Het omslag van Joost van den Vondel (1587–1679): Dutch Playwright in the Golden Age wordt gesierd door het affiche van een Lucifer-opvoering uit 1918. Het is een strategische keuze, want Lucifer heeft van alle treurspelen van Vondel zonder meer de beste kaarten voor een internationale carrière. Daarbij spreekt dit affiche met vermeldingen van Willem Royaards, Hubert Cuypers en Richard Roland Holst voor interdisciplinariteit. De keuze is ook esthetisch en onhistorisch, omdat dit affiche een bij uitstek modern type macabere schoonheid in Vondels treurspel belicht. De Lucifer-figuur is bevroren in zijn val, hij hangt stil tussen de vlammen en vraagt vanuit die tijdloze ruimte om inzichten die hem in beweging brengen.

Naast deze aanmoediging tot een wetenschappelijke discussie, is het oogmerk van deze Engelstalige Vondelbundel, het eerste deel in de nieuwe Brill-serie Drama and Theatre in Modern Europe, ‘to increase the knowledge of Vondels work internationally’. (p. ix) Nederlandse letterkundigen kampen sinds de voorgenomen internationalisering van het vakgebied met de vrijwel algehele onbekendheid van ‘onze auteurs’ in het buitenland. Samenstellers Jan Bloemendal en Frans-Willem Korsten, die als classicus en literatuurwetenschapper wellicht met de internationale wetenschap in contact komen, maar daarbij wel afhankelijk zijn van de Nederlandse letterkunde, zullen de noodzaak van aansluiting bij het internationale discours des te sterker hebben gevoeld. Met deze publicatie pogen zij Vondel op te werken tot een Nederlandse Shakespeare.

Shakespeares toneelwerk vormt zo’n geschikt platform voor internationale publicaties omdat het, behalve literair en inhoudelijk buitengewoon interessant, bij iedereen bekend en integraal in het Engels voorhanden is. Bovendien is er verschrikkelijk veel over gepubliceerd. De teksten worden omgeven door een schil van interpretaties die hen, paradoxaal genoeg, beter zichtbaar maakt. Kunnen we ons Hamlet voorstellen zonder zijn onmetelijke culturele bagage? Wat zouden we zien door de duisternis van vijf eeuwen heen?

De samenstellers sluiten met deze Vondelpublicatie aan bij een bredere tendens van Engelstalige publicaties van en over Nederlandse vroegmoderne literatuur, in reactie op de belangstelling van internationale onderzoekers als Simon Schama, Deirdre McCloskey en Jonathan Israel voor de Nederlandse Republiek.

De timing voor de publicatie is dus uitgelezen. Geldt dat ook voor de opzet en de bijdragen? De bundel bestaat uit vier delen. Het eerste biedt in drie artikelen door vermaarde Vondelonderzoekers een overzicht van Vondels toneelwerk in de historische context (Eddy Grootes), in de overleveringsgeschiedenis (Riet Schenkeveld-van der Dussen) en bezien vanuit onze eigen tijd. Korstens ragfijn uitgesponnen betoog voor de actualisering van historische teksten met gebruikmaking van eigentijdse of ‘anachronistische’ middelen, (p. 25–26) vindt in deel III zijn uitwerking.

Deel II geeft een beeld van de stand van zaken in het Vondelonderzoek. Behalve the usual suspects, die speciaal voor deze bundel een artikel leverden over Vondels leven (Mieke B. Smits-Veldt en Marijke Spies), zijn religie (Judith Pollmann) en zijn relatie met Amsterdam (Grootes), hebben niet-letterkundigen en buitenlandse onderzoekers Vondel vanuit hun vakgebied bestudeerd. De artikelen worden gekenmerkt door een combinatie van de voor buitenlandse lezers cruciale basiskennis met een grote openheid voor nieuwe visies en vraagstellingen. Guillaume van Gemerts exploratie van de Vondelreceptie in West-Europa bijvoorbeeld, leidt tot de voor Nederlandse letterkundigen onverteerbare conclusie dat ‘le Vergil de la Hollande’ over de grens nauwelijks werd gekend (p. 198). Is het ijdele hoop te veronderstellen dat de eigenschappen die Vondel tot nu toe opbraken bij het verwerven van internationale bekendheid – katholiek, ongeleerd, provocatief – hem nu juist tot een lonend studieobject maken?

Deel III kent een opmerkelijke opzet; per artikel worden één of twee treurspelen behandeld door een bont gezelschap van geesteswetenschappers, waarvan velen nog aan het begin van hun wetenschappelijke carrière staan. De artikelen zijn gerangschikt naar methodologische of wetenschappelijke invalshoek (Dramaturgy, Cultural Analysis, Gender Studies, Psychoanalysis, Law and Literature, New Philology etc.). Hoewel deze benadering voor de serie The Cambridge Companion to … zeer succesvol is gebleken biedt ze in dit overzichtswerk een wat schoolse aanblik. De samenstellers hebben de lezers willen prikkelen tot het leggen van verbanden tussen de verschillende theorieën, methoden en treurspelen (p. x), en daar zullen ze zeker in geslaagd zijn, maar ik vraag me af of deze wat willekeurig aandoende selectie van methoden de aangewezen manier is om Vondel in het buitenland aan de man te brengen.

Deel IV ten slotte, omvat een uitgebreide bibliografie door Jan Bloemendal van Vondels toneelwerk, inclusief alle Engelse vertalingen, en de secundaire literatuur daarover. De bundel is integraal te raadplegen op de website BrillOnline en dat is een gebaar van internationale allure.

Om in te gaan op het voorstel van de samenstellers zal ik de artikelen van Bettina Noak (deel II) en Kristine Steenbergh (deel III) naast elkaar leggen. In haar artikel ‘Vondel as a Dramatist: The Representation of Language and Body’ gebruikt Noak benaderingswijzen uit het New Historicism en Cultural Studies om gender– en machtsrelaties in ten minste zes van Vondels aristotelische treurspelen aan te wijzen. Ze weet te overtuigen – weliswaar met grote stappen – dat in deze teksten de mannelijke ‘taal van de macht’ wordt uitgedaagd door een vrouwelijke ‘macht van het lichaam’, die door het performance-aspect van theater een ‘stem’ krijgt. Met name in het terugkerende motief van zelfopoffering ziet ze een instrument van extreem verzet voor de vrouwelijke personages, die zijn uitgesloten van de taal van de macht (p. 128). Dit verzet moet als een puur theatrale, want weinig humanitaire oplossing worden gezien. Noaks interpretatie weerlegt het bestaande beeld dat de emotionele, veelal vrouwelijke rollen in het vroegmoderne drama overwegend negatief werden uitgelegd, maar ze beperkt zich tot het symbolische niveau van de tekst.

Steenbergh overtuigt des te meer, omdat ze in het uitermate helder geschreven ‘Gender Studies – Emotions in Jeptha’ de theorie verbindt met een historische context. Uitgangspunt is dat de vrouwen in Jeptha beter zijn toegerust op de catastrofe die over hen wordt afgeroepen dan Jeptha zelf. Zij zoeken een geïsoleerde omgeving op om met hun emoties in het reine te komen, terwijl Jeptha zijn gevoelens op stoïsche wijze onderdrukt en te laat tot het juiste inzicht komt. Als zodanig representeren de vrouwen Vondels aristotelische poëtica, waarbinnen het theater een belangrijke plaats inneemt als ‘veilig isolement’ voor het doormaken van louterende emoties (p. 419). Steenbergh verbindt deze theorie met Vondels katholieke geloof, dat op vergelijkbare wijze aanzet tot gecontroleerde bezinning en dat lichamelijkheid en emotie erkent, waar protestanten zijn aangewezen op de individuele rede.

In beide artikelen representeren de vrouwelijke rollen een ethisch alternatief voor het overheersende mannelijke model, dat boogt op geweld, taal of de rede. Ze verbeelden niet alleen een onderdrukte groep, maar geven ook vorm aan kritiek op de machtsverhoudingen. Noak en Steenbergh slagen erin de politieke relevantie van Vondels teksten aan te tonen door via zijn werk te reflecteren op een nog altijd prangende kwestie.

Het streven om, door de bekendheid van Vondel in het buitenland te vergroten, Nederlandse vroegmoderne-cultuurwetenschappers een platform te bieden voor inter­nationale studies is prijzenswaardig. Inherent aan deze ambitie is de aansporing tot internationalisering aan het adres van de Nederlandse cultuurwetenschappers. Daarvoor is echter meer nodig dan een ‘Nederlandse Shakespeare’, namelijk de overtuiging dat vroegmoderne teksten relevantie bezitten en geactualiseerd kunnen worden voor hedendaagse lezers. Daar ontbreekt het misschien nog aan. Het zal niet de eerste keer zijn dat een gebaar naar de buitenwereld patronen in het eigen vakgebied blootlegt.