In deze bewerking van Veerle De Laets proefschrift wordt Brussel gepresenteerd als een ideale testcase voor onderzoek naar consumptie- en mentaliteitsveranderingen in de vroegmoderne tijd. Hoewel historici van mening verschillen over de datering, reikwijdte en oorzaken van de zogenaamde consumer revolution, staat vast dat het Europees consumptiegedrag in deze periode ingrijpend veranderde. Aan de hand van een doorsnede van de stedelijke wooncultuur en in het bijzonder de omgang met kunst- en luxeobjecten onderzoekt De Laet veranderingen in omgang met materiële cultuur. Met de hofstad Brussel als casus hoopt De Laet ook de aanjagers van de waargenomen consumptieveranderingen te identificeren. Gaf de adel het voorbeeld in zijn streven naar distinctie, zoals in de interpretatie van Richard Goldwaithe? Of was het juist de stedelijke burgerij van Jan de Vries die zich in afwezigheid van een sterke elite kon overgeven aan eigen smaakvorming?

Het fundament van deze studie is de boedelinventaris. De gebruikelijke problemen ten aanzien van de boedelinventaris als historische bron, zoals volledigheid en representativiteit, treedt De Laet met open vizier tegemoet. Dit geldt niet in dezelfde mate voor de kwantitatieve analyse. De inventarissen zijn op basis van een aantal welstandsindicatoren ingedeeld naar sociaaleconomisch profiel. Het wordt echter niet duidelijk hoe de verschillende indicatoren zich tot elkaar verhouden en hoe de vijf bezitscategorieën zich verhouden tot individuele boedels. De kracht van de studie ligt vooral in de kwalitatieve behandeling van de bronnen en De Laets vermogen deze tot leven te wekken. De combinatie van boedelinventarissen met ander bronnenmateriaal zoals genre-iconografie en stadsliteratuur, is vernieuwend. De Laet slaagt er bovendien goed in verschillende onderzoeksniveaus te verbinden: van stadsmorfologie op wijkniveau, via particuliere woonpraktijken, tot een gedetailleerde analyse van schilderijenbezit. Het resultaat van De Laets gevarieerde en toch diepgravende onderzoek is een zeer rijke studie van vroegmoderne materiële cultuur.

Zoals de auteur zelf aangeeft, is haar verhaal er één van nuances. Ondanks veranderingen in consumptiecultuur evolueerde het materiële leven in huis maar langzaam. Soms waren de stedelijke middengroepen de drijvende kracht achter introductie van nieuwe modes, soms de adel. Consumptiepatronen in zeventiende-eeuws Brussel vallen daarmee niet alleen tussen de modellen van Goldwaithe en De Vries, maar ook tussen processen van continuïteit en verandering. Die uitkomst heeft te maken met het diverse karakter van de stad, maar wellicht ook met De Laets onderzoeksmethoden. De nadruk op individuele erflaters doet recht aan de rommelige historische werkelijkheid, maar kan ook ten koste gaan van de bestudering van grotere processen.