In de achttiende eeuw waren monumentale geschilderde wandbehangsels of ‘zaalstukken’ in woonhuizen wijdverbreid in de Noordelijke Nederlanden. Vandaag de dag kunnen we, onder meer aan de Amsterdamse Herengracht, nog meerdere mooie voorbeelden hiervan in situ aanschouwen. In de zeventiende eeuw was deze vorm van decoratie nog zeldzamer en bewaarde exemplaren hiervan zijn al helemaal schaars. Een gelukkige uitzondering vormen de vijf doeken vervaardigd door Rembrandts leerling Ferdinand Bol (1616–1680) voor het salon van het huis aan de Utrechtse Nieuwegracht 6. Drie doeken van dit ensemble sieren nu de wanden van de Ferdinand Bolzaal van het Haagse Vredespaleis, het vierde decoreert een gelijkvloerse kamer in dit gebouw en het laatste de Statenzaal in het Noordbrabants Museum te ‘s-Hertogenbosch. Samen vormen ze het onderwerp van Margriet van Eikema Hommes’ baanbrekende studie.

Startpunt vormt het materieel-technisch onderzoek dat de auteur kon verrichtten naar aanleiding van de recente restauratie van de vier doeken uit het Vredespaleis. Deze informatie bracht nieuwe inzichten aan het licht over de genese van de schilderijenreeks alsook over hun originele plaatsing in de salon en hun lotgevallen door de tijd heen. Hierbij besteedde de auteur ruim aandacht aan de contextualisering van Bols schilderijen binnen de ontwikkeling van het zeventiende-eeuwse wandbehangsel en trakteert ze de lezer op kleurafbeeldingen van vaak moeilijk toegankelijk vergelijkingsmateriaal. Daarnaast herzag de auteur de datering van de reeks en situeerde die in de vroege jaren zestig van de zeventiende eeuw. Daarmee kon ze ook met zekerheid bevestigen dat de opdrachtgeefster Jacoba Lampsins was, die de reeks in diverse etappes bij Bol bestelde. Deze welvarende en ambitieuze dame was de weduwe van de befaamde advocaat, rentmeester, ontvanger en kunstliefhebber Carel Martens en had in 1657 het Utrechtse grachtenhuis aangekocht. Deze inzichten vormden op hun beurt het opstapje naar een nieuwe interpretatie van de enigmatische iconografie en de functie van de reeks als geheel. Dankzij een gewetensvolle analyse van Jacoba Lampsins’ persoonlijke geschiedenis en die van haar verwanten, alsook van de politieke en religieuze context waarin zij functioneerden, toont Van Eikema Hommes overtuigend aan dat de diverse onderwerpen te verbinden zijn met gebeurtenissen en kwesties die een bijzondere betekenis hadden voor de opdrachtgeefster en in het licht gezien moeten worden van haar dwingende streven naar sociale promotie.

Kortom, met deze studie die technisch, archivalisch en kunsthistorisch onderzoek naadloos combineert, heeft Van Eikema Hommes een nieuwe standaard gezet voor de studie van de historieschilderkunst van de zeventiende-eeuwse Nederlanden.