Deze studie van het internationale calvinisme kiest verrassend genoeg het Italiaanse Lucca als beginpunt. Daar ontstond in de eerste helft van de zestiende eeuw onder invloed van Pietro Martire Vermigli (1499–1562) een aanzienlijke protestantsgezinde gemeenschap, die Lucca tot het centrum van het Italiaanse protestantisme maakte. Toen de contrareformatie in het midden van de zestiende eeuw doorzette, vluchtten de protestanten uit Lucca naar het noorden.

Grell volgt drie welgestelde families, de Burlamachi’s, de Calandrini’s en de Diodati’s, gedurende drie generaties op hun tocht door Europa. Die leidde hen in krap een eeuw via Lyon en Parijs naar alle grote gereformeerde centra: van Genève en Neurenberg tot Londen en Amsterdam. Tijdens hun diaspora gingen zij (huwelijks)verbintenissen aan, bouwden zij aan hun netwerk en, in de succesvolle gevallen, aan hun fortuin. Met deze families als ankerpunt bestudeert Grell het ontstaan en het functioneren van een welvarende, invloedrijke, transnationale Europese calvinistische handelsgemeenschap, waarvan de gedeelde ervaring van ballingschap zowel het gereformeerde geloof als het groepsbesef versterkte. De titel, Brethren in Christ, onderstreept Grells aandacht voor het ontstaan van een sterke identiteit en de vergaande onderlinge loyaliteit.

De eerste helft van het boek is chronologisch opgezet: het eerste hoofdstuk behandelt de oorsprong van het netwerk tijdens de vroege reformatie in Italië (1520-ca. 1560) en de eerste fase van de ballingschap in Frankrijk. De Bartholomeusnacht (1572) markeert het einde van deze fase en het begin van een serie migraties naar de Nederlanden, het Duitse Rijk en Engeland. Deze fase, waarin het netwerk zich uitbreidde en verspreidde, staat centraal in het tweede hoofdstuk (1573-ca. 1610). Het derde hoofdstuk richt zich op de Dertigjarige Oorlog, toen de calvinisten in het Duitse Rijk opnieuw in ballingschap werden gedwongen.

De tweede helft van het boek is gewijd aan de collectes in Groot-Brittannië, de Republiek, Zwitserland en Frankrijk die vanaf 1620 voor de verdrukte broeders uit Bohemen en de Palts werden georganiseerd. Deze hoofdstukken tonen de gemeenschapszin binnen het netwerk en illustreren hoe goed men in staat was om de loyaliteit jegens de Duitse geloofsbroeders door middel van effectieve, internationale publicatiecampagnes in klinkende munt om te zetten. In het laatste hoofdstuk raakt het netwerk uit beeld en richt Grell zich op vrijgevige rijke individuen als Lodewijk de Geer (1587–1652).

Grells boek is het resultaat van meer dan twintig jaar onderzoek. Toch komt het op precies het goede moment voor al diegenen die zich bezighouden met transnationale geschiedenis en cultural mobility in de vroegmoderne tijd.