In Kapitein Julián schetst Raymond Fagel het leven van Julián Romero, een van de belangrijkste officieren in het Spaanse leger ten tijde van de oorlog met Frankrijk en de Opstand der Nederlanden. In een vlotte, prettig leesbare stijl verhaalt de auteur hoe Romero als knaap van nederige afkomst meetrok met de ronselaars van het Spaanse leger. Vervolgens diende hij als huursoldaat in Engeland en Schotland. Tussendoor vocht hij in Fontainebleau een beroemd duel uit in het bijzijn van de Franse koning. Uiteindelijk belandde hij in de Nederlanden, eerst in de oorlog met Frankrijk, en daarna als officier in het leger van de hertog van Alba. Hij ontpopte zich tot het prototype van de Spaanse soldaat, geliefd en bewonderd door zijn landgenoten, gevreesd door de opstandelingen. De bekroning volgde in 1577, toen hij tot maestre de campo werd benoemd, een van de hoogste rangen in het Spaanse leger. Lang genoot hij niet van zijn status, want hij overleed enkele weken later op weg naar de Nederlanden. Na zijn dood probeerden zijn nakomelingen zijn reputatie in stand te houden; Fagel wijdt hieraan een apart hoofdstuk.

Kapitein Julián is om meerdere redenen een interessant boekje. Het vertelt de Opstand vanuit Spaans perspectief, een invalshoek die vooral in Nederland lange tijd onderbelicht is gebleven en die onontbeerlijk is om verlost te geraken van het wij-zij-gevoel dat van het conflict al te veel een onafhankelijkheidsstrijd heeft gemaakt. Door zich te concentreren op de lotgevallen van één man geeft Fagel de oorlogvoering een concreet gezicht, met nieuwe inzichten als gevolg. Hij doorprikt de mythische proporties die Julián in zijn eigen tijd had aangenomen en legt minder fraaie aspecten van hem bloot: eerzucht, hebzucht, afgunst, verraad. Dit biedt hem de mogelijkheid om voorbij stereotiepen te kijken en de eigen logica van de oorlogvoering bloot te leggen: het toenmalige oorlogsrecht dat nu eenmaal – naar huidige normen – oorlogsmisdaden toeliet; de tactische overwegingen, eerder dan het religieuze fanatisme, die de uitmoording van steden motiveerden; de interne dynamiek van het leger, met rivaliserende officieren die elkaar tegenwerkten. Maar vooral: het feit dat de Spanjaarden niet altijd de erfvijanden van Nederland zijn geweest. Vóór de Opstand had Romero in Brussel een huis, vrouw, kinderen en vrienden, waaronder Willem van Oranje. De Spanjaarden werden beschouwd als beschermers tegen buitenlandse agressie. Pas later werden deze banden doorgeknipt. Dit gegeven alleen al verandert de kijk op de Opstand.