Johanna Bundschuh-van Duikeren. Bibliographie der niederländischen Literatur in deutscher Übersetzung. Band 2: Niederländische Literatur des 17. Jahrhunderts. Berlin/Boston, Walter de Gruyter, 2011. XXIV+880 pp. ISBN 978-3-11-022380-4. €249,00.

In de zeventiende eeuw werden zoals bekend in de Republiek vele duizenden Nederlandstalige teksten gedrukt. Ze werden ook over de grenzen verkocht én ze werden vertaald. De bibliografie van Duitse vertalingen van zeventiende-eeuwse Noord-Nederlandse teksten die Johanna Bundschuh-van Duikeren heeft samengesteld, maakt voor het eerst precies zichtbaar hoe de cultural transfer naar het Duitse taalgebied verliep.In een korte inleiding lichten Jan Konst en Bettina Noak de selectiecriteria toe. De bibliografie bevat gedrukte Duitse vertalingen van oorspronkelijk Nederlandse en in het Nederlands vertaalde titels van auteurs die in de zeventiende eeuw hun carrière startten. Wie na 1700 nog schreef werd volledig opgenomen, wie voor 1600 gestorven was (zoals Coornhert) werd niet opgenomen, ook al verschenen in de zeventiende eeuw nog drukken. Handschriften en Neolatijnse teksten bleven buiten beschouwing. Bundschuh-van Duikeren beperkte zich niet tot literaire teksten – de Duitse titel is voor Nederlandse ogen wat misleidend, maar duidt simpelweg op het begrip ‘tekst’. Behalve literatuur vindt men ook politieke, religieuze, historiografische, natuurwetenschappelijke, medische en reistitels. Ook bijdragen in bloemlezingen, verzamelbundels en pamfletten zijn opgenomen. De selectie volgt de vertalingen vanaf verschijningsjaar door de eeuwen heen tot vandaag. Ook de belangrijke negentiende eeuw is dus meegenomen en via de in het Nederlands vertaalde titels bijvoorbeeld ook het Engelse piëtisme in Duitsland. Ook wanneer enkel secundaire studies hebben uitgewezen dat een tekst een vertaling is, is deze opgenomen. Anderzijds is de beperking tot het Nederlands serieus gehandhaafd en zijn dus bijvoorbeeld geen uit het Frans in het Duits vertaalde romans geselecteerd. In totaal kwam Bundschuh-van Duikeren via systematische bibliografieën ongeveer 1400 vertalingen op het spoor, waarvan er ca. 660 zefstandig verschenen. Politieke pamfletten en religieuze literatuur vormden in de zeventiende eeuw samen 60% van de vertaalde teksten; daarna volgen medische teksten (10%), reisteksten (8%), literaire teksten (6%; met als toppers Daniel Heinsius en Jacob Cats) en tot slot geschiedenis en biografieën (5%).

De ordening van de titels is alfabetisch op Nederlandse auteur; anonieme teksten staan apart, alfabetisch op titel. In de registers zijn schrijvers en vertalers (incl. initialen), Nederlandse en Duitse titels, drukkers en uitgevers, en plaatsen van druk en uitgave te vinden. Bij dit nuttige instrument blijft nog slechts één ding te wensen over: een door­zoekbaar digitaal bestand.

door Lia van Gemert

Christel Theunissen, Paul Maas, Jos Koldeweij (red.). De koorbanken van Oirschot en Aarschot gezien door de lens van Hans Sibbelee en Jan Verspaandonk. (Nijmeegse Kunsthistorische Studies vol. XX.) Met DVD met 3D-reconstructie. Nijmegen, Vantilt, 2011. ISBN 978-94-6004-085-6. 178 pp. €24,95.

De publicatie behandelt de in 1944 verwoeste koorbanken van de Sint-Petruskerk te Oirschot, die in de vroege zestiende eeuw door de Eindhovense schrijnwerker Jan Borchmans zijn vervaardigd. Meer­dere fotografen legden het koorgestoelte voor de verwoesting uitgebreid vast, waardoor een nadere studie alsnog mogelijk is. De koorbanken in de Onze-Lieve-Vrouwerkerk te Aarschot – eveneens door Jan Borchmans gemaakt – bleven wel bewaard. Het boek zet de totstandkoming van beide koorgestoeltes in historisch perspectief en biedt een stilistische vergelijking van beide banken. Hieruit blijkt niet alleen een verwantschap, maar ook een verschil in uitvoering van details. Dergelijke afwijkingen kunnen aan de werkwijze van het atelier van Borchmans en zijn (wisselende) medewerkers worden toegeschreven. Een iconografische analyse toont dat de wangen van beide koorgestoeltes andere scènes bevatten. Dit kan worden verklaard uit het feit dat de kerken in Oirschot en Aarschot verschillende patroonheiligen hadden, wat in het decoratieprogramma van de koorbanken tot uitdrukking komt. De bijgeleverde DVD bevat een virtuele reconstructie van de koorbanken van Oirschot.

door Gabri van Tussenbroek

Arnoud S.Q. Visser. Reading Augustine in the Reformation. The Flexibility of Intellectual Authority in Europe, 1500–1620. Oxford, Oxford University Press, 2011. XIV+240 pp. ISBN978-0-19-976593-5. £ 45,00.

In de zestiende eeuw verschenen Augustinus’ werken in bijna 500 verschillende edities, bloemlezingen niet meegerekend. Augustinus was met afstand de belangrijkste kerkvader, hoewel niet de belangrijkste auteur uit de oudheid: Aristoteles (>1000) en vooral Cicero (<3000) kregen meer edities. De vroegmoderne leesgeschiedenis van Augustinus staat centraal in dit goed geschreven boek. Arnoud Visser analyseert de ‘productie’, ‘circulatie’, en ‘consumptie’ van Augustinus’ werken.

Het eerste deel bespreekt drie majeure edities van Augustinus’ opera omnia: die van Johann Amerbach (1505–1506), Erasmus (1528–1529) en de Leuvense theologen (1576–1577). Vele werken van Augustinus, waaronder de meeste anti-pelagiaanse geschriften, die cruciaal zouden blijken voor de Reformatie, waren vóór Amerbachs editie nooit in druk verschenen. In elf banden bood Amerbach zijn tijdgenoten een nieuwe toegang tot Augustinus en een aanzet tot Augustijnse canonvorming. De edities van Erasmus en van de Leuvense theologen tonen de complexe verstrengeling van humanisme en theologische agenda’s. De humanist Erasmus bood geen theologisch neutrale editie, terwijl de Leuvenaren omgekeerd relatief terughoudend waren in het opleggen van een contrareformatorische agenda. Zij namen stilzwijgend meer van Erasmus’ tekstcommentaar over dan de kerkelijke veroordelingen zouden doen verwachten en streefden filologische verbetering na.

Het thema ‘circulatie’ betreft feitelijk de gebruiksvriendelijke presentatie. Om lezers snel een gewenste passage te laten vinden, werden biblio­grafieën, indices en bloemlezingen gemaakt. Ook hier blijkt humanisme niet samen te vallen met een pleidooi voor een zuiver filologische en historisch verantwoorde lectuur van integrale teksten: de retorische interesse van het humanisme stimuleerde juist de vorming van bloemlezingen.

De ‘consumptie’ van Augustinus’ teksten heeft vele kanten. Bibliotheekbezit laat een opmerkelijke diversiteit aan edities zien, inclusief veel pseudo-Augustiniana. Uit handgeschreven aantekeningen van Thomas Cranmer, Petrus Martyr Vermigli en William Laud blijkt dat achter verschillende benaderingen van Augustinus een gemeenschappelijke leeswijze van teksten ‘als bronnen van bevestiging’ (p. 113) kon schuilen. De rol van Augustinus in ‘het publieke debat’ illustreert Visser aan de hand van discussies in Leuven en Leiden over genade en predestinatie. Behalve in het intellectuele debat speelt Augustinus ook in preken en politiek een rol. Vossius’ erudiete en invloedrijke Historia Pelagianismi (1618), die zich als een ‘zuiver historisch’ overzicht presenteert, is ook een ‘theologisch geladen synthese die de anti-pelagiaanse Augustinus isoleerde’ ten gunste van de Arminiaanse agenda (pp. 131–133).

Vissers competent geschreven boek illustreert ‘de flexibiliteit van intellectueel gezag’: een erkende auteur werd gelezen in het licht van verschillende agenda’s, waarbij filologie, pragmatisch tekstgebruik en theologische profilering in uiteenlopende configuraties met elkaar verbonden waren.

door Aza Goudriaan

Hans Vlieghe. David Teniers The Younger (1610–1690). A biography. (Pictura Nova, vol. XVI.) Turnhout, Brepols, 2011. XXVI+214 pp. ISBN 978-2-503-53677-4. €75,00.

Vanaf het moment dat Hans Vlieghe zich terugtrok uit zijn actieve academische beroepsleven in 2005, greep hij terug naar een oude liefde die het begin van zijn indrukwekkende kunsthistorische loopbaan markeerde. Hij begon aan de herwerking en aanvulling van de scriptie die hij vervaardigde in de jaren 1958–60. Deze handelde over David II Teniers en dan vooral over de man achter de schilder. De voornaamste doelstelling van Vlieghe bestond erin om de gepubliceerde en ongepubliceerde bronnen met betrekking tot Teniers kritisch te bekijken, te interpreteren en te contextualiseren en in concreto in te gaan op de bijzondere uitdagingen in het leven van die Vlaamse schilder die tegelijk kunstenaar en hoveling wilde zijn. Dit boek is een mooie aanvulling op Margret Klinges werk dat sinds het begin van de jaren tachtig cruciale bijdragen geleverd heeft tot de afbakening van Teniers’ oeuvre en meer in het bijzonder tot het iconografische en stilistische begrip ervan. Het is verdeeld over drie hoofdstukken die een chronologische en geografische leidraad volgen. Het geheel is afgesloten met een samenvatting, een bijlage met de transcriptie van vier ongepubliceerde documenten uit het Schellekensarchief, 86 zwart-wit illustraties ter ondersteuning van de tekst en een handige index op persoonsnamen en plaatsen.

Vlieghe illustreert op overtuigende wijze hoe de kunstenaar reeds vanaf zijn jonge jaren tim­merde aan de – aristocratische – weg door allerhande strategische keuzes. Zo zocht en vond hij op artistiek vlak een eigen niche door zich te specialiseren in de felbegeerde boerentaferelen à la Adriaen Brouwer die hij een persoonlijke inkleuring gaf en die hij tegen relatief hoge prijzen aan de man wist te brengen dankzij familiale connecties in de kunsthandel. Op sociaal vlak associeerde hij zich met het puik van de artistieke gemeenschap, onder meer door te huwen met Anna Brueghel, dochter van Jan Brueghel de Oude, een van de meest gerespecteerde schilders van Antwerpen en een vriend van Rubens. En zijn inspanningen rendeerden zo blijkt, aangezien hij in 1651 aangesteld werd tot hofschilder van aartshertog Leopold-Wilhelm in Brussel. Deze prestigieuze positie leverde hem tal van opdrachten op vanwege andere prinselijke en aristocratische opdrachtgevers en liet hem ook toe om een cruciale rol te spelen in de oprichting van de kunstacademie in zijn Antwerpse thuishaven in 1663. Teniers’ hunkering naar status blijkt in die Brusselse periode uit zijn kwistige levenswijze en de vele manoeuvres in functie van een aristocratisch imago: de aanleg van een portrettengalerij, de vele zelfportretten, het gebruik van een wapenschild, zijn tweede huwelijk met de aristocratische Isabella de Fren, zijn aankoop van landgoederen, de ‘zakelijke’ doopvaderkeuze voor zijn kinderen etc. In die Brusselse periode bleef hij excellente contacten onderhouden met de kunstenaars en handelaars in de Scheldestad. Van bijzonder belang voor Teniers’ productie na 1660 waren zijn contacten met Matthijs Musson die voor de verspreiding van zijn schilderijen in Parijs zorgde. Geleidelijk aan kwam er echter kritiek op de prijs-kwaliteitverhouding van zijn werk. Dit was het begin van een hele reeks barsten in het eens zo onfeilbare en consciëntieus geconstrueerde imago van een succesvolle prima donna wiens briljante loopbaan eindigde in professionele en familiale gerechtszaken en in een weinig rooskleurige financiële toestand.

door Karolien De Clippel

Menno Witteveen. Antonio van Diemen. De opkomst van de VOC in Azië. Amsterdam, Pallas Publica­tions/Amsterdam University Press, 2011. 403 pp. ISBN 978-90-8555-046-4. €35,00.

Antonio van Diemen was een van de Compagnie-dienaren met een buitengewone loopbaan. Na een onfortuinlijke periode als koopman en assuradeur in Amsterdam nam hij in 1618 dienst bij de Compagnie onder de valse naam Thonis Meeusen om aan zijn schuldeisers te ontkomen. Op Java werd hij al na een paar maanden ontmaskerd, maar desondanks wist hij snel in rang op te klimmen en het zelfs tot gouverneur-generaal te schoppen, het hoogst haalbare ambt in Azië. In deze hoedanigheid zou hij bepalend blijken voor het toekomstig beleid van de Compagnie. Hij wordt dan ook meermalen in één adem genoemd met Jan Pieterszoon Coen als een van de grondleggers van het VOC-bedrijf in Azië. Toch voelde niemand zich geroepen om zijn biografie te schrijven, mede door de geringe omvang van het voorhanden zijnde materiaal voor zo’n onderneming. Met deze op uitgebreid archiefonderzoek gebaseerde thematische biografie brengt Witteveen hier verandering in.

Met Van Diemen als leidraad beschrijft hij de opkomst van de VOC en presenteert hij op een aantal punten nieuwe inzichten in het debat waarvan sommigen beweren dat het laatste woord reeds was gesproken. Zo laat hij bijvoorbeeld een verband zien tussen de manier waarop werd geïnvesteerd in grote inpolderingsprojecten te Noord-Holland en de financiële opzet die werd gekozen bij de oprichting van de VOC. Hij beargumenteert dat het koppelen van lange termijnvermogen aan lange termijnambitie geen toevallig of geleidelijk proces was, maar een onmiddellijke institutionele innovatie. Een ander punt betreft de strijd met de Portugezen. Volgens Witteveen was er niet een reeds bestaand plan waar Van Diemen als eerste de middelen voor had, maar was deze strijd het gevolg van diens persoonlijke motieven.

Er zijn ook enige kleine kritiekpunten te geven op deze biografie. Zo gaat de achtergrondschets ten koste van de persoon Van Diemen, wat overigens begrijpelijk is gezien het beschikbare materiaal. Hoewel de achtergrondschets op verscheidene punten interessant en vernieuwend is, zijn er ook gedeeltes die enigszins ouderwets aandoen. Met name voor de passages over Japan had de auteur meer gebruik mogen maken van recentere literatuur. Voorts is de vlotte pen, die het geheel over het algemeen aangenaam leesbaar maakt, bij tijd en wijle iets te vlot en worden er geregeld vragen opgeworpen over mogelijke motieven en gemoedstoestanden die onbeantwoord blijven. Tot slot nog een opmerking die meer is bedoeld voor de uitgever dan voor de auteur. Consistentie in de weergave van citaten en een keuze voor ofwel het Pinyin- ofwel het Wade-Giles-systeem om Chinese namen in weer te geven zouden niet hebben misstaan. Desalniettemin is deze biografie zeker het lezen waard.

door J.J.A. Knoest

Arjan van Leuvensteijn (inl. en aantn.). J. Noseman, Hans van Tongen, of Razende-Liefdens-Eynd en De Wanhébbelyke Liefde bezorgd door Nil Volentibus Arduum. Amsterdam, Stichting Neerlandistiek VU/Münster, Nodus Publikationen, 2012. 302 pp. ISBN 90-8880-026-9/3-89323-7770-8. €30,00.

Onlangs verscheen een bundel met de kritische editie van twee zeventiende-eeuwse kluchten, voorzien van annotaties en een korte inleiding op ieder toneelstuk. Bezorger Arjan van Leuvensteijn, die al eerder kluchten van acteur en toneelschrijver Jillis Noozeman (1627–1682) uitgaf, heeft zich deze keer over Noozemans Hans van Tongen, of Razende-Liefdens-Eynd (1644) en De Wanhébbelyke Liefde (1678) van het kunstgenootschap Nil Volentibus Arduum gebogen. Beide kluchten gaan terug op buitenlandse bronnen, respectievelijk een verhaal uit de Decamerone van Giovanni Boccaccio (1313–1375) en de komedie La Mère Coquette ou les Amants brouillés van de Fransman Philippe Quinault (1635–1688). Van Leuvensteijns focus op de persoon Noozeman en zijn oeuvre blijkt uit de inleiding waarin zijn opmerkelijke levensverhaal uitgebreid besproken wordt, terwijl Nil Volentibus Arduum geen aandacht krijgt. Dit komt waarschijnlijk omdat het stuk van het kunstgenootschap door sommige literatuurhistorici als bewerking van de niet bewaard gebleven Quinault-vertaling van de hand van Noozeman wordt beschouwd. Van Leuvensteijn plaatst hier terecht vraagtekens bij, maar heeft er om onduidelijke redenen toch voor gekozen om deze klucht aan zijn collectie Noozeman-edities toe te voegen. Hoe dan ook, het valt te prijzen dat er weer twee vroegmoderne kluchten voor een modern publiek toegankelijk zijn gemaakt. Al moet er als kritische noot worden vermeld dat een zorgvuldige redactieronde het boek ten goede was gekomen.

door Tanja Holzhey