Een negentiende-eeuwse Vondel

Joost van den Vondel geldt als een topper in de literaire canon van Nederland. Dat is tegenwoordig zo en dat was in de negentiende eeuw niet anders. Een verschil met de huidige tijd is dat de toneeldichter in de vroege negentiende eeuw veel werd gelezen, zowel door leerlingen op school, als door academici en literair geïnteresseerden. Een cultuurpessimist zou opmerken dat dit tegenwoordig niet meer zo is. Vondel is een auteur van wie iedereen het eens is dat hij tot de canon behoort, maar wiens oeuvre vrijwel niet meer gelezen wordt. Op scholen wordt nauwelijks meer aandacht aan hem besteed, zelfs niet op de gymnasia. Alleen in de academische neerlandistiek is er nog belangstelling, getuige bijvoorbeeld het grote Vondelboek van Jan Bloemendal en Frans-Willem Korsten uit 2012: Joost van den Vondel (1587–1679). Dutch Playwright in the Golden Age. Tien jaar eerder eindigde Vondel op de tweede plaats, na Multatuli, in de door de leden van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden opgestelde literaire canon van Nederland.2

Deze ontwikkeling wordt ook weerspiegeld in de theaters, waar opvoeringen van stukken van Nederlandse toneelauteurs uit het verleden ver te zoeken zijn. Duitsland kent wat dat betreft een heel andere traditie. Daar worden werken van Schiller en Goethe regelmatig gespeeld, hoewel deze evenmin voor het grote publiek geschikt zijn. Nederland springt over het algemeen anders om met zijn literaire erfgoed. De media begroetten de opvoering van Vondels Gysbreght van Aemstel (1637) in de Amsterdamse Stadsschouwburg op nieuwjaarsdag 2012 dan ook als een bijzonder letterkundig evenement. Sinds de jaren zestig van de vorige eeuw was deze traditie verbroken, omdat Vondels in alexandrijnen geschreven stuk niet meer geschikt zou zijn voor het eigentijdse publiek.3 In 2012 was het kennelijk tijd voor een comeback. ‘De Grieken hebben Homerus, de Italianen Vergilius, wij hebben Vondel,’ luidde de aankondigingstekst.4

Het is niet voor het eerst dat er sprake was van een hernieuwde belangstelling voor Vondel. Dat gebeurde ook tijdens en na de Franse tijd. In 1795 vielen de Fransen over de bevroren rivieren Nederland binnen. Stadhouder Willem V vluchtte naar Engeland. Hoewel de patriotten aanvankelijk de kans kregen om de nieuwe Bataafse Republiek naar eigen inzicht in te richten, trok Napoleon de macht steeds meer naar zich toe. In 1806 plaatste hij zijn jongere broer Lodewijk Napoleon op de Nederlandse troon. Toen deze niet voldoende tegemoet kwam aan de eisen van de keizer, werd Nederland als provincie aan Frankrijk toegevoegd. De Nederlandse economie bevond zich in deze tijd in een diepe recessie, mede als gevolg van het door Napoleon ingevoerde Continentaal Stelsel (1806), dat de handel met Engeland verbood. Bestond er al eerder een anti-Franse stemming, tijdens de annexatiejaren 1810–1813 nam deze sterk toe, mede door de beruchte conscriptie. Dit gevoel vertaalde zich ook in een afkeer van de Franse taal en van Frans toneel. De nieuwe belangstelling voor Vondel moet worden beschouwd in het licht van het nationalisme gedurende en na de Franse tijd. Er bestond een behoefte aan ‘grote’ vaderlanders. Vooral de zeventiende eeuw fungeerde als een Fundgrube voor nationale helden.5 Toen zou niet alleen de economie hebben gefloreerd (door de VOC), maar ook de literatuur, dankzij auteurs als Hooft, Cats en Vondel.

Toch is er nog een andere reden die de nieuwe belangstelling voor Vondel kan verklaren: de opkomende geniecultus aan het begin van de negentiende eeuw. In veel genootschappelijke verhandelingen uit deze periode werd de auteur gepresenteerd als een uitzonderlijk, oorspronkelijk en onnavolgbaar genie (afb. 1). Hooft en Cats waren wel grote schrijvers, maar hun talent verbleekte bij het stralende genie van Vondel. Deze was volgens velen te vergelijken met een verheven adelaar. De manier waarop Vondel werd gerepresenteerd, illustreert de opkomst van de negentiende-eeuwse geniecultus.

Deze beeldvorming, de constructie van een nieuw, vroeg negentiende-eeuws Vondelbeeld, staat in dit artikel centraal. Welke metaforen en vergelijkingen zette men in om zijn dichterschap te karakteriseren? Welk effect heeft de geniecultus gehad op de beeldvorming van Vondel? Zoals zo vaak met historische personen, zegt de wijze waarop met de auteur werd omgesprongen meer over de negentiende eeuw dan over Vondel zelf. Men kon in hem de eigen ideeën, poëticale opvattingen en obsessies projecteren.

Binnen de letterkundige genootschappen, zoals de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, spraken geleerden in de vroege negentiende eeuw, meer dan in eerdere jaren, over de waarde van Vondels dichterschap. Tegelijkertijd werd een zoektocht gestart naar een eigentijdse Vondel. Hoewel er in het verleden uitvoerig aandacht is besteed aan de visie die op Vondel bestond in de negentiende eeuw,6 is er tot op heden relatief weinig interesse in de genootschappelijke beeldvorming. Vooral de voorgelezen verhandelingen van de Utrechtse hoogleraar en letterkundige Adam Simons zijn in dit opzicht van belang.

Toch was niet iedereen over Vondel te spreken. P.G. Witsen Geysbeek (1774–1833), auteur van het Biographisch, anthologisch en critisch woordenboek der Nederduitsche dichters (1821–1827), vond dat in Vondels poëzie de ‘grofste gebreken naast de voortreffelijkste schoonheden’ gevonden konden worden en waarschuwde jonge dichters die hem wilden navolgen.7 Evert Wiskerke heeft laten zien dat Geysbeeks kritiek samenhing met Geysbeeks eigen geloofsopvatting en zijn afschuw van Vondels bekering tot het katholieke geloof rond 1640.8 In de gedichten en verhandelingen die in dit artikel aan de orde komen, gaan de auteurs overigens voorbij aan Vondels religie; ze beschouwen hem eenzijdig vanuit een nationalistisch-letterkundig oogpunt.

Beknopte voorgeschiedenis

In de vroege negentiende eeuw mocht er dan een nieuw beeld van Vondel ontstaan, in de decennia daarvoor was er ook onophoudelijk aandacht voor zijn leven en werk. In de achttiende eeuw leefde bij velen het idee dat er sprake was van (economische en morele) achteruitgang. De aandacht voor de vaderlandse letteren werd gezien als een manier om het verval tegen te gaan. Er heerste dan ook een ‘algemene genootschapsideologie van zedelijk en maatschappelijk herstel’.9 Zo werd in de jaren zestig van de achttiende eeuw over Vondel gesproken binnen het studentengenootschap Minima Crescunt, waaruit in 1766 de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde zou ontstaan.10 In de door dit gezelschap uitgegeven Maendelijksche by-dragen ten opbouw van Neer-land’s tael- en dicht-kunde (1758–1762), gevolgd door Nieuwe bydragen tot opbouw der vaderlandsche letterkunde (1763–1766), werd geregeld over de auteur gedebatteerd.11

Jan Macquet (1731–1798) publiceerde bijvoorbeeld een ‘Verhandeling over de voortreffelijkheid der oude en hedendaegsche Poëten’, waarin hij Vondel kritisch benaderde. In een tijd dat men meende dat literatuur alleen kon ontstaan als deze gecorrigeerd was door vrienden (de beruchte ‘beschavingsdrang’),12 beknorde Macquet Vondel om zijn slordigheid. Het was zelfs gebruikelijk om voorstellen ter verbetering van canonieke auteurs te publiceren; zo zijn opmerkingen bewaard van de leden bij Vondels Palamedes oft Vermoorde onnooselheyd (1625).13 Macquet was van mening dat een dichter lang aan zijn verzen moest schaven, ze aan zijn kunstvrienden diende te laten lezen en terughoudend moest zijn met publiceren. Virgilius bewerkte zijn Aeneis meer dan twaalf jaar en volgde het commentaar van kunstvrienden op. Als Vondel wat meer en kritischer naar zijn toneelstukken had laten kijken, waren ze nóg beter geweest:

VONDEL [heeft] [...] te veel geschreven, ten minsten zyne schriften niet beschaefd, gelijk hy hadt kunnen doen. Zoo hy wat minder geschreven, en zyne Verzen wat beter beschaefd hadt, zouden zyne uitmuntende werker nog heerlyker wezen. Hy heeft zeker voorname mannen, HUIG DE GROOT, HOOFT, VOSSIUS enz. raed gepleegd, doch niet altijd, en meest alles te schielijk uitgegeven. Velen zyner Treurspelen [...] toonen klaer, dat hy zich te veel gehaest heeft. Hierom zijn ’er vele feilen in, die VONDEL gemaklijk zoude verbeterd hebben, die kundige vrinden, zoo hy haer niet zag, noodzakelijk moesten gezien hebben, indien hy hen zyne Verzen hadt laten lezen, zoo hy zich behoorlyken tyd gegund hadt.14

Rhijnvis Feith, die eveneens bewondering had voor Vondel, gebruikte een citaat uit de Gysbreght van Aemstel als motto voor zijn briefroman Julia (1783). Het sloot perfect aan bij de sentimentalistische thematiek van het boek. Ware liefde kan niet in het aardse tranendal, maar slechts in het hiernamaals worden ervaren: ‘Daar zo de Liefde viel, / Smolt Liefde ziel met ziel, / En hart met hart te gader – / Die Liefde is sterker dan de dood; / Geen Liefde komt Gods Liefde nader, / Nog is zo groot.’15

Er was daarnaast ook ruime belangstelling voor Vondel in achttiende-eeuwse taalkundige studies, zoals die van D. van Hoogstraten.16 Het zijn slechts een paar voorbeelden waaruit blijkt dat Vondel in de achttiende eeuw niet over aandacht te klagen had. In de vroege negentiende eeuw ontstond echter het nieuwe Vondelbeeld dat samenhing met de introductie van nieuwe poëticale ideeën en de opkomst van het (romantische) geniebegrip.17 Vondel kwam toen te boek te staan als de vorst der dichtkunst.

Vondel in de poëzie

Vele dichters uit de vroege negentiende eeuw schreven gedichten over Vondel. Doorgaans gaat het niet om grote werken, maar om kleine versjes en fragmenten. Toch kunnen deze iets duidelijk maken over de manier waarop naar de dichter werd gekeken. Was er in de tweede helft van de achttiende eeuw nog kritiek geuit op de vermeende slordigheid van Vondel, in de vroeg negentiende-eeuwse poëzie vindt men niets dan lof voor de vorst der dichters. Het spreekt vanzelf dat in dit artikel slechts een fractie van de stortvloed aan Vondelpoëzie kan worden besproken. Willem Bilderdijk (1756–1831), die bewondering voor hem had,18 schreef in 1793 het versje ‘Vondel’. Daaruit blijkt dat hij diens bijzondere talent erkende:

Een ruwe diamant, maar van het eerste water;
 Die door zich-zelven blonk, ontleende kunst ter spijt:
Rechtschapen Filomeel by ’t schaatrend spreeuwgesnater,
 En Orfeus by de Pans van onzer Vaadren tijd.
Roemruchtig Nederland, door Vondels geest verheven!
Waar Vondel slechts altijd uw Vondel niet gebleven!18

In een gedicht dat hij in 1808 voorlas voor de leden van Felix Meritis, ‘Dichthulde aan Amsterdam’, wees Bilderdijk Vondel expliciet aan als zijn literaire voorbeeld en als zijn leermeester. Hij stelde dat hij vereerd was op te mogen treden in Amsterdam, stad van de ‘ware Poëye’ en ‘VONDELS godenval’. Het vers moet men beschouwen tegen de achtergrond van de politieke situatie van die tijd. Nederland was een koninkrijk geworden onder Lodewijk Napoleon. Bilderdijk maakte zich, net als andere letterkundigen, zorgen over de positie van de Nederlandse taal en literatuur. In de theaters werden veel Franse stukken opgevoerd. Bilderdijk kon dan ook opmerken dat Vondel vertrapt werd door de voorliefde voor ‘vreemde’ literatuur:

Ja, neem uw eigendom, ô Vondel, ô mijn meester,
Te rug! Uw blinkend loof verwelkt op vreemden heester:
Men grift uw loten niet, en haar zoo kiesche vrucht,
Op voos en saploos hout, vermolmd in barre lucht.19

Bilderdijks aartsvijand, Matthijs Siegenbeek (1774–1854) (afb. 2), was eveneens een bewonderaar van Vondel. De Leidse hoogleraar in de Nederlandse taal en welsprekendheid was onvermoeibaar in het promoten van zeventiende-eeuwse auteurs.19 Volgens hem was de Nederlandse taal en literatuur verbasterd geraakt. Om een nationaal bewustzijn te stimuleren wilde hij zijn studenten kennis laten maken met voorbeelden van zuivere letterkunde. Daartoe waren zijns inziens vooral de werken van zeventiende-eeuwers als Hooft, Cats en Vondel geschikt. Deze schreven krachtig en ‘mannelijk’ Nederlands, waaraan de eigentijdse generatie een voorbeeld kon nemen. Ter illustratie van de waarde van deze schrijvers publiceerde Siegenbeek twee bloemlezingen, Proeven van Nederduitsche welsprekendheid (1799) en Proeven van Nederduitsche dichtkunde uit de zeventiende eeuw (1806). Daarin nam hij de ‘voortreffelijkste kunstgewrochten’ op. Volgens hem was het de plicht van iedere Nederlander hiervan kennis te nemen, nu de eigen identiteit door ‘vreemde smetten’ werd bedreigd. De hoogleraar pleitte voor een herwaardering van de zeventiende-eeuwse letterkunde. Daarvoor had hij geen literair, maar veeleer een politiek-nationalistisch motief.

Siegenbeek was daarnaast een actief genootschapslid. Zo las hij als voorzitter bij de opening van de jaarvergadering in 1801 van de Bataafsche Maatschappij van Taal- en Dichtkunde (de voorloper van de Hollandsche Maatschappij van Fraaije Kunsten en Wetenschappen) een eigen lierzang op Vondel voor.20 Hij vergeleek de dichter met Pindarus en Homerus en noemde hem de ‘Flonkerster’ van Nederland. Hij was naar eigen zeggen niet in staat om recht te doen aan diens verdiensten en kon enkel verrukt en opgetogen staren naar diens onnavolgbare dichtroem. Niemand was bij machte Vondel naar de kroon steken:

Van daar, dat we in zijn dichttafreelen,
 Waarvan ’t gezigt ons streelt, ons boeit,
De vonken van dien geest zien spelen,
 Die in Homerus zangen gloeit.
Van daar, dat, boven de aard’ verheven,
Zijn grootsche Zangnimf ons doet zweven
 Door ruimte, die geen palen heeft.
Zoo zien wij, onder ’t duislend staren,
Den adelaar ons oog ontvaren,
 Daar hij der zon in ’t aanzigt streeft.22

Ook anderen loofden Vondel in hun poëzie. Zo bestempelde Jan Frederik Helmers (1767–1813) – de auteur van het vaderlandslievende verzetsdicht De Hollandsche Natie (1812) – Vondel als zijn literaire voorbeeld. Deze had met zijn onnavolgbare talent het geheim van de poëzie voor hem ontrafeld:

Hoe hulde aan U gedaan, mijn Meester? ja, ’k erken
Dat ik mijn kunst, mijn roem, U, Vondel! schuldig ben!
Mij, doode stof, hebt gij bezield! de vonk geslagen,
En in mijn’ Chaos ’t licht, dat U omstraalt, doen dagen!
Wat ware ik zonder U, ik, nietig Bard, geweest!
’k Ontstak mijn dor vernuft aan uw’ verheven geest!
En wil thans Neêrland naar mijn zwakke zanger hooren,
Aan U, zij al mijn roem, zij al mijn dank beschoren.23

Vondels geboorte werd door Helmers beschreven als de komst van een genie op aarde; zij werd aangekondigd door het klapwieken van een vlucht wonderschone blanke zwanen. Deze zongen een tweede lofzang; de eerste hadden ze ten gehore gebracht bij de geboorte van Phebus: de zonnegod Apollo. De verschijning van Vondel op het toneel vergeleek Helmers met een fiere zwaan, die ‘den landstroom af kwam dalen’. De schoonheid die Vondel met zijn toneelspelen, zoals Lucifer (1654), terug op aarde bracht, was voor het laatst aanschouwd toen Adam en Eva nog in de Tuin van Eden vertoefden. Dichters als Racine en Corneille hadden ook hun verdiensten, maar waren niet te vergelijken met Vondel. Deze had de dichtkunst, die sinds jaar en dag in een kooi opgesloten zat, namelijk weten te bevrijden. Het is ligt voor de hand dat Helmers door Vondel te eren tegelijkertijd kritiek uitte op de Franse bezetters. De dichter maakte gebruik van het contrast tussen donker en licht, tussen verval en wedergeboorte van de poëzie:

Zoo, Dichtkunst, was uw staat, in de eeuw toen Vondel leefde.
Ja, hij was de adelaar, die in het zonlicht zweefde;
Door de onbegrensheid heen zijn scheppende oogen sloeg,
En ’t menschlijk hart, zijn prooi, met zich ten hemel droeg.24

Ook de Amsterdamse dichter Cornelis Loots (1765–1834) publiceerde een lofdicht: Hulde, toegebracht aan de nagedachtenis van J. van den Vondel (1818). Hij schreef het naar aanleiding van de succesvolle en drukbezochte opvoering van de Gysbreght van Aemstel in de Amsterdamse schouwburg in december van het jaar 1818. Ook hij wees Vondel aan als zijn voorbeeld, als het ‘geliefde model, dat ik van der jeugd af voor mijne zangster verkoos’ en betitelde hem als de vorst van alle dichters. Zelf voelde hij zich als het ‘jong des aadlers’, dat enkel in het luchtruim kan staren en beseft dat hij zijn vader niet in diens vlucht kan volgen:

Gij, VONDEL! gij, als held en gids,
Nog nooit vervangen aan de spits
 Van Neêrlands dichtrenscharen;
Gij, door geen ander legerhoofd
Ooit afgelost, van staf beroofd,
 Door geen nog te evenaren.25

Een genootschappelijk genie

Uit de besproken gedichten komt naar voren dat Vondel in de vroege negentiende eeuw een bijzondere status werd toegekend. Men presenteerde hem als een oorspronkelijk en onnavolgbaar genie dat de kluisters van de Nederlandse poëzie had verbroken en voor een letterkundige bloeiperiode had gezorgd. Waar kwam deze visie vandaan? Het beeld van Vondel als een genie moet worden beschouwd in het licht van de genie- en oorspronkelijkheidscultus in de eerste decennia van de negentiende eeuw. Was hierover al eerder getheoretiseerd, bijvoorbeeld door Rhijnvis Feith en Hieronymus van Alphen, na de Franse tijd kreeg het debat een prikkel. Men ging op zoek naar het prototype van de ‘ware dichter’: iemand die geen voorgangers imiteerde, maar zijn eigen weg bepaalde.21 De verhandelingen die in de eerste decennia van de negentiende eeuw over Vondel werden voorgelezen binnen de genootschappen moeten dan ook niet alleen worden geïnterpreteerd tegen de achtergrond van het nationalisme, maar tevens in de context van het opkomende geniebegrip (dat doorgaans wordt geassocieerd met de Romantiek). In deze paragraaf wordt stilgestaan bij de inhoud van een aantal verhandelingen over Vondel die werden voorgelezen bij Leidse genootschapsvergaderingen – uitingen van de orale cultus van de negentiende eeuw.22

In 1807 publiceerde Siegenbeek een essay over de dichterlijke verdiensten van Vondel, de ‘Vorst en Vader der Nederduitsche dichteren’. Dat had hij eerder voorgelezen bij de Leidse afdeling van de Bataafsche Maatschappij van Taal- en Dichtkunde.23 Uit zijn stuk blijkt dat de literatuuropvatting zoals die in de tweede helft van de achttiende eeuw werd gehuldigd – het dichten was geen gave, maar leerde je door te oefenen en te beschaven – was gewijzigd. Siegenbeek stelde expliciet dat Vondel, die hij betitelde als een echte dichter, blijk gaf van een ‘aangeborene verhevenheid van geest’, die ‘door geene kunst noch oefening verkregen’ kon worden.24 Vondel had zijn gave te danken aan de Voorzienigheid, die hem met een ‘uitstekenden aanleg’ had begiftigd. Hij was een van die ‘zeldzame stervelingen, welke, door de natuur tot iets verhevens’ waren gevormd. Siegenbeek beklemtoonde dat Vondel de kenmerken bezat van een ware dichter: ‘stoutheid’, ‘oorspronkelijkheid van vernuft’, ‘levendigheid’, ‘sterkte van gevoel, vuur’ en ‘snelheid van verbeeldingskracht’. De zestiende eeuw was wel rijk geweest in dichterlijke voortbrengselen, maar dat waren werken zonder ‘geur en smaak’. De toneel- en dichtstukken die in deze tijd waren geschreven, werden gekenmerkt door een gebrek aan oorspronkelijkheid en zuiverheid van taal. Ook Siegenbeek presenteerde Vondel dus als degene die de vaderlandse letteren met zijn oorspronkelijkheid had bevrijd:

Door hetzelve aangedreven, verlaat hij de effene en betredene velden, om zich, in een woest en schaars bezocht landschap, eenen eigenen weg te banen; door hetzelve verheft hij zich boven het lage en gemeene, en streeft, gelijk een adelaar, met stoute wieken naar hoogere en onbekende gewesten.25

Slechts eenmaal verving Siegenbeek zijn lof door milde kritiek, toen hij toegaf dat er op treurspelen van Vondel ‘omtrent de schikking en zamenstelling des geheels’ kleine aanmerkingen te maken zijn. Hij vergoelijkte deze foutjes door te stellen dat Vondel geen geletterde opvoeding had mogen genieten.26

Een andere professor die actief was binnen de genootschappen was Adam Simons (1770–1834) (afb. 3).27 Hij werd in 1816 tot hoogleraar in de Nederlandse letterkunde te Utrecht benoemd. Zijn inaugurele rede hield hij op 25 maart 1816 over een in die tijd hoogst actueel onderwerp: het fenomeen van de ware dichter. In juli van dat jaar werd hij benoemd tot lid van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, waar hij geregeld als spreker zou optreden. In zijn redevoering benadrukte Simons dat hij de ware dichter als een ‘profeet en gezant des hemels’ beschouwde, als een adelaar die ‘ten hemel stijgt, in hooger spheren zweeft, eene nieuwe wereld schept en ons daar henen voert’. Zijn taak was om zijn gevoelens in zijn publiek over te storten. Ook de verbeelding was onontbeerlijk. Simons verzette zich tegen het achttiende-eeuwse idee dat het dichten een vaardigheid was. Niet oefening vormde de dichter, maar enkel de natuur. Zijn talent kon door opvoeding en beschaving wel ontwikkeld, maar nooit verkregen worden. Toch moest een dichter, die Simons vergeleek met een ruwe diamant, zijn denkbeelden wel aan de ‘toets der rede’ onderwerpen. Bovenal kenmerkte de ware dichter zich door oorspronkelijkheid. Hij durfde, aldus Simons, ‘zijne voorbeelden verlaten, zoodra zij hem niet meer dienen, en hij zijne eigen kracht gevoelt’:

Gelijk het kind, den leiband ontwassen, geen’ teugel meer behoeft, en ongeboeid daar henen loopt; ook alzoo verwijdert hij zich van zijn’ gids, die hem voorheen geleidde, hij vervolgt zijn’ eigen weg; hij baant met vasten tred zich zelven een spoor, dat anderen, vóór hem, nooit betraden.28

Een logische vraag was wie Simons nu als een ware dichter beschouwde. Een antwoord daarop gaf hij impliciet in een lezing die hij in de winter van 1818 tijdens een vergadering van de Maatschappij hield: ‘Herinnering aan het tijdvak van Frederik Hendrik, bijzonder met betrekking tot de Nederduitsche poëzij’. Simons benadrukte dat het geluk van een natie verbonden is met de beoefening van de letteren. Met andere woorden: de literatuur kon bijdragen tot de voorspoed van het vaderland. De zeventiende eeuw, een periode vol ‘blijden wildzang’, was volgens Simons voorafgegaan door een dor tijdperk waarin de dichtkunst niet meer was dan het ‘gekras der raven’. In de zeventiende eeuw was de dichtkunst echter vervangen door ‘ware poëzij’. Het doel van de dichters in deze periode was om te ‘leeren en te stichten met hun vrome gedachten’. Hun werken spoorden lezers nog altijd aan om hen in taal en deugd na te streven. Auteurs als Cats en Hooft hadden hun steentje bijgedragen aan de roem van de Nederlandse letteren. De grootste dichter was in Simons’ ogen Vondel – met zijn ‘arendsoogen, die fonkelen van vuur’ – die zijn eigen weg ging en die ‘niets van anderen, maar alles alleen van zich zelven ontleende’.29

Tijdens een lezing die hij op 24 november 1820 bij de Maatschappij hield, ging Simons ook afzonderlijk in op het dichterschap van Vondel, dat hij vergeleek met dat van Cats en Hooft. Hij beschouwde Vondel als de grootste Nederlandse dichter uit de geschiedenis, die vergelijkbaar was met een avondster, die door zijn helder licht de ‘glans verdooft van al het gestarnte, dat aan den hemel fonkelt’. Hooft en Cats waren afkomstig uit welgestelde gezinnen, kregen beiden een geletterde opvoeding en vervulden voorname maatschappelijke functies. Voor Vondel, afkomstig uit een sober gezin, was dit niet weggelegd; hij was ‘gelijk eene plant in de wildernis’, maar toch steeg hij ‘hooger in zijne arendsvlugt, dan die beide dichters’. Simons beschouwde Jacob Cats, die geroemd werd om zijn vroomheid en zijn pogingen om de natie met wijze lessen tot deugdzaamheid te stemmen, als een weinig oorspronkelijk dichter. Zijn poëzie behaagde de lezer, maar miste de ware verhevenheid. Lyriek, de ‘ware toets’ voor poëzie, schreef Cats immers niet.30

Opmerkelijk zijn de metaforen die Simons koos om Cats en Vondel te karakteriseren. De eerste vergeleek hij met een ‘zwaan, die op den vlakken stroom statelijk drijft naar den oever’. Cats’ werk was vergelijkbaar met een lieflijke beek, ‘die met haar koel en helder water stil en onmerkbaar daar henen loopt, en in haar zacht gemurmel den vermoeiden reiziger noodigt, zich bij haar neer te zetten om hem te laven’. Vondel was als dichter een onstuimige rivier, die met ‘woest gedruisch in het dal nederstort, in diepe kolken draait, en woelt in wijde kringen, wier statelijke komst gelijkt naar een magtig heir, dat op zijn’ togt door het sidderend landschap trekt en alles medevoert’. Cats was bovendien een poëet die makkelijk en te allen tijde kon werken. Hij was, in tegenstelling tot de ware dichter, niet afhankelijk van goddelijke aandrift of inspiratie.31 Het aantasten van Cats’ reputatie – een proces dat de criticus Cd. Busken Huet (1826–1886) later zou voltooien – werd dus al in deze periode door Simons in gang gezet.32

P.C. Hooft was in Simons’ ogen evenmin een ware dichter; zijn verzen zijn meer ‘gewrochten der kunst, dan wel eene uitstorting van ’t gevoel des harte’. Hij schreef ‘weelderige’, in plaats van eenvoudige poëzie en hanteerde verouderde taal en gekunstelde metra. Maar Hooft had slechts weinig gelegenheid om zijn poëzie te veredelen, omdat hij zijn Nederlandsche Historien schreef. Vondel was wel een ware dichter; zijn werk kenmerkt zich niet door imitatie, maar door oorspronkelijkheid. Gekunstelde verzen verlagen een dichter tot een rijmer, aldus Simons: ‘Neen! de echte dichter stort zijne eerste gewaarwording uit, eer hij aan een bepaalde maat gedacht heeft, en de eerste opwelling van zijn gevoel stemt ook zijn lied in dien eenigen toon, die ware muzijk is’. Kortom, de ware dichter moest, naar het voorbeeld van Vondel, slechts zijn gevoelens uitstorten. Kunstregels en wijze lessen, zoals in het werk van het Hooft en Cats, behoorden niet tot het wezen van ware poëzie. ‘Met regt’, zo besloot Simons zijn verhandeling, ‘boogt Nederland dan op VONDEL, als op zijn’ eersten Zanger’.33 De Utrechtse hoogleraar gaf zo blijk van een poëtica waarin hij het literaire authenticiteitsideaal in verband bracht met de zeventiende-eeuwse vaderlandse poëzie.34

Op zoek naar een nieuwe Vondel

Er werd niet alleen getheoretiseerd over de ware dichter, tegelijkertijd ondernam men een zoektocht naar een eigentijdse Vondel. Deze werd gevonden in de geleerde en dichter Willem Bilderdijk (afb. 4).35 Net als Vondel werd hij beschouwd als een genie en vergeleek men hem met een adelaar die in staat was op te stijgen naar hogere sferen. Deze gave had weliswaar een schaduwzijde – zwaarmoedigheid, melancholie en lichamelijke en geestelijke kwalen – maar deze keerzijde was tegelijkertijd een bewijs van zijn genie. Een ware dichter was overgevoelig en ervoer de werkelijkheid anders dan gewone mensen. Het is niet ondenkbaar dat Bilderdijk zich voor zijn imago als ware dichter mede door Vondel liet inspireren. Zijn brieven staan vol al dan niet gefingeerde fysieke en mentale klachten. Hij had voortdurend het gevoel dat hij niet lang meer te leven had, was dikwijls depressief, had last van gonzingen in het hoofd en verlangde onophoudelijk naar de dood (afb. 5). Zijn lijfspreuk was niet voor niets: ‘My, my is dit aan zijn straf, / En ik reikhals naar het graf.’36 Als sinds de Klassieke Oudheid werd er een verbintenis gelegd tussen genie en melancholie. Zwaarmoedigheid werd beschouwd als onvermijdelijk symptoom van genialiteit.37

Geeraardt Brandt (1626–1685) positioneerde Vondel in ‘Het leven van Joost van den Vondel’ (1682) eveneens als een melancholisch dichter, die tijdens het schrijven van zijn werken last had van zwaarmoedigheid, ‘die de Geneesmeesters melancholia hypochondriaca noemen, om dat ze haaren oorsprongk heeft uit het ingewandt’.38 Elders stelde Brandt dat Vondel ‘zwaargeestig van aardt’ was, ‘doch diepdenkende, had altyd zyne gedachten gespannen; met zyn verstand en zinnen, gestadig werkende op zyne vaarzen, en zwanger gaande van aardige vonden’.39 Bilderdijk was dus net als Vondel een dichter die ondervond dat genie, melancholie en prikkelbaarheid samenhangen. Ook hun afwijkende uitlatingen in politiek en godsdienstig opzicht moeten in het licht van hun unieke gave worden beschouwd. Vondel geselde zijn omgeving met felle hekeldichten en bekeerde zich tot de katholieke kerk, terwijl Bilderdijk zich verzette tegen de verlichtingsgeest van de vroege negentiende eeuw. Ook de Amsterdamse letterkundige Jeronimo de Vries (1777–1853), die met Bilderdijk bevriend was geweest, wees op deze overeenkomst tussen beide auteurs:

VONDEL had een diep verstand, fijnen smaak, maar een zeer prikkelbaar, melancholisch gestel. Hij had dit gemeen met den eenigen Feniks van onzen tijd. Zij werden daardoor wel eens scherp en bitter. Zij waren geene lieden, om in staats- of Godsdienstzaken koud of koel te blijven. Zij kozen onderscheidene wegen of partijen; maar het zij de één of de ander het dwaalpad of regte spoor geacht kan worden te hebben ingeslagen, Kerk, Vaderland, Vrijheid lagen beiden zeer naauw aan het hart. Te groote ijver prikkelde hen welligt tot uitersten; maar beiden handhaafden in taal en dichtkunst eene edele nationaliteit.40

Al in 1808 werd Bilderdijk door Siegenbeek getypeerd als ‘den Vondel onzer dagen’.41 Zelf vond hij de vergelijking onjuist. Men moest hem niet met Vondel vergelijken, en Vondel niet met hem. Ware dichters waren oorspronkelijk en stelden zich geen voorgangers ten voorbeeld: ‘Wat mag me een vleiend vers als TWEEDENVONDEL loven; / Ach! weinig zegt die lof, hoe ze andren blink’ in ’t oog. / De WAREDICHTER gaat wat vóór hem was, te boven, / En ’t voorbeeld dat hy geeft, is wie hem volgt, te hoog.’42

In 1830 ontving Bilderdijk van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde een gouden erepenning, waarmee hij gelauwerd werd als de grootste dichter van zijn tijd.43 De voorzitter, Siegenbeek, typeerde hem toen opnieuw als de ‘tweeden VONDEL van Nederland’. Met zijn dichtwerk had Bilderdijk volgens hem een gedenkzuil gesticht, ‘duurzamer dan koper of het hechtste marmer’. De vergelijking was natuurlijk een gemeenplaats; Siegenbeek had Bilderdijk ook in een adem kunnen noemen met andere grote dichters, zoals Homerus, Vergilius of Pindarus. Tegelijkertijd werd Bilderdijk echter ook letterlijk gezien als de tweede Vondel. In de na zijn dood gepubliceerde Gedenkzuil voor W. Bilderdijk (1833) – een verzameling opstellen en verzen van bewonderaars – keert de vergelijking ook terug. De dichter wordt onder meer de ‘VONDEL onzer eeuw’, ‘niet minder, dan een VONDEL’ en ‘waardig VONDELS tegenhanger’ genoemd.44

In de jaren die volgden bleef men beide dichters regelmatig met elkaar vergelijken. Zo schreef Barthold Hendrik Lulofs (1787–1849), hoogleraar in de Nederlandse taal en letteren te Groningen:

Vondel, in Bilderdijk zaagt ge u gewijzigd herrijzen,
Bilderdijk, half reeds voorheen hebt gij in Vondel bestaan.50

Ook Hendrik Willem Tydeman (1778–1863), hoogleraar in de rechten te Leiden en een goede vriend van Bilderdijk, ging na diens dood in op de vergelijking, tijdens een lezing die hij in 1832 bij de Maatschappij hield. Daarin stelde hij dat Vondel, die het zonder studie moest doen, meer natuurlijke aanleg had. Bilderdijk vond hij echter veelzijdiger:

Men spreekt van vergelijking van BILDERDIJK en VONDEL, en hen als dichters gelijk stellende, kon men ten voordeele van VONDEL aanvoeren, al hetgene BILDERDIJK in geleerde studie en kennis vooruit had, en VONDEL vergoeden moest door natuurlijken aanleg, maar dan was toch VONDEL ook enkel dichter; en hoeveel was BILDERDIJK nog buitendien?45

Zelfs Isaäc da Costa (1798–1860) (afb. 6), die als meest fanatieke discipel van de dichter wel ‘de aap van Bilderdijk’ werd genoemd, ging omstreeks 1856 in op hun vermeende verwantschap. Vondel typeerde hij met de trefwoorden ‘oudste’ en ‘rijkste’, Bilderdijk daarentegen met ‘stoutste’ en ‘edelste’. Met oudste bedoelde hij dat Vondel volledig oorspronkelijk was, waardoor hij zelf een voorbeeld voor anderen vormde. Rijk was zijn werk niet door de veelzijdigheid ervan, maar ‘door die soort van gemakkelijkheid, ongedwongenheid, onbekrompenheid, die aan overvloeienden rijkdom eigen is’. Stoutheid, in de betekenis van ‘durf’, is meer op Bilderdijk van toepassing, die overal over durfde te schrijven, ook al bezat hij relatief gezien misschien minder ‘aangeboren dichterkrachten dan zijn voorganger uit krachtiger en forscher gebouwde Eeuw’. Bilderdijks werk ontsteeg Vondels oeuvre echter wat betreft edelheid, qua toon en vorm. Bilderdijk was meer ‘kunst’ (in de zin van gekunsteld), terwijl Vondel – die zich niet bewust was van zijn ‘rang en rijkdom’ als dichter – meer blijk gaf van ‘Homerische naïviteit’, kortom: oorspronkelijkheid. Als dichter was Vondel vergelijkbaar met een ‘kloeke en koene zeeman, die met bodems, zwaar van den rijkdom van werelden, op vleugelen door wind – of raderen door stoom – bewogen, de zilte velden van den verren Oceaan doorsnijdt en doorsnelt’. Bilderdijk was veeleer een waterbouwkundige, die ‘op andere wijze, de groote wateren van Neêrlands taal en poëzy beheerscht, ze langs kanalen leidend, tot opene havens vormend, binnen dammen en dijken bedwingend, door al die kunstgewrochten, in één woord, bewerkend, waardoor ook in dit vak de naam van Nederland bekend werd tot aan de einden der aarde’.46

Besluit

Zo bleef men nadenken over de vraag welke eigentijdse dichter de vergelijking met Vondel zou kunnen doorstaan. Hoewel er ook in de achttiende eeuw veelvuldig over de toneelauteur werd geschreven, ontstond er in de negentiende eeuw een nieuw beeld van Vondel. Deze werd in dichtstukken en verhandelingen gerepresenteerd als het prototype van de ware dichter, waarover aan het begin van de negentiende eeuw werd getheoretiseerd. Vondel vergeleek men met een adelaar, die in staat was om op te stijgen naar hogere sferen. Hij bezat een aangeboren gave, gaf blijk van eigen oorspronkelijkheid en imiteerde geen voorgangers. Bovendien was hij erin geslaagd de Nederlandse poëzie te bevrijden en de taal te zuiveren. Binnen de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde werd hij bestempeld als een oorspronkelijk genie. Cats en Hooft werden, vergeleken met hem, als tweederangs auteurs beoordeeld. Bilderdijk, in wie men een nieuwe Vondel meende te vinden, werd in zijn tijd eveneens als een ware dichter en als een adelaar getypeerd.47 Vondel werd niet alleen als de grootste dichter geëerd, hij bood negentiende-eeuwers ook de mogelijkheid de opgekomen fascinatie voor genieën in hem te projecteren. In die zin illustreert de beeldvorming van Vondel de opkomst van een (romantische) geniecultus in de vroege negentiende eeuw.