De pamflettencatalogi en de Short Title Catalogue Netherlands bieden grote hoeveelheden strijdbare religieuze publicaties, sommige voorzien van passende houtsneden of gravures, en er zijn enkele duizenden Nederlandse historieplaten in de historische atlassen van het Rijksprentenkabinet, de Atlas van Stolk en het Museum van Gijn te vinden. Veel daarvan draait om ruzie of meningsverschil over de politiek, de kerk of Gods Woord. Des te verrassender is het te constateren dat in het vroegmoderne uitgeversland dat de Republiek was, na de uitzonderlijke periode van de Bestandstwisten per saldo maar relatief weinig satirische prenten op religieuze zaken, verhoudingen en situaties zijn gemaakt, ondanks de miljoenen prenten en schilderijen die in de Gouden Eeuw het land overstroomden. Kennelijk waren Nederlanders sterker met het strijdbare woord dan in de beeldcultuur. Ze wisten beter hun eigen gelijk te beredeneren dan het ongelijk van de tegenstander aanschouwelijk voor te stellen of belachelijk te maken – reden te meer om de eigen plaats van zulke prenten in het bredere raam van een discussiecultuur onder de loep te nemen. Want hoewel ook teksten een dubbele bodem kunnen hebben, zijn prenten daarvoor geschikter: achter de beeldtaal, die zelf al dubbelzinnig kan zijn en aan allerlei standaarden en betekenistradities beantwoordt, liggen weer de teksten waarnaar het beeld verwijst, en ook die zijn zelden eenduidig. In dit boek, waarvan de meeste hoofdstukken eerder al in de een of andere vorm gepubliceerd waren, maar hier tot een samenhangende analyse zijn samengesmeed, worden de nog bestaande satirische prenten met een religieuze thematiek uit het laatste kwart van de zeventiende eeuw en het begin van de achttiende aan een uiterst gedetailleerde analyse onderworpen. Joke Spaans ontsluit hun betekenis door nauwkeurig de beeldtaal te ontraadselen en de lagen ervan stuk voor stuk af te pellen, zowel wat hun onmiddellijk leesbare en hun symbolische of allegorische visuele boodschap betreft, als door ze terug te plaatsen in de politieke en religieuze context en de tekstuele debatten van hun tijd, met identificatie van de betrokken medespelers en van de belangen die ermee gemoeid waren. Globaal onderscheidt ze telkens drie van zulke betekenislagen: die welke de maker van de prent er heeft ingelegd met gebruik van zijn eigen verbeeldingskracht en de iconologische tradities en conventies; de indruk die de prent in een concrete conflictsituatie op de toeschouwer bedoelde te maken; en de bredere religieuze boodschap die ze uitdroeg. Onnodig te zeggen dat het hier niet om eenvoudige volksprenten gaat maar om complexe vormen van beeldtaal. Ze zijn voor ons nog maar zelden onmiddellijk toegankelijk en vergen van de historicus een ware Sisyfusarbeid. In dat opzicht is dit boek beslist geslaagd. De lezer wordt door de auteur aan de hand meegenomen bij de ontcijfering van het prentmateriaal en krijgt daardoor niet alleen een helder beeld van de betekenis van de voorstellingen maar leert gaandeweg ook zelf hoe daarmee om te gaan en wordt gevoelig voor de almaar diepere betekenislagen waartoe de analyse leidt.

Na een heldere inleiding over religie en communicatie in de betrokken periode wor­den achtereenvolgens de prenten met betrekking tot een achttal conflicten besproken. Eerst de Zeeuwse kerktwisten rond de predikanten Momma, Van der Waeijen en Van de Velde in 1676, waarbij zowel tegenstellingen tussen Voetianen en Coccejanen als tussen autochtonen en inwijkelingen een rol speelden. Vervolgens twee fasen van de conflicten in de Lutherse gemeente van Amsterdam rond de aanstelling van nieuwe predikanten in 1680 en 1683. Daarna volgt een soort triptiek van drie prenten in dezelfde stijl en hetzelfde formaat uit het begin van de jaren 1690 met een satirische blik op de groep aanhangers van de eindtijdapostel Jan Rothé die de Vijfde Monarchie wilde realiseren (1676–77), de rechtszaak tegen de Alphense predikant Adriaan Bouman, opnieuw tegen een Voetiaan/Coccejaanse achtergrond maar op basis van heel concrete, persoonlijk getinte troebelen (1683–87), en het ‘duivelsgevecht’ rond de anti-duivelstellingen van Balthasar Bekker (1693). De analyse sluit met twee hoofdstukken waarin een meer inhoudelijke band wordt beargumenteerd tussen de teneur van twee reeksen prenten: de zeer persoonlijke Hieroglyphica-cyclus waarin Romeyn de Hooghe zijn visie op de relatie tussen religie en samenleving weergaf, en de reeks prenten getiteld Roma perturbata naar aanleiding van het conflict rond het jansenisme en de kerk van Utrecht (1705–07, 1724). Spaans stelt dat aan het begin van de achttiende eeuw de aard van de satire veranderde: niet langer ging het om incidenten, maar om een bredere kritiek op de relatie tussen kerk en religiositeit – een ongetwijfeld terechte stelling die goed aansluit bij het huidige historiografische discours over de veranderende plaats van kerk en religie in de samenleving van de vroege Verlichtingstijd. In een epiloog wordt de historiciteit van de verschillende typen satirische prenten nog eens benadrukt. Maar er zijn nog andere verschillen. Zoals Spaans terecht concludeert bleven de zeer complexe prenten met meerdere bodems en betekenisvelden feitelijk beperkt tot het domein van de publieke kerk, en vinden we bij de luthersen en katholieken eenvoudiger, gemakkelijker leesbare voorstellingen, die misschien ook voor een bredere doelgroep bestemd waren. Kennelijk was het geleerde debat niet echt aan de dissenters besteed, of misschien moeten we stellen dat de satires op zaken van de publieke kerk een bredere draagwijdte hadden en dus ook een complexer beeldtaal rechtvaardigden.

Het wemelt in dit boek van de ingenieuze interpretaties, die de auteur behalve veel hoofdbrekens ongetwijfeld ook veel verrassingen en zoekplezier zullen hebben bezorgd. De prenten zijn door hun twee- of driedubbele bodems veelal opgezet als echte zoekplaatjes: de kijker (liever: zoeker of beschouwer) moest proberen zijn arsenaal aan kennis op meerdere terreinen tegelijk te mobiliseren: de politieke en kerkelijke arena, de allegorische wereld, de beeldtaal van de kunsten. Die vormen van analyse zijn voor ons bijzonder moeilijk geworden omdat we die vanzelfsprekende referenties aan universa die ons vreemd zijn geworden nu missen en vaak alleen maar moeizaam kunnen reconstrueren. Het spreekt voor zich dat ook de analyse die Joke Spaans bij elk van de prenten biedt niet per definitie de enig mogelijke, uitputtende of definitieve is. Er is altijd wel weer een nieuwe dimensie of een nieuwe verwijzing naar een zich nog aan ons begrip onttrekkende actualiteit te vinden die de prent weer een net iets ander accent geeft of haar in een nieuw licht plaatst. Dat is geen kritiek op het geleverde werk maar is inherent aan de culturele wereld van voorbije tijden. Een simpel voorbeeld van een passage die mij ietwat sceptisch liet: de cryptische vermelding van ‘Isenborg by Halverstadt’ als drukkersplaats op de Bekker-prent van 1693 ontraadselt Spaans heel ingenieus als ‘de stad aan het ij (dus Amsterdam) niet ver van Halfweg’, vooral ook omdat er geen Isenborg bij het Duitse Halberstadt ligt. Ik volg haar hier graag in, maar wil niet uitsluiten dat er toch een andere bodem onder die plaatsaanduiding blijkt te liggen, want er bestond wel degelijk een (gereformeerd) graafschap Isenburg(-Büdingen) ten noordoosten van Frankfurt/Main met een adellijke familie van die naam, die later nog zou introuwen bij de Nederlandse Van Rechterens. En er ligt ook nog een Eisenberg in Thüringen. Zonder te willen stellen dat haar uitleg onjuist is, blijft het denkbaar dat die tekst toch nog naar een betekenisniveau verwijst dat ons nu ontsnapt bij gebrek aan kennis, inzicht of combinatievermogen. Maar dat is natuurlijk niet meer dan speculatie. Dit in vele opzichten vernieuwende boek is hoe dan ook een bewonderenswaardige prestatie, die niet alleen een nieuw bronnenveld exploreert maar de lezer ook veel kijkplezier geeft.