Wil men […] weten, hoe ik de bijzondere tijdperken rangschikken zoude, dan betuig ik als het meest gevorderde te keuren het grootste gedeelte der Zeventiende Eeuw (van 1601–1670), een tijdperk, waarin bijna alle kunsten en wetenschappen, en bijzonder de Dichtkunst, den hoogsten trap van volkomendheid bereikt heeft […]. Zulke heerlijke tijdperken komen zelden, ja bijna nimmer meer dan ééns bij één en hetzelfde volk.2

Deze passage is afkomstig uit een van de eerste gedrukte Nederlandstalige literatuurgeschiedenissen, namelijk de Proeve eener geschiedenis der Nederduitsche dichtkunde uit 1810 van Jeronimo de Vries (1776–1853). Deze Amsterdamse stadssecretaris liet er geen twijfel over bestaan: de zeventiende eeuw vormde het hoogtepunt uit de Nederlandse literatuurgeschiedenis. Nooit eerder had de literatuur zo gebloeid en die bloei was vooral te danken aan één man: Joost van den Vondel. De Vries omschreef hem als de ‘Vader, de Vorst, de Fenix der Nederduitsche Poëzij’.3 Een goede tweede was Hooft, die op de voet werd gevolgd door Cats, Bredero, Coster, De Groot, Camphuysen en Huygens. In de tweede helft van de zeventiende eeuw ging het volgens De Vries echter snel bergafwaarts: de geestdrift verslapte en de kunsten en wetenschappen raakten in verval. In de jaren 1775–1800 volgde weliswaar een opleving, maar deze periode haalde het toch niet bij de zeventiende eeuw.

Het beeld dat De Vries van de Nederlandse letterkunde schetst, klinkt ons nog altijd vertrouwd in de oren: de eerste helft van de zeventiende eeuw was het tijdvak van de grote bloei in de literatuur, daarna trad het verval in. We treffen dit hardnekkige beeld ook aan in twintigste-eeuwse handboeken van de Nederlandse literatuurgeschiedenis. Veelzeggend is bijvoorbeeld de hoofdstukindeling in de literatuurgeschiedenis van H.J.F.M. Lodewick, die tot in de jaren 1980 nog veel op middelbare scholen werd gebruikt. Eerst wordt periode 1600–1650 als bloeiperiode van de Nederlandse literatuur besproken, daarna volgt een hoofdstuk met de titel ‘Achteruitgang Renaissance’. Dat hoofdstuk begint zo: ‘In het nu langzaam intredende verval van onze glorieuze zeventiende eeuw zijn er toch nog enkele figuren, die, uitstekende boven de rest, hun gevoelens, hun liefde en hun eeuwigheidsverlangen op een onvergetelijke wijze hebben weten te uiten’.4 Dat klinkt alsof we opgelucht mogen ademhalen: gelukkig bleven er nog enkelen over die konden schrijven. Nu is Lodewick alweer wat gedateerd, maar ook in het modernere handboek van René van Stipriaan dat de periode 1550–1800 bestrijkt, vinden we dezelfde curve van bloei en verval. De eerste vijf hoofdstukken van Het volle leven. Nederlandse literatuur en cultuur ten tijde van de Republiek (circa 15501800) zijn grotendeels gewijd aan de periode tot 1650; slechts een klein hoofdstuk van veertig pagina’s dekt de periode na 1650. Door die verdeling ontstaat automatisch de indruk dat het allemaal minder was na 1650. De titel van dit – overigens heel sprankelend geschreven – afsluitende deel luidt bovendien ‘Dromen van betere tijden’.5

Intussen heeft een heel leger aan bevlogen dix-huitèmisten geknaagd aan het standaardverhaal van bloei en verval,6 maar het blijft tot op zekere hoogte een gevecht tegen de bierkaai: de Gouden Eeuw heeft nu eenmaal haar naam mee en een eenmaal gevestigde beeldvorming laat zich moeilijk herzien. Al het andere kan hooguit zilver of brons worden. Of op zijn best een tweede Gouden Eeuw.

Conceptbepaling

Hoe is het beeld van de Gouden Eeuw ontstaan en wat heeft de Gouden Eeuw als concept bepaald en begrensd? Het is alom bekend dat het negentiende-eeuwse beeld van de Gouden Eeuw bepalend is geweest voor onze perceptie van de zeventiende-eeuwse Noordelijke Nederlanden. In 1984 wijdde de Werkgroep Negentiende Eeuw een tweedaags congres aan het beeld van de zeventiende eeuw in de negentiende eeuw.7 De historicus Piet Blaas betoogde toen dat de monumentalisering en musealisering van de Gouden Eeuw vanaf de jaren veertig in de negentiende eeuw op gang kwam. Hij verwees daarbij naar invloedrijke publicaties, zoals het tijdschrift De Gids (opgericht in 1837), Het Rijksmuseum (1844) van E.J. Potgieter en Het land van Rembrandt (1882–1884) van Cd. Busken Huet. In al deze werken geldt de zeventiende eeuw, en met name de schilderkunst, als het hoogtepunt van de Nederlandse beschavingsgeschiedenis. Deze belangstelling voor de zeventiende eeuw was volgens Blaas nieuw: ‘Het lijkt erop dat tot 1830 van een specifieke belangstelling voor de Gouden Eeuw geen sprake is. Het politieke en culturele klimaat was er niet naar zegt men soms. De Gouden Eeuw kon nu eenmaal moeilijk een historische ondersteuning bieden voor het Verenigd Koninkrijk; slechts de Bourgondische tijd was in staat in staatkundig opzicht tot voorbeeld te strekken en had zo enige actualiteitswaarde’.8

De historicus Niek van Sas betoogde enkele jaren later dat de stelling van Blaas genuanceerd diende te worden: er was al eerder sprake van een groeiende waardering voor de Gouden Eeuw, namelijk in de periode 1800–1813.9 Deze jaren speelden volgens Van Sas een belangrijke rol in de historisering en heroïsering van het vaderlandse verleden en in de ontwikkeling van het historisch besef in Nederland. Aan dit vaderlandse gevoel werd vooral inhoud gegeven door literaire genootschappen en dichters als Henrik Tollens, Cornelis Loots en Jan Fredrik Helmers. Blaas stelde zijn visie bij en wees later eveneens op het belang van deze dichters en hun invloed op het nationale geschiedbeeld: ‘het succes van de Gouden Eeuw was aan hen te danken’, aldus Blaas.10

De vraag zou gesteld kunnen worden in hoeverre de opkomende belangstelling voor de Gouden Eeuw niet al eerder gesitueerd zou moeten worden, namelijk in de jaren 1770–1795. Er manifesteerde zich toen een ware ‘vaderlandcultus’, die gepaard ging met een toename van literaire teksten over de vaderlandse geschiedenis.11 Het aantal vaderlands-historische toneelstukken steeg bijvoorbeeld explosief, terwijl ook genres als het vaderlandse epos en de dialoogroman opkwamen.12 Er lijken echter enkele duidelijke verschillen te bestaan met de vroeg-negentiende-eeuwse literaire beeldvorming van de Gouden Eeuw. Ten eerste lag het accent in het laatste kwart van de achttiende eeuw vooral op de vroege Opstandsjaren in plaats van de Gouden Eeuw als totaalconcept.13 Ten tweede werd de vaderlandse herinnering voortdurend ingezet in de strijd tussen Orangisten en patriotten. Het was daarmee een beladen onderwerp, waarmee tal van interne politieke conflicten werden uitgevochten. In de periode van de Franse overheersing verdween deze strijd om de vaderlandse erfenis naar de achtergrond om plaats te maken voor een beeld waarin de vaderlandse eendracht en superioriteit ten opzichte van andere naties benadrukt werd. De mythe van de Gouden Eeuw ontpopte zich toen als een krachtig wapen in de strijd tegen de Franse overheersing.

Deze bijdrage spitst zich toe op deze tweede ‘verheerlijkingsgolf’ van het vaderlandse verleden en gaat nader in op de vraag hoe de literatuur en literatuurgeschiedschrijving uit de jaren 1806–1813 het beeld van de Gouden Eeuw als bakermat van de Nederlandse beschaving inhoudelijk hebben bepaald: hoe kwam het tot stand en welke elementen waren gezichtsbepalend? Op zichzelf is de constatering dat deze Franse ‘bezettingsjaren’ een opleving van het literaire vaderlandse gevoel te zien gaven, waarin de verheerlijking van de Gouden Eeuw centraal stond, niet nieuw.14 Ik zou echter een aspect willen benadrukken dat tot dusver minder aandacht heeft gekregen, namelijk de invloed van anti-Franse sentimenten op het vroegnegentiende-eeuwse beeld van de Gouden Eeuw. Het draaide in de literaire beeldvorming van het vaderlandse verleden niet alleen om het profileren van de nationale eigenheid, maar ook om het articuleren van verzet tegen de buitenlandse machthebbers. Deze dynamische relatie tussen eigen en vreemd, ofwel tussen auto-image en hetero-image, komt met name tot uitdrukking in de rol die Vondel en Amsterdam in de literatuur en literatuurgeschiedschrijving van die tijd speelden: de dichter en de stad fungeerden niet alleen als krachtige symbolen van een veerkrachtige natie, maar ook als bakens van verzet.15

De periode 1795–1813

Om kort de historische feiten te memoren: in 1795 werden de Fransen met veel gejuich binnengehaald door de Bataafse revolutionairen. In rap tempo volgden de politieke hervormingen elkaar vervolgens op, culminerend in de eerste grondwet van Nederland, de Staatsregeling van 1798. Nadat Napoleon zichzelf in 1804 tot keizer had uitgeroepen, installeerde hij zijn broer, Lodewijk Napoleon, op 5 juni 1806 op de troon als vorst van het Koninkrijk Holland. Na meer dan twee eeuwen een republiek te zijn geweest, werd het land nu officieel een koninkrijk, en wel onder Frans gezag. De historicus Wyger Velema spreekt in dat verband van een van de ‘great ironies of history’: uitgerekend de Fransen, die in 1795 als de grote revolutionaire en republikeinse bevrijders het land waren binnengetrokken, transformeerden het land nu tot een monarchie.16

De regering van Lodewijk Napoleon was een soort Janus-verschijning. Enerzijds wenste Lodewijk Napoleon de Nederlandse cultuur en zelfstandigheid te bevorderen en trof hij allerlei maatregelen die het culturele en intellectuele leven bevorderden, zoals het subsidiëren van het nationale toneel en de oprichting van het Koninklijk Nederlands Instituut voor Wetenschappen. Anderzijds moest hij, op gezag van zijn keizerlijke broer, veel impopulaire maatregelen treffen, waarbij hij een steeds zwaarder beroep deed op de financiële en militaire middelen van het Koninkrijk Holland. Veel ophef ontstond bijvoorbeeld over het voornemen om weesjongens in het Franse leger te laten dienen. De radicale schrijfster Maria Aletta Hulshoff was een van degenen die fel ageerde tegen de napoleontische dienstplicht in 1809. Ze werd voor vier jaar verbannen. Het beleid werd nog repressiever toen Napoleon Bonaparte het land in juli 1810 annexeerde. Een strenge censuur werd van toepassing en het aantal uitgaven daalde drastisch.17

Mede onder invloed van de toenemende druk van de Fransen is in de jaren rond 1800 een intensivering van het vaderlandse gevoel te ontwaren. Die uitte zich onder meer in een groeiende belangstelling van letterkundigen voor het nationale verleden: zij speelden een voortrekkersrol in het uitdragen van vaderlandslievende gevoelens die waren gefundeerd op historisch zelfbesef.18 Speciale aandacht dient daarbij, als gezegd, uit te gaan naar de periode 1806–1813, omdat de opwaardering van het vaderlandse gevoel toen een extra dimensie kreeg: de natie kwam dusdanig onder druk te staan – in 1810 hield het land formeel zelfs op te bestaan – dat het een primaire levensbehoefte van schrijvers werd om het unieke karakter van het eigen volk te benadrukken. In toneelstukken, gedichten en romans gaven zij gestalte aan hun vaderlandslievende gevoelens. Ze probeerden het karakter van de natie te vangen door te wijzen op de unieke kenmerken van haar geschiedenis en cultuur. Met andere woorden: dankzij de existentiële crisis nam de behoefte aan een duidelijke en welonderscheiden eigen identiteit sprongsgewijs toe.

Dat juist de literatuur een belangrijke rol kon vervullen in het creëren van een historisch bewustzijn, is toe te schrijven aan de performatieve en emotieve meerwaarde ervan. De literatuur was bij uitstek het medium dat inspeelde op het gevoel van de lezer: de teksten van Helmers, Tollens en Loots moesten de lezer in het hart raken en zo een bepaald effect sorteren. De orale communicatiesituatie – de meeste poëzie was bedoeld voor voordracht – versterkte dat nog eens.

De Gouden Eeuw volgens Loosjes

De ‘grote drie’ van de verzetsliteratuur uit de jaren 1806–1813 zijn onmiskenbaar Helmers, Loots en Tollens. Met hun gedichten ageerden ze fel tegen het Franse gezag en om die reden worden ze vaak aangeduid met de term ‘verzetspoëten’.19 Behalve dit drietal tekenden echter ook tal van andere, vaak minder bekende auteurs protest aan tegen het Franse regime, zoals Adriaan Loosjes, Marten Westerman, Cornelis van der Vijver, Arend Fokke Simonsz, Samuel Iperuszoon Wiselius, Cornelius van Marle en Nicolaas van der Hulst. Ook werden andere genres naast de dichtkunst benut als verzetsmedia, zoals het toneel, de roman en de verhandeling. Hernieuwd onderzoek naar deze periode heeft dan ook aangetoond dat de stem van verzet veel luider en gevarieerder was dan doorgaans werd aangenomen.20

Wat betreft de conceptualisering van de Gouden Eeuw, springt één werk eruit: de historische roman Het leven van Maurits Lijnslager (1808) van Adriaan Loosjes (1761–1818). Deze Haarlemse schrijver, uitgever en boekhandelaar speelde een belangrijke rol in het het maatschappelijke en culturele leven van zijn woonplaats. Hij wist een indrukwekkend oeuvre op te bouwen, dat vrijwel alle denkbare genres omvat: poëzie, toneel, tijdschriften, verhandelingen, reisbeschrijvingen, liederen en romans.21 Een belangrijk kenmerk van zijn werk is zijn grote aandacht voor de vaderlandse geschiedenis en de Nederlandse volksaard. Hij was een overtuigd patriot, maar vanaf het moment dat Lodewijk Napoleon hier de scepter zwaaide, kregen zijn geschriften een steeds duidelijkere anti-Franse ondertoon. Zo stelde hij een request op tegen zijn komst en ging hij steeds feller de nationale eigenheid benadrukken in zijn literaire werken.22

In Het leven van Maurits Lijnslager wordt een totaalbeeld van de zeventiende-eeuwse maatschappij geschetst: het huiselijke leven, de sociale omgangsvormen, politieke en maatschappelijke ontwikkelingen, wetenschappelijke hoogtepunten, praktisch alles komt aan bod. Loosjes’ beeld is sterk gekleurd door eigentijdse normen en waarden: de roman fungeert in feite als een vehikel om een eigentijds verlichtingsprogramma uit te dragen, waarin waarden als redelijkheid, verdraagzaamheid en deugdzaamheid als richtsnoer gelden.23 Daarnaast klinken ook anti-Franse sentimenten duidelijk door: de lofzang op typisch vaderlandse aspecten van de zeventiende-eeuwse cultuur gaat hand in hand met verwijzingen naar de eigentijdse politieke context.

Hoofdpersoon is de Amsterdamse koopman Maurits Lijnslager. Zijn geboortedatum en sterfdatum vallen samen met twee belangrijke gebeurtenissen uit de vaderlandse geschiedenis: hij wordt geboren op 4 juli 1600, twee dagen na de slag bij Nieuwpoort en sterft kort nadat de Nederlandse vloot tijdens de Tocht naar Chatham in juni 1667 een zege heeft behaald. Zijn levensjaren passen dus precies in het tijdvak dat in de eerder geciteerde literatuurgeschiedenis van De Vries als het hoogtepunt van de Nederlandse beschaving wordt aangewezen. Lijnslagers levensweg voltrekt zich in drie fases, waarin hij volop de kans krijgt zijn voorbeeldige karakter te etaleren. Als jongeling maakt hij eerst een Grand Tour door Europa, waarbij hij met een opmerkelijk grote boog om Frankrijk heen reist. Onderweg maakt hij kennis met tal van internationale beroemdheden, die Lijnslager ervan bewust maken wat vreemd en eigen is. Gesprekken met Galileo, Milton, Van Dyck en Rubens verschaffen Lijnslager het inzicht dat de inwoners van de Republiek over tal van prijzenswaardige eigenschappen beschikken. Zo stelt Milton dat de Hollanders, ondanks ‘hunnen haat tegen overheersching’ een groot aanpassingsvermogen hebben, hetgeen de handelsrelaties met vreemden ten goede komt.24 De positieve eigenschappen die de Hollanders krijgen toebedeeld, worden dus in relatie tot de politieke actualiteit gewogen.

Na zijn terugkeer in Amsterdam trouwt Maurits met de vlijtige Maria van Vliet. Dit huwelijk luidt de volgende leeftijdsfase in, waarin Maurits zich ontwikkelt tot een welvarende koopman die alom achting geniet. Hij is een hardwerkende, godvruchtige en tolerante burger, die zijn kinderen een verantwoordelijke opvoeding geeft. Moedig en vaderlandslievend is hij ook, want hij schrikt er niet voor terug om in het leger te gaan wanneer het vaderland een beroep op hem doet. Tijdens de derde en laatste fase staan zijn ouderdomsjaren centraal. Hij verliest zijn echtgenote aan een slepende ziekte en brengt veel tijd door met zijn kleinkinderen. Tot zijn grote vreugde levert zijn kleinzoon Maurits een belangrijke bijdrage aan de roemrijke slag bij Chatham. Vlak daarna sterft Maurits Lijnslager. Zijn lichaam is weliswaar vergaan, maar ‘zijn voortreffelijk voorbeeld van vaderlandsche en christelijke deugden’ blijft ‘als een beschermgeest over zijn geslacht waken’.25

Lijnslager belichaamt een volmaakte vorm van burgerschap in een samenleving die als geheel een voorbeeldfunctie voor de eigen tijd vervult. Dat blijkt ook uit het pantheon aan nationale helden met wie Maurits in een reeks van toevallige ontmoetingen in contact komt. Tal van grootheden trekken voorbij, onder wie Jan Adriaanszoon Leeghwater, Nicolaas Tulp, Joost van den Vondel, Michiel de Ruyter, Cornelis Tromp en Hugo de Groot. De zeventiende eeuw was, zo luidde de boodschap, niet alleen het tijdvak van modelburgers, maar ook van grootse vaderlandse literatoren, zeehelden en wetenschappers. Het was de tijd waarin ‘Koophandel en Zeevaart den magteloozen naijver der naburige volken verwerkten’ en ‘geniën van de eerste grootte zich met de kracht der jongelingschap ontwikkelden’.26 Voor de vaderlandse schilderkunst heeft Loosjes overigens opvallend weinig aandacht; die zou pas later in de negentiende eeuw in de literaire beeldvorming van de Gouden Eeuw een prominente rol gaan vervullen.27

In Loosjes’ beeld van de Gouden Eeuw spelen Amsterdam en Vondel een centrale rol. Lijnslager maakt weliswaar ook tal van uitstapjes naar andere landen en plaatsen, maar geen enkele locatie overtreft zijn eigen woonplaats: Amsterdam is ontegenzeggelijk hét economische en culturele brandpunt van Europa. Met name drie evenementen krijgen veel aandacht: de opening van de Amsterdamse schouwburg in 1637, de viering van de Vrede van Münster in 1648 en de opening van het nieuwe stadhuis in 1655. Bij al deze gelegenheden is Vondel, die een goede huisvriend van Lijnslager is, prominent aanwezig. Er wordt volop uit zijn werk geciteerd en ook Vondel laat geen kans onbenut om zijn liefde voor zijn woonplaats te betuigen: ‘Ja, de liefde voor Amsterdam […] zit mij diep in het harte, en als dier schoone stad en derzelver brave burgerij een uitstekend geluk wedervaart, o dan is het, of mij zelven een bijzonder geluk wedervaart’.28 Vondel fungeert niet alleen als een spreekbuis voor Loosjes’ bejubeling van de stad, maar de dichter groeit gaandeweg zelf uit tot hét symbool van een bloeiende, welvarende natie.

Loosjes’ waardering voor Amsterdam en Vondel komen treffend samen in een scène waarin Maurits, zijn vrouw en hun twee oudste kinderen de Schouwburg bezoeken. Op 3 januari 1637 spoeden zij zich naar het hoofdstedelijke theater om de première van Vondels Gysbreght van Aemstel bij te wonen. Met name Maurits’ echtgenote is diep onder de indruk van wat ze daar ziet:

Reeds bij het intreden van den schouwburg, waar alles van pracht en nieuwheid blonk, was zij verrukt over de grootschheid en luister, die oog en hart betooverden. Ook was haar moederlijk hart blijde, dat altijd zoo bezorgd was over hare kinderen, dat zij zelve, in dit met menschen opgepropt gebouw, het oog over hare lievelingen kon laten gaan – en niet minder, dat zij getuige was van de vatbaarheid en verrukking harer kinderen, toen het schouwspel geopend werd – en eene doodelijke stilte het geruisch en gewoel vervangende, na het voorspel “Gijsbrecht van Amstel” voortrad. Zij beschouwde ook met een streelend genoegen, hoe haar Maurits met gespannen aandacht het voortreffelijk voortbrengsel van het genie van zijnen vriend van Vondel aanstaarde, en met al dat gevoel van verheven wellust, waarvoor alleen edele zielen gestemd zijn, de voortreffelijke dichterlijke gedachten, bekleed met zulke schoone woorden, als verzwolg.29

Maria’s dienende karakter (als moeder en echtgenote) wordt benadrukt doordat zij de voorstelling als het ware via de aanwezigheid van haar kinderen en man ervaart. Zij is het meest getroffen – het laat zich raden – door de rei van Edelingen, waarin de lof van de huwelijksliefde wordt aangeheven. Ze kijkt even opzij naar Maurits ‘met een oog van gevestigde liefde’. Na afloop van de voorstelling krijgt het echtpaar Lijnslager de kans om Vondel persoonlijk te feliciteren: ‘Lijnslager drukte hem met al het vuur der verrukking en de deelneming der vriendschap de hand zeggende: Geluk, hartelijk geluk mijn vriend! met den voortreffelijken uitslag van uw stuk. Ik voorspel u, dat zolang Amsterdam Amsterdam is, zal elk rechtgeaard Amsterdammer dit stuk met verrukking beschouwen’ [cursivering LJ].30

Deze scène is representatief voor de teneur van het boek, waarin individuele deugdzaamheid, een evenwichtig huwelijk, kindergeluk, dichterlijk genie, stedelijke lof en algemene welvaart als een causale keten aan elkaar worden geregen. Het ene vloeit vanzelfsprekend over in het ander: al deze elementen vormen onmisbare bouwstenen van een welvarende, gelukkige gemenebest. Dit positieve zelfbeeld wordt nadrukkelijk in relatie tot een bedreigende ‘ander’ geconstrueerd. De frase ‘zolang Amsterdam Amsterdam is’ klinkt bepaald opruiend: er mocht dan wel een Franse monarch op de troon zitten, de stad was geenszins verfranst en bezat nog altijd een eigen karakter. Niet voor niets verwijst Loosjes naar Vondels tragedie, waarin wordt voorspeld dat de stad in de toekomst als een feniks uit de as zal herrijzen. De verwijzingen naar Vondel en Amsterdam hebben dus een dubbele functie: de dichter en de stad fungeren niet alleen als bouwstenen in de constructie van een positief zelfbeeld, maar ze drukken tegelijkertijd verzet tegen de Fransen uit.

Loosjes was bij lange na niet de enige die zijn waardering voor Vondel en het zeventiende-eeuwse Amsterdam liet blijken. Ook andere verzetsauteurs verwezen veelvuldig naar de dichter en de stad – soms afzonderlijk, soms in combinatie – en ook bij hen is de dubbele beweging van vaderlandsliefde én afkeer van het vreemde (lees: minachting van de Fransen) kenmerkend voor de wijze waarop zij het nationale verleden representeerden. Enkele voorbeelden kunnen het patroon verhelderen.

Ter gelegenheid van Napoleons bezoek aan de stad op 9 oktober 1811 schreef de jurist en letterkundige Petrus Bosscha een lofdicht op Amsterdam. Vol trots beschrijft de dichter de fraaie versieringen die ter gelegenheid van dit bezoek zijn aangebracht: ‘Hoe steekt ge, o Amstelstad, zoo trotsch de kruin omhoog? / Waar ik ook de oogen wend, hier zie ik boog bij boog, / Door schilderkunst gewrocht, uw markt en sluizen sieren’.31 Al snel slaat de stemming echter radicaal om, want deze pracht is niet bedoeld voor ‘een Willem’ of ‘voor De Ruiters, of voor Trompen’, maar de komst van een ‘trotschen dwingeland’ wordt gevierd: ‘Een arend, fel geklaauwd, aan ’t hoofd van vuige benden, / Rukt uwe muren in, om ’t regt nog meer te schenden, / Reeds lang door hem vertreên, doorluchtige Amstelstad!’. De dichter vreest voor de ondergang van de stad en wijst op al het fraais dat daarmee verloren zou gaan:

Ginds rijst een trotsch gebouw, waar ieders oog op staart,
Als ’t achtste wonderwerk door Euroop vermaard.
Uw’voorspoed zag men hier uit wijze raadsbesluiten
Van schrand’re Vaderen des Vaderlands ontspruiten.
Hier vloeide ’t al te zaam wat Oost en Zuid en Noord,
o IJstroom, rijke vloed, verzonden naar uw’ boord.31

Deze evocatie van een groots verleden grijpt de dichter vervolgens aan om de burgers moed in te spreken: eens zal een ‘blijder dag’ terugkeren. Opnieuw doemt hier het beeld op van een stad die als een feniks uit de as zal herrijzen.

Ook in Helmers’ dithyrambe ‘Amsterdam’ (1810) gaat de verwijzing naar een dreigende ondergang van de stad gepaard met verwijzingen naar het roemrijke verleden. Wanhopend constateert de dichter dat de stad aan de rand van de afgrond verkeert, terwijl de stad vroeger ‘door ’t heelal zich eeren deed en vreezen, / En ’s aardrijks handel in haren armen hield omvat’.32 Hij zoekt dichterlijke inspiratie om vroegere tijden te laten herleven en roept daarbij Vondel aan. De wens wordt verhoord en een reeks van loftuitingen op de aloude welvaart van de stad volgt. Het is de dichter bovendien vergund om in de toekomst te kijken. Op Vondeliaanse wijze voorspelt ook hij dat de stad ooit weer tot volle bloei komen: ‘o Stad, mij boven alles waard’! / Eens schiet gij weêr omhoog, als keizerin der steden, / En voert met ongesnoerde leden, / Uw vrije vlaggen weêr tot aan het eind’ der aard’.33 Amsterdam is hier een symbool van nationale eigenheid én verzet tegelijkertijd: het roemrijke verleden houdt een belofte voor de toekomst in.

Kijken we naar de rol van Vondel in de verzetspoëzie, dan zien we dat hij een soortgelijke dubbelfunctie vervult. In De Hollandsche natie (1812) van Helmers fungeert de zeventiende-eeuwse dichter niet alleen als boegbeeld van de natie, maar ook als vertrekpunt van een verzetsgedachte. In Helmers’ lofprijzing van Vondels treurspel Lucifer klinkt de actuele politieke situatie onmiskenbaar door: ‘Hoort hier de dondertaal van trotsche Lucifer! / Ziet hem aan ’t hoofd van ’t heir! gezonke morgenster! / Aanschouwt hem met zijn rot, door ’t bliksemlicht verbrijzeld, / En met dat vloeksgespan in ’s afgronds nacht gegijzeld.’34 Van Lucifer naar Napoleon: het is maar een kleine stap. In een dichtbrief uit 1812 van Tollens neemt de verzetsfunctie van Vondel nog concretere vormen aan. Tollens roept al zijn collegadichters op om de zeventiende-eeuwse dichter als voorbeeld te nemen:

Win op zijn [=Vondels] voetspoor veld; zet vreemd gezag ter zijde;
Sticht Neêrlands eigen school, vorm Nêerlands eigen smaak;
Stort brein en boezem uit in ’t goud der moederspraak;
En, wie u regels scheppe of voorschrift waag’ te zetten,
De dichtwet sta aan ’t hoofd van alle schouwburgwetten!35

De laatste zin heeft een dubbele betekenis: deze kan zowel verwijzen naar de strenge regelgeving van het Frans-classicisme, die de auteurs beperkte in hun dichterlijke vrijheid als naar de toenmalige censuur op de drukpers. Tollens lijkt hier te willen suggereren dat de vrije dichtkunst boven iedere wet verheven is. De kern van zijn betoog luidt dan ook: schuif vreemd gezag terzijde en laat de Nederlandse smaak, naar het voorbeeld van Vondel, regeren.

In de evocatie van de Gouden eeuw spande Vondel onmiskenbaar de troon, maar een enkele keer treffen we ook verrassingen aan in de bulk aan verzetspoëzie. Zo schreef de Haagse boekhandelaar Johan Immerzeel in 1810 een vlammende ode op Jan Luiken, waarin nogal wat oorlogsmetaforiek voorkomt – het gedicht kan ook heel goed als een kritiek op de Franse overheerser en diens krijgsgeweld gelezen worden.35

Canonisering van Vondel en literatuurgeschiedschrijving

Met de canonisering van Vondel komt een ander terrein in het vizier, namelijk dat van de literatuurgeschiedschrijving. Om een goed beeld te verkrijgen van de wijze waarop de Gouden Eeuw als bakermat van de Nederlandse identiteit werd uitgevonden, is het minstens zo belangrijk de literatuurgeschiedschrijving erbij te betrekken, die niet toevallig omstreeks 1800 ontstond. Het onstaan van de Nederlandse literatuurgeschiedschrijving en de canonisering van Vondel zijn reeds uitvoerig gedocumenteerd door de neerlandici Willem van den Berg en Evert Wiskerke.36 Zij wijzen op het belang van de literatuurhistorische overzichtswerken van Jacob van Dijk, Jeronimo de Vries en Matthijs Siegenbeek en hun invloed op de perceptie van de zeventiende-eeuwse literatuur. Wiskerke attendeert ons bovendien op laat-achttiende-eeuwse edities van het werk van Vondel en Cats en een tekst van Jacobus Scheltma uit 1808 over Anna en Maria Tesselschade, waarin gesproken wordt over ‘de Gouden Eeuw onzer Letterkunde’.37 Het werk van Van den Berg en Wiskerke zal ik hier niet overdoen, zij het dat ik ervoor zou willen pleiten de literatuurhistorische geschriften van de genoemde auteurs opnieuw te lezen, maar dan vanuit het perspectief van de eigentijdse politieke context en, vooral, de verzetsgedachte. Dan wordt namelijk duidelijk dat ook hun constructie van een nationaal zelfbeeld tot stand kwam in directe wisselwerking met de politieke actualiteit.

Twee voorbeelden kunnen dat duidelijk maken. In december 1806, dus na de installatie van Lodewijk Napoleon, verscheen Proeven van Nederduitsche Dichtkunde uit de zeventiende eeuw van Matthijs Siegenbeek.38 Het betreft een bloemlezing met auteurs als Hooft, Vondel, Camphuysen en Huygens, voorafgegaan door een lange voorrede. In die voorrede wordt voortdurend een verband tussen de staat van de letterkunde, het nationale karakter en de maatschappelijke omstandigheden gelegd. Hij besluit met de vurige wens dat zijn werk tot een herwaardering van de vroegere dichters zou leiden en tot een hernieuwde bloei van de dichtkunst:

Dan gewisselijk zou dezelve niet weinig medewerken, om den luister onzer letterkunde, welke met de verwaarlozing van de voortreffelijkste kunstgewrochten der zeventiende Eeuw noodwendig tanen moet, tegen alle smette en beneveling te beveiligen, en alzoo de geringe arbeid, door mij aan deze verzameling te koste gelegd, ten overvloedigste beloond worden.39

Siegenbeeks collectie van zeventiende-eeuwse teksten had dus ook een politieke functie: de letterkunde moest beschermd worden tegen ‘alle smette en beneveling’ van buitenaf. En is het toevallig dat hij uitgerekend het gedicht ‘Een koningh’ van Huygens opnam in de bloemlezing? Het leven van een koning wordt daarin als een lastige, bijna onmogelijke opgave afgeschilderd:

Een koningh.
Hy is een’ Menighte besloten in een’ Kroon,
Een yeders Opper-knecht, een slave sonder loon,
Het hooge dack van ’t Rijck dat al den hagel uyt staet;
Het groote Reken-boeck van al dat in en uyt gaet;
Een Penningh van ’metael daer wy af zijn gemaeckt,
Mer op de reken-ry der dusenden geraeckt;
Een Vry-heer in de boey; een eeuwige gevangen;
[…]
Wie wenschen na de hooght daer ’t soo gestadigh waeyt,
Daer ’t soo dier slapen is en ’t soo goe’koop draeyt?41

Het tweede voorbeeld is afkomstig uit de Proeve eener geschiedenis der Nederduitsche dichtkunde (1810) van Jeronimo de Vries. Deze zag – evenals Siegenbeek, door wie hij zich sterk liet inspireren – een directe samenhang tussen de staat van de letterkunde, het nationale karakter en de politiek. De Vries stelde dat de zeventiende eeuw zo’n bloei van de letterkunde kende, dankzij het vrijheidsgevecht dat men toen moest leveren tegen de Spanjaarden:

De overgang van Spaansche dwingelandij tot Nederlandsche vrijheid gaf eene veerkrachtige verheffing aan alle kunsten in ons Vaderland, bijzonder aan de Dichtkunst, die vrij en heldhaftig uit haren aard, zoo gaarne voor Vrijheid en heldenmoed haar goddelijk speeltuig klinken doet.

Om een hernieuwde bloei te bereiken zou men zich volgens De Vries moeten spiegelen aan ‘de ouden Hollandschen denk- en schrijftrant’, zodat het vuur, dat de voorouders in het begin van de zeventiende eeuw bezielde, opnieuw kon gaan branden. Zo’n opleving was absoluut noodzakelijk voor het voortbestaan van de eigen natie: ‘Wil men zijn land verheffen, uit slavernij redden, bij de verste volken doen ontzien, men moet de ziel, met eene geheel buitengewone kracht werkzaam houden’.40 Wie zal bij een dergelijke woordkeuze niet onmiddellijk gedacht hebben aan de eigentijdse politieke actualiteit?

Besluit

Wanneer het gaat om de concept- en begripsbepaling van de Gouden Eeuw zijn de jaren 1800–1813, en met name de periode 1806–1813, van cruciaal belang geweest: letterkundigen gingen zich in deze periode intensief bezighouden met het nationale verleden, zowel in de primaire literatuur (het toneel, de poëzie, de roman) als de literatuurhistorische overzichtwerken. Nog iets scherper gesteld: de kiem van een nationaal Nederlands bewustzijn moet in de jaren 1806–1813 worden gezocht en daarbij speelde de literaire en literair-historische verbeelding van de Gouden Eeuw als ijkpunt voor de nationale identiteit een fundamentele rol.

Het is niet toevallig dat deze cultivering van het verleden samenviel met een perio­­de van verdergaande overheersing van de Fransen. Juist toen nam de behoefte aan het formuleren van een eigen nationale identiteit sprongsgewijs toe. De verzetsliteratuur en de literatuurgeschiedschrijving waren media die voorzagen in een existentiële behoefte: ze gaven een concrete inhoud aan de nationale identiteit, in weerwil van de Franse overheersing. De wortels van de nationale eigenheid werden vanzelfsprekend gesitueerd in het tijdvak waarin het land op tal van terreinen had uitgeblonken: de Gouden Eeuw. Het specifiek Nederlandse werd daarbij steeds in relatie tot een dreigende ‘ander’ gedefinieerd. Vondel en Amsterdam fungeerden niet alleen als symbolen van eigenheid en veerkracht, maar ze gaven ook inhoud aan het verzet tegen de Fransen.

In de loop van de negentiende eeuw zou de Gouden Eeuw een nog onaantastbaardere positie krijgen in het collectieve geheugen: zij werd op allerlei wijzen gemonumentaliseerd, bijvoorbeeld door middel van standbeelden, schilderijen, wetenschappelijke uitgaven, schoolboeken en in musea. Dankzij de Rembrandt-revival kreeg de Gouden Eeuw bovendien internationale allure.41 Deze periode fungeerde nu niet langer alleen vanuit het Nederlandse perspectief als een hoogtepunt van de Nederlandse beschavingsgeschiedenis, maar ook vanuit het perspectief van de buitenlander. De romanpersonages van Loosjes liepen op die ontwikkeling vooruit.