint met zijn bijdrage aan het Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek in 2010 en eindigt met waar het voor Sluijter in 1974 op het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie begon.

door Marloes Hemmer

Anita Jansen, Rudi Ekkart, Johanneke Verhave. De portretfabriek van Michiel van Mierevelt (1566-1641). WBooks, Zwolle, 2011. 246 pp. ISBN 978-90-400-7824-8. € 39,50.

Hoe maak je van degelijkheid en eenzijdigheid – veelgenoemde karakteristieken van het portretoeuvre van Michiel van Mierevelt – een hype? Geen eenvoudige opdracht voor onderzoekers en tentoonstellingsmakers in een tijd waarin aantrekkelijkheid voor het publiek een leidend beginsel in de culturele sector is. De insteek die is gekozen in De portretfabriek van Michiel van Mierevelt werkt wonderwel. Degelijkheid wordt geplaatst in het perspectief van slim ondernemerschap en dan wordt het alsnog spannend. Illustratief zijn de gedurfde collages van ‘ogen’, ‘monden’, ‘handen’, ‘sieraden’ en ‘kragen’ die aan elk van de essays voorafgaan. Gelijkvormigheid als handelsmerk. Het is een knappe vondst.

De Delftse schilder Michiel van Mierevelt was een van meest productieve en succesvolste Noordelijke portretschilders uit de eerste helft van de zeventiende eeuw. Leden van het hof, rijke burgers, bevelhebbers, diplomaten en predikanten lieten zich graag en frequent door hem portretteren. Om aan de grote vraag tegemoet te komen ontwikkelde Van Mierevelt een goed geoliede ‘portretfabriek’, waarin standaardisatie en arbeidsdeling toverwoorden waren. Zijn schildertechniek en materiaalkeuze zouden in de circa vijftig jaar dat hij werkzaam was niet noemenswaardig veranderen. Deze vertrouwde formule en de kwaliteit van zijn hand leverde hem een onbetwiste reputatie als portrettist op. Die reputatie verdween in de loop der tijd echter als sneeuw voor de zon. Kunsthistorici zochten naar de artistieke genialiteit van een kunstenaar. Een schilder die enkele duizenden portretten zijn atelier liet verlaten – (deels) eigenhandige principalen, (deels) eigenhandige replieken en een grote hoeveelheid atelierkopieën van sterk wisselende kwaliteit – paste niet echt in dat beeld. Men vond zijn werk formeel en conservatief. Bovendien, geen kunsthistoricus durfde zich te wagen aan het samenstellen van een oeuvrecatalogus van deze mêlee aan portretten.

De publicatie De portretfabriek biedt daarom wijselijk geen oeuvrecatalogus, maar is een monografie over het succesvolle atelier van Van Mierevelt. Zes informatieve essays gaan achtereenvolgens in op de Delftse portretkunst van 1550–1650, het leven van Van Mierevelt, de atelierpraktijk van Van Mierevelt, zijn klantenkring en het productieproces in het atelier. Het laatste essay focust op de portretten van prins Maurits, het succesnummer van het atelier. De publicatie wordt afgesloten met een catalogus met entries van 27 werken (deels pendanten) van deze portrettist. Ze zijn informatief en voorzien van prachtige foto’s. Het is als geheel een waardig eerbetoon aan deze meester van het Noordelijke portret.

door Annette de Vries

Jeroen Jansen (ed.). G.A. Bredero. Proza. Hilversum, Verloren, 2011. 299 pp. ISBN 978-90-8704-260-8. € 25,00.

Het verzameld proza van Bredero is niet omvangrijk – het bevat 27 teksten van gemiddeld 630 woorden –, maar van dichtbij bekeken levert het veel moois en nieuws op. Die benadering ‘op de vierkante centimeter’ is aan editeur Jeroen Jansen wel toevertrouwd.

De inleiding tot de editie beschrijft de huidige staat van onderzoek naar leven en werk van Bredero. Het feit dat die ‘huidige staat’ vrij belegen is, vormt de belangrijkste aanleiding tot de editie. Bovendien zijn veel prozateksten niet eerder met commentaar uitgegeven. Bij zijn bespreking van Bredero’s proza als geheel gaat Jansen nauwgezet in op de taalbehandeling, wat misschien niet voor iedere lezer even belangwekkend is, maar wel steeds tot interessante conclusies leidt. Zo leert Bredero’s gebruik van samenstellingen en ‘pregenitieven’ ons dat hij, behalve van Coornhert, invloed onderging van Hendrik Spiegel.

De prozateksten vervolgens, zijn ingedeeld naar genre: redevoeringen (2), brieven (6; er zijn geen brieven aan Bredero overgeleverd), opdrachten (5), voorredes (7), inhoudsoverzichten (6) en één losse tekst: Wijsbegeerte op de Academie. De kritische edities worden op de rechterpagina begeleid door een vertaling in modern Nederlands. De vertalingen blijven dicht bij het origineel, maar lezen toch soepel. Na iedere tekst volgt een uitgebreide toelichting, van de historische context tot de belangrijkste interpretaties, aangevuld met nieuw onderzoek door Jansen.

Door de blik exclusief op proza te richten – teksten die over het algemeen een nauwe band met de realiteit onderhouden – treden de belangen van de schrijver op de voorgrond. Dit effect wordt nog versterkt doordat sommige teksten postuum verschenen en dus nooit zijn herschreven voor publicatie. De als kluchtig bekendstaande volksdichter blijkt in zijn opdrachten ook in staat tot ootmoedigheid. Zijn brieven kennen een hoogdravende schrijftrant die tegemoetkomt aan zowel de smaak van de literaire elite als Bredero’s ideaal van ‘taalrealisme’. Geestig én schrijnend is de liefdesbrief aan een anonieme weduwe, waarin Bredero na een talmende inleiding plots dwingend verzoekt om een onderhoud: welck beleeft en hartelijc versoeck my niet gheweygerdt behoordt te werden, ten aensien van soo eerlijcken versoeck.’ Onder de bloemrijke taal smeult een gevoel van onmacht, dikwijls veroorzaakt door de onbalans tussen Bredero’s sociale en artistieke status.

Met dit boek heeft de lezer een meer dan compleet overzicht van Bredero’s proza en alle kennis daaromtrent in handen. De uitgave is met zorg en overzichtelijk vormgegeven en de originele beeldredactie is een lust voor de associatieve lezer. Dit werk levert grondslag en prikkel tot nieuw Bredero-onderzoek. ‘Trect tot uwen dienst het gene dat u wel ghevalt’.

door M.G. Paijmans

Goffe Jensma, Mart van Lieburg. Het ‘doktersboek’ van Douwe Ales. De medische aantekeningen en recepten van een Friese boer uit 1699. (Erasmus Medical Historical Papers nr. 3. Estrikken/Ålstråke 88. Fryske Akademy nr. 1042. Nieuwe Nederlandse Bijdragen tot de Geschiedenis der Geneeskunde en Natuurwetenschappen nr. 61. Pantaleon Reeks nr. 41.) Rotterdam, Erasmus Publishing 2011. 256 pp. ISBN 978-90-5235-206-0. € 29,50.

In 1699 begon Douwe Ales, een boer uit de Noordelijke Friese Wouden, met de aanleg van een receptenboek. Uiteindelijk schreef hij 665 recepten op. In dit boek wordt deze verzameling uitgegeven met een inleiding en commentaar. Het idioom van Ales is allesbehalve toegankelijk. Jensma, hoogleraar Friese taal- en letterkunde, zal zich vooral hebben beziggehouden met de taalkundige aspecten en Van Lieburg, hoogleraar medische geschiedenis, met de geneeskundige achtergronden. Een belangrijk deel van zijn recepten heeft Dales overgeschreven uit het werk van voorgangers. Waarom hij dat deed is vooralsnog onduidelijk. Er zijn geen aanwijzingen dat hij daadwerkelijk optrad als irregulier genezer. Hij was zeker niet de enige die een dergelijke collectie bijeenbracht. In hun analyse van de inhoud noemen Jensma en Van Lieburg een groot aantal vergelijkbare − gedrukte en ongedrukte − teksten. Een grondig overzicht van de geschiedenis van de Nederlandse irreguliere geneeskunde, dat nog altijd node wordt gemist, zou mede op basis van zulke bronnen geschreven kunnen worden.

door Hans de Waardt

Christoph Kampmann, Maximilian Lanzinner, Guido Braun, et al. (Hrsg.). L’art de la paix. Kongresswesen und Friedensstiftung im Zeitalter des Westfälischen Friedens. Münster, Aschendorff Verlag, 2011. 656 pp. ISBN 978-3-402-14762-7. € 69,00.

In de ijzeren zeventiende eeuw was L’art de la paix of de kunst van het vredesluiten meer dan ooit noodzakelijk. Met het gelijknamige colloquium (Bonn, 2009) stelde de Vereinigung zur Erforschung der Neueren Geschichte zich tot doel een dialoog op gang te brengen tussen gevestigde diplomatieke bronnenuitgaven – in het bijzonder de door de vereniging gepatroneerde Acta Pacis Westphalicae – en vraagstellingen uit de nieuwe politieke geschiedenis. Meer concreet wou men enerzijds tot een comparatieve benadering komen met andere vredeshandelingen en anderzijds bruggen slaan naar de studie van de diplomatieke cultuur. De verzamelde opstellen peilen in de eerste plaats naar het blijvende belang van de APW, wat veeleer defensieve betogen oplevert. Daarna richten de bijdragen zich op de vormelijkheden van het onderhandelingsproces en hoe daarover werd gerapporteerd in de toenmalige media. Een en ander vloeit logischerwijze over in zowel de verbale als de non-verbale communicatie voor en tijdens de onderhandelingen, waarbij ceremonieel, ritueel verzet en de immer gevoelige titulatuurkwesties mee aan de orde komen. Vervolgens behandelen een vijftal bijdragen politieke en economische basisconcepten zoals het machtsevenwicht, commercieel gewin, de instrumentalisering van het verleden en het cliëntelisme van kleinere mogendheden. In het verlengde hiervan volgt het debat over de rol van religie in de toenmalige internationale betrekkingen. De laatste bijdrage neemt de titel van de bundel letterlijk en onderzoekt de iconografische voorstelling van vredesbesprekingen. De bundel opent een resem interessante perspectieven, maar gaat toch wat gebukt onder zijn dubbele agenda. De spanning tussen de ambachtelijke bronnenstudie en -publicatie en meer cultureel-antropologische benaderingen is nooit veraf.

door Luc Duerloo

Bert Koene. De Caeskopers. Een Zaanse koopmansfamilie in de Gouden Eeuw. Hilversum, Verloren, 2011. 212 pp. ISBN 978-90-8704-217-2. € 25,00.

Aan de basis van dit fraai geïllustreerde en zorgvuldig uitgegeven boek staat het dagjournaal (Nootysye Boeck) van Claas Ariszoon Caeskoper uit Koog aan de Zaan. Gedurende de jaren 1669 tot tien dagen voor zijn dood in 1729 heeft deze doopsgezinde olieslager en koopman aantekening gehouden van wat er in zijn familie en de Zaanse gemeenschap voorviel, maar ook de ‘grote’ geschiedenis (het Rampjaar) komt in zijn notitieboek aan bod. Over zijn zielenroerselen komen we helaas niets te weten. Bert Koene, de auteur van het boek, tracht die soms te herleiden uit de bewaard gebleven aantekeningen, maar die bieden weinig houvast. Wel is duidelijk dat Claas een verwoed schaatser was en een manie had voor het registreren van plaats, tijd en weersomstandigheden van de gebeurtenissen die hij beschreef. Die registratiezucht is er tevens in de gewoonte het aantal passen te tellen dat hij op zijn wandelingen maakte. Of ook zijn zakelijk succes aan deze tel- en registratiedwang te danken is, blijft onbekend.

In aparte hoofdstukken wordt aandacht besteed aan het leven en bedrijf van zijn broer en nazaten. Door het ontbreken van mannelijke erfgenamen kwam het bedrijf uiteindelijk in handen van de familie Honig en staat het in zekere zin aan de basis van het inmiddels niet meer bestaande Honig levensmiddelenconcern.

door Clé Lesger

Elmer Kolfin, Jaap van der Veen (eds). Gedrukt tot Amsterdam. Amsterdamse prentmakers en -uitgevers in de Gouden Eeuw. Zwolle, Waanders/Amsterdam, Museum het Rembrandthuis, 2011. 216 pp. ISBN 978-90-400-7775-3. € 34,50.

Zo’n prachtig en ruimhartig geïllustreerd boek voor zo’n zacht prijsje – wie maalt er nog om tekst? Ondanks zijn potentie als koffietafelboek is Gedrukt tot Amsterdam vooral een lezenswaardige introductie tot de zeventiende-eeuwse prentenhandel. In zijn hoofdstuk over ‘Amsterdamse prentuitgevers’ licht Elmer Kolfin in vogelvlucht het prentenbedrijf door. Graveurs, etsers en hun technieken, drukkers, uitgevers, handelaren en hun werkwijze, bedrijfsvoering, organisatie, afzetmarkt, alsmede prentgenres passeren de revue. Helaas blijft de houtsnede en daarmee het ‘massadrukwerk’, bijvoorbeeld centsprenten, onderbelicht. Jaap van der Veen neemt in ‘Danckerts en Zonen. Prentuitgevers, plaatsnijders en kunstverkopers’ vijf generaties Danckerts onder de loep. Het eerste deel van zijn hoofdstuk is genealogisch van aard, het tweede gaat over het prentenbedrijf waarin de familie vanaf ca. 1625 actief was. In ‘Salomon Saverij, een plaatsnijder en zijn vrienden’ ontrafelen Jasper Hillegers en Lotte Jaeger de werkzaamheden van Saverij en de rol daarin van familie en vrienden. Het hoofdstuk is eigenlijk meer een chronologisch geordende, geannoteerde oeuvrecatalogus, waarin een stoet van (mogelijke) belanghebbenden optreedt. Het slothoofdstuk van Erik Hinterding heeft ‘Rembrandt als onafhankelijke prentmaker’ tot onderwerp. Vermoedelijk heeft Rembrandt zijn etsen merendeels zelf gedrukt, maar of hij ze zelf verkocht is onzeker. Zeker is dat hij handig op de markt van prentverzamelaars inspeelde, met etsen afgedrukt op exclusieve papiersoorten. Dat maakte hem tot een buitenbeentje in het prentenbedrijf.

Een rode draad door het boek is de complexiteit van de prentenmarkt: (ets)platen vererfden, werden verkocht of verhuurd. Nieuwe eigenaren veranderden dan de naam van uitgever en/of maker op de plaat of verwijderden die (o.a. p. 23, 87). Echt ingewikkeld wordt het wanneer er sprake is van hergebruik. Zo figureerde de Engelse legeraanvoerder Fairfax in andere context als zijn Macedonische collega Emilius (p. 156).

In Gedrukt tot Amsterdam buitelen de namen, titels, feiten en veronderstellingen over elkaar heen. Aangezien Danckerts, Saverij en Rembrandt ook professionele banden met elkaar hadden moet er enige ‘overlap’ in gegevens zijn, maar die is nauwelijks te traceren. Eén zo’n overlap roept vragen op: waar stond de toen bekende prentenwinkel De Wackere Hond? Op de Dam hoek Rokin, zoals Kolfin (p. 14) zegt, of in de Kalverstraat zoals Van der Veen (p. 64, 75) beweert? Zelf houd ik het op de Dam. Mogelijk vindt de zéér oplettende lezer meer van zulke tegenstrijdigheden in Gedrukt tot Amsterdam, dat toch in de eerste plaats een schitterend boek is, dat verhelderend inzicht biedt in de verwarrende wereld van de prent.

door A.S. de Haas

Ben Koolen. VOC & onderwijs. Een inventarisatie. (Boekwinkeltjes-reeks nr. 7.) Assen, Boekwinkeltjes, 2011. 443 pp. ISBN 978-90-8748-008-0. € 19,95.

Ben Koolen inventariseerde alles wat hij kon vinden over onderwijsinitiatieven vanuit de Vereenigde Oost-Indische Compagnie. In zijn boek noemt Koolen alle vormen van onderwijs waar de VOC mee te maken had, van de opleiding van uit te zenden artsen en predikanten in de Republiek tot aan het meest elementaire onderwijs aan kinderen in de Indische archipel. Dat laatste gebeurde vooral om de lokale bevolking aan de Nederlandse machthebbers te binden en om te kerstenen. Koolen geeft in ruim 400 pagina’s een schat aan informatie, die is ingedeeld naar gebied en onderverdeeld in vele kleine hoofdstukken en eindeloos doorgenummerde (sub)subparagrafen (tot aan 3.4.3.2, 6.37.5 etc.). Ook de staccatozinnen, een weinig stijlvolle manier van schrijven en het gebrek aan afbeeldingen maken dit boek niet geschikt om lekker door te lezen. Het slothoofdstuk is helaas ook geen conclusie, maar veeleer een samenvatting gevolgd door enkele opmerkingen. De bijlage ‘lesmateriaal’ ten slotte, is niet verduidelijkend, maar roept vooral vragen op. Of de genoemde boeken daadwerkelijk een rol hebben gespeeld in het VOC-onderwijs is niet bekend. Maar het is goed dat er vragen blijven, en deze inventarisatie biedt veel mogelijkheden tot verdere geschiedschrijving over hoe Nederlanders in de vroegmoderne tijd de Indische samenleving beïnvloed hebben.

door Djoeke van Netten

Jeanine De Landtsheer (vert.). Desiderius Erasmus. Spreekwoorden. Adagia. (Verzameld werk van Erasmus, deel 5.) Amsterdam, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2011. 757 pp. ISBN 978-90-253-6903-3. € 34,95.

De Adagia van Erasmus, zijn verzameling Spreekwoorden, hebben Europa opgevoed, door verborgen rijkdommen van de klassieken toegankelijk te maken. Althans voor wie Latijn las en in deze schatkamer van uitdrukkingen een paspoort voor de geletterde elite vond. Eeuwenlang is dit Erasmus’ beroemdste boek geweest. Des te eigenaardiger dat er sinds 1873 geen enkele Nederlandse vertaling was verschenen, op een paar geïsoleerde Adagia na.

In 1500 liet Erasmus een eerste boek met zegswijzen uit de oudheid verschijnen, 824 in totaal, die vrijwel allemaal uit het Latijn kwamen; de eerste verzameling met de titel Adagia dateert van 1508 en kwam uit bij de befaamde drukker Aldus Manutius in Venetië. Eén vernieuwing was de overvloed aan Griekse spreekwoorden en citaten. Erasmus had zich intussen ontwikkeld tot één van de beste en meeste belezen Graeci van zijn tijd. Daarnaast kregen de behandelde spreekwoorden vaak meer context door uitvoeriger toelichting en meer antieke citaten. In de definitieve editie uit 1536 tellen de Adagia 4151 spreekwoorden. Een aantal daarvan bestaat uit echte essays, waarin Erasmus zijn mening geeft over eigentijdse misstanden, waarin hij zijn vrienden prijst of over zijn eigen werk spreekt.

In de ruim 750 bladzijden van De Landtheers vertaling vinden we 516 spreekwoorden terug. Daaronder zijn alle grotere meer essayistische Adagia, zoals Haast je langzaam, het parool voor uitgevers als Erasmus’ vrienden Manutius en Froben in Basel, en De oorlog is zoet voor wie hem niet kent, Erasmus’ anti-oorlogs-manifest. Een tweede criterium voor haar keuze vond De Landtsheer in uitdrukkingen die nu nog in gebruik zijn, en dat zijn er talloze, zoals De knoop doorhakken, Wie een kuil graaft voor een ander valt er zelf in, Geen rook zonder vuur. Ik telde er in dit boek meer dan tachtig. Wie Spreekwoorden eenmaal openslaat, legt het niet snel weg. Dat is de verdienste van Erasmus, maar zeker ook van de vertaalster, die de volle omvang van het Nederlands inzet voor een uitstekend lopende hedendaagse vertaling. Als je de Latijnse tekst ernaast neemt, zie je beter wat een liefdeswerk deze vertaling is: naast selectie en het vinden van passende Nederlandse zegswijzen, noodzaakten talrijke Griekse citaten, mét Erasmus Latijnse vertalingen, tot, steeds doordacht uitgevoerde, ingrepen.

Bij het lezen valt eens te meer op hoe vaak de Adagia ook in andere werken van Erasmus opduiken, en vervolgens nog eeuwenlang in de Europese literatuur.

door H.-J. van Dam

Jeanine De Landtsheer, Henk Nellen (eds.). Between Scylla and Charybdis. Learned Letter Writers Navigating the Reefs of Religious and Political Controversy in Early Modern Europe. (Brill’s Studies in Intellectual History, vol. 192.) Leiden/Boston, Brill, 2011. 539 pp. ISBN 978-90-04-18573-9. € 129,00.

This volume of essays provides a timely and valuable addition to scholarship on learned correspondence in the early modern period and is a very useful complement to the significant number of collections of letters now available online. It arises from an international colloquium held in the Low Countries in 2006 and includes 25 essays on a wide range of epistolary exchanges from the early sixteenth century through to the first half of the seventeenth century.

Without exception, the authors of these essays demonstrate how writers in this period negotiated the twin perils of religion and politics in their correspondence and other works. It is difficult to pick out individual contributions for special praise, but Antonio Dávila Pérez’ essay on as yet unpublished correspondence of Benito Arias Montano is a good example of the new scholarship offered by this collection. Many of the contributions concern correspondents based in France or the Low Countries. Paul J. Smith considers the correspondence of Rabelais, Johan Koppenol that of Coornhert and Harm-Jan van Dam, Henk Nellen and Cor Rademaker that of Grotius. However, the volume’s subtitle, which refers to ‘Early Modern Europe’, might lead us to expect a broader geographical spread than the one we are presented with. There is little on English correspondents, and Jim Dobreff’s discussion of Hermannus Samsonius is the only essay to touch on correspondence in the Baltic regions.

But, it is in the editing of the volume that certain shortcomings emerge. The introduction is short and offers the reader little in the way of introduction to the individual essays. Although it is of course up to the reader to make links between the essays, there is little cross-referencing between the essays. In a volume primarily written in English, and clearly aimed at an international audience, it seems strange to begin the collection with an essay in German, that of Karl Enenkel. Could this not have been translated into English, or supplemented by a summary in English? Of greater concern is that there is room for improvement in the English of a number of the essays. This clearly should not detract from the excellent scholarship, but it can at times be distracting. I shall spare the blushes of some of the contributors, but mistakes such as ‘they did not want to loose’ instead of ‘to lose’ and ‘did someone went through’ as opposed to ‘did someone go through’ should have been picked up in the editing process. Factual errors are extremely rare, but again the editing process should have picked up Dirk Imhof’s assertion that Leiden University was founded in 1578 (p. 221) rather than 1575, and is Rob van de Schoor really telling us with ‘Paschasius Radbertus (=Ratramne de Corbie)’ (p. 144) that Radbertus and Ratramnus were one and the same person?

That said, this volume does provide an invaluable resource for those, like myself, who research correspondence in the early modern period, and the scholarship it contains is to a great extent exceedingly thorough. However, there is no doubt that a good number of the essays in the volume would have benefited from a final review by, dare I say it, a native-English speaker.

by Chris Joby

Nicola McLelland. J.G. Schottelius’s Ausfürliche Arbeit Von Der Teutschen Haubtsprache (1663) and Its Place in Early Modern European Vernacular Language Study. Malden/Oxford/Chichester, Wiley-Blackwell, 2011. 426 pp. ISBN 978-1-4443-3961-1. € 27,60.

Het is niet de eerste keer dat onderzoekers het taalkundige werk van Justus Georg Schottelius (Schottel; 1612–1676) onder de loep nemen. Deze Duitse barokgeleerde heeft zich met zijn Ausführliche Arbeit von der Teutschen HaubtSprache (1663) vooral in eigen land in de kijker gewerkt, al laat McLelland nu zien dat het werk ook internationaal een beduidende werkingsgeschiedenis kende. Dat Schottelius’ reusachtige pil ook voor lezers van dit tijdschrift relevant is, bleek al uit eerdere studies van Stefan Kiedron´: Schottelius leverde een werk af waarin het levendige taalkundige debat in de Zuidelijke en Noordelijke Nederlanden uit de eerste helft van de zeventiende eeuw werd gerecipieerd – om niet te zeggen: geaccapareerd. De ideeën van Nederlandse geleerden als Goropius Becanus, Simon Stevin, Hugo de Groot, en Adriaan van Schrieck, aan wie Schottelius in hoge mate schatplichtig is, worden door McLelland enigszins onprecies tot ‘het Leidse universitaire netwerk’ gerekend (de in Antwerpen en Luik werkzame Go-ropius Becanus stierf bijvoorbeeld twee jaar vóór de stichting van de Leidse Universiteit). McLelland voert aan dat Schottelius’ werk zich op het kruispunt van niet minder dan zes verscheidene discourse traditions bevindt; de ‘Leidse school’ is er eentje van. Daarnaast betrok Schottelius ook de onderwerpen, methodes en terminologie van andere uiteenlopende tradities in zijn werk, gaande van rechtspraak tot emblematiek. Niet alleen inhoudelijk, maar ook formeel is de Ausführliche Arbeit een hoogst composiet en gelaagd werk: Schottelius wil de rijkdom en de eindeloze mogelijkheden van de Duitse taal niet alleen theoretisch onderbouwen, maar ook meteen in de praktijk demonstreren. McLellands ‘handleiding tot de Ausführliche Arbeit’ stelt de lezer in staat grip te krijgen op de uiteenlopende onderdelen en tekstsoorten in de vele edities van Schottelius’ tekst, en zich een idee te vormen van het belang van Schottelius’ tekst in een Europese context. Het ontsluitende karakter van McLellands boek vormt de voornaamste troef: talloze tabellen en een uitgebreide bronnenindex maken van dit werk een betrouwbare en doelmatige gids voor de lectuur van de ingewikkelde brontekst. Het valt daarom te betreuren dat de krenterige opmaak van de uitgever deze inspanningen deels teniet doet. De resolutie van vele afbeeldingen laat sterk te wensen over en de minuscule voetnoten ontmoedigen zelfs jonge ogen. Kortom, McLellands werk straalt uiterlijk helaas niet de autoriteit uit die het op grond van zijn inhoud verdient. Het boek is evenwel een betaalbare aanrader voor iedereen die belangstelling heeft voor de receptie van het Nederlandse laathumanisme.

door Toon Van Hal

Dirk van Miert. Hadrianus Junius (1511-1575). Een humanist uit Hoorn. (Biografische Reeks Hoorn, dl 1.) Hoorn, Publicatiestichting Bas Baltus, 2011. 160 pp. ISBN 978-90-76385-00-6. € 20,00.

Dirk van Miert (ed.). The kaleidoscopic scholarship of Hadrianus Junius (1511-1575): Northern Humanism at the dawn of the Dutch Golden Age. (Brill’s studies in intellectual history, vol. 199.) Leiden/Boston, Brill, 2011. XII+319 pp. ISBN 978-90-04-20914-5. € 99,00.

In de historiografie van het humanisme in de Noordelijke Nederlanden leek het wel of er helemaal niets was tussen het overlijden in 1536 van Erasmus en Janus Secundus en de start in 1575 van de Leidse Universiteit. De humanisten die actief waren in Latijnse Scholen (Crocus, Macropedius) of aan de Leuvense Universiteit (Alardus, Nannius, Valerius) waren katholiek en/of actief in de internationale context van het Habsburgse Rijk (Hopperus, Viglius). Daardoor is een bij uitstek ‘Hollands’ humanist als Hadrianus Junius (1511–1575) tussen schip en wal verdwenen, hoewel net hij de geschiedenis van ‘Batavia’ (Holland) had geschreven. Maar dat werk verscheen pas postuum in 1588. Junius was geboren in hetzelfde jaar als Secundus en gestorven als net niet de eerste Leidse hoogleraar. Op het Latijnse proefschrift van P. Scheltema uit 1836 na, is er echter nauwelijks aandacht geweest voor de man die in zijn tijd als een ‘tweede Erasmus’ werd geprezen. Het was vooral de inaugurele rede van C. Heesakkers uit 1989 die wees op de juiste plaats van Junius. Terecht is deze rede (Tussen Erasmus en Leiden: Hadrianus Junius en zijn betekenis voor de ontwikkeling van het Humanisme in Holland in de zestiende eeuw) nu in Engelse vertaling opgenomen als opener van de bundel studies die Dirk van Miert in het herdenkingsjaar samenstelde. Diezelfde Van Miert schreef ook een uitvoerige en leesbare Nederlandstalige biografie, waarin hij Junius trefzeker beschrijft en de historische context helder presenteert. Dat boek hoort alvast bij (literatuur)historici en in vele openbare bibliotheken thuis. Afgezien van enkele schoonheidsfoutjes (p. 10 ‘Rapenberg’, p. 142 sterfjaar ‘1610’ voor Scriverius) is dit rijkelijk geïllustreerde werk op groot formaat een genot voor de lezer. De zuiver wetenschappelijke bundel bevat dan weer een aantal diepgravende verkenningen van Junius’ werk en zijn wereld. Achtereenvolgens komen de historiografische, filologische, lexicografische en literaire werken aan bod (maar niet de medische en botanische). Coen Maas (‘Hadrianus Junius’ Batavia and the formation of a historiographical canon in Holland’) vergelijkt Batavia genuanceerd met vroegere en latere Latijnse geschiedwerken. Nico de Glas (‘Context, conception and content of Hadrianus Junius’ Batavia’) laat zien wat Junius bedoeld heeft en wat er werkelijk in dat boek staat (De Glas heeft Batavia overigens integraal in het Nederlands vertaald, Hilversum 2011). In ‘Hadrianus Junius’ Animadversa and his methods of scholarship’ maakt Van Miert duidelijk hoe Junius zijn werken samenstelde. C. Heesakkers ontrafelt de onduidelijkheid over ‘Junius’ two editions of Martial’s Epigrammata’. Het succesvolle meertalige thematische woordenboek Nomenclator wordt door Toon van Hal geanalyseerd in ‘A man of eight hearts: Hadrianus Junius and sixteenth-century plurilinguism’. Twee artikelen gaan in op de belangrijke Emblemata: Ari Wesseling met ‘Devices, proverbs, emblems: Hadrianus Junius’ Emblemata in the light of Erasmus’ Adagia’ en Karl Enenkel met ‘Emblematic authorization – Lusus emblematum: the function of Junius’ emblem commentary and early commentaries on Alciato’s Emblematum libellus’. Van Miert heeft Junius weer op de kaart gezet. Diens in wezen filologische geleerdheid omvatte een groot deel van de kennisdomeinen in de zestiende eeuw. Hij blijkt een encyclopedist van formaat te zijn geweest. Junius was geen tweede Erasmus, maar hij heeft diens universele geleerdheid adequaat verwerkt en doorgegeven. En het is op die kennis en kwaliteiten dat het zo geprezen Nederlandse onderwijs van de zeventiende eeuw voort kon bouwen.

door Marcus de Schepper

Paul R. Sellin. Treasure, Treason and the Tower: El Dorado and the Murder of Sir Walter Raleigh. Farnham, Ashgate, 2011. 338 pp. ISBN 978-1-4094-2025-5. £ 35,00.

Al eeuwenlang fascineert het verhaal van Sir Walter Raleigh, de Engelse ontdekkingsreiziger die in 1595 in Guyana goud zou hebben gevonden. Hoewel het bestaan van een mijn niet was bewezen, leidde zijn publicatie Discovery of Guiana tot veel expedities van avonturiers die hoopten het legendarische El Dorado te vinden. Dat niet alleen mensen in de vroegmoderne tijd zich door Raleigh lieten inspireren, blijkt uit Sellins smakelijke verslag van een zoektocht naar de waarheid achter de expeditie van Raleigh. Terwijl Raleigh door wetenschappers is beschreven als een romanticus, fantast en zelfs leugenaar, betoogt Sellin dat Raleighs reisverslag wel op waarheid berust. Dit doet hij door Raleighs reis zelf te ondernemen en hierbij de gebeurtenissen in de Discovery nauwkeurig aan de realiteit te toetsen. Concluderend stelt Sellin dat Raleigh onterecht als leugenaar is geëxecuteerd in 1618. Dit was het resultaat van een complot van de hertog van Buckingham, die ondertussen de routebeschrijving naar de mijn in handen had en er vandoor wilde gaan met de buit.

Het boek begint met de vondst van een overeenkomst uit 1628 tussen Buckingham en de koning van Zweden om een expeditie naar de mijn uit te rusten, inclusief (onvolledige) routebeschrijving. Sellin onderneemt een reis naar Zuid-Amerika, waar hij aan de hand van deze routebeschrijving, de Discovery en uitgebreid bronnenonderzoek nagaat in hoeverre het verhaal van Raleigh klopt. Sellins mooi verzorgde en aardig geïllustreerde boek is voornamelijk een uitgebreide beschrijving van deze onderneming, waarin hij al zijn redenaties voorlegt aan de lezer. De meeste bevindingen zijn overtuigende argumenten voor Raleighs waarheidsgetrouwe beschrijving van de expeditie. Weliswaar klopten afstanden en data uit de Discovery niet precies, maar dat was omdat Raleigh de exacte locatie van de mijn niet wilde prijsgeven. De meeste fenomenen die Raleigh beschrijft, komen echter wel voor op de door Sellin onderzochte route. Wat Raleighs executie betreft wordt het betoog meer giswerk: waarschijnlijkheden en complottheorieën genoeg, met als probleem dat er weinig concreet bewijs is. Sellin weet Buckinghams boze opzet mooi te verdedigen, maar zeker zullen we het niet weten.

Hoewel hij af en toe wel erg enthousiast is in zijn verdediging van Raleigh, laat Sellin zien dat vroegmoderne reisverslagen maar al te vaak te makkelijk worden beschouwd als enkel het product van literaire geesten. Bovendien is Sellins boek een onderhoudend verslag van een bevlogen, erudiete historicus-avonturier. Treasure, Treason and the Tower is vooral het lezen waard voor geïnteresseerden in reisliteratuur en voor degenen die zich bezighouden met vroegmoderne expansie.

door Suze Zijlstra

Tineke Stein-Wilkeshuis (inl. en toel.). Ten strijde! Het vriendenboek van de Deventenaar Macharius Pinninck. (Albumreeks Stadsarchief en Athenaeumbibliotheek Deventer, dl 3.) Deventer, Corps 9, 2011. 80 pp. ISBN 978-90-79701. € 14,50.

Het Stadsarchief en Athenaeumbibliotheek te Deventer stelde in het najaar van 2011 de mooiste vriendenalba uit de collectie tentoon. Uitvloeisel van deze tentoonstelling is de uitgave van het vriendenalbum van de Deventenaar Macharius Pinninck (1593–1636). Pinninck was een telg uit een vooraanstaand katholiek Deventer geslacht, die omstreeks 1617 als officier toetrad tot het leger van de keurvorst van Keulen en daarmee in de Dertigjarige Oorlog voor de Spaanse kroon streed. Toen de Duitse veldheer Ernst von Mansfeld in 1622 een lucratief contract sloot met de Staten-Generaal, ging ook Pinninck over tot het kamp van de vijand, de opstandige Nederlanden. Uiteindelijk sneuvelde Pinninck ver van huis, op een slagveld in Bohemen.

Het album amicorum van Pinninck is bijzonder, niet alleen omdat het voortkomt uit het militaire milieu, maar ook vanwege de vele rijke illustraties die in dit vriendenalbum te vinden zijn. Het album bevat niet minder dan 42 inscripties. Inscribenten uit de hoogste kringen van het leger en de burgermaatschappij leverden een bijdrage aan Pinnincks album, vaak verluchtigd met familiewapens of met een tekening. De inleiding en toelichting van neerlandica Tineke Stein-Wilkeshuis biedt veel heraldische en genealogische informatie. Een verloren gewaande krijttekening van een ruitergevecht van de hand van de bekende schilder Esaias van de Velde (1587–1630) werd in Pinnincks album teruggevonden.

door S.J. Visser