Het Zutphens Handschrift behoort tot de oudste bronnen van het populaire lied. Het boekje is in of rond 1537 samengesteld. De inhoud laat echter ook in latere tijden sporen na, ondanks het wezenlijke verschil tussen het zeventiende-eeuwse lied, dat gebouwd is op een strofenschema, en het middeleeuwse lied, dat de melodie als uitgangspunt neemt. Een aantal liedteksten van het Zutphens Handschrift leeft voort in zeventiende-eeuwse liedbronnen. Flarden van liederen klinken zelfs door tot in de negentiende eeuw. De studie De stem en de pen. Het ‘Hs. Weimar Oct. 146’ (het ‘Zutphens Handschrift’) en de veranderlijkheid van populaire liederen in de zestiende eeuw en later van Jos Houtsma is daarom ook voor latere lyriekvorsers interessant.

Houtsma promoveerde onlangs aan de Radboud Universiteit Nijmegen op dit Zutphens Handschrift, ook wel het Weimarer Liederhandschrift genoemd naar de hedendaagse bewaarplaats de Herzogin Anna Amalia Bibliothek te Weimar. De Nederlandse benaming refereert aan de plaats waar het liedboek zou zijn ontstaan. Houtsma concentreert zich in zijn onderzoek op de teksten in de bundel. Muzieknotatie bevat het boekje niet en de studie naar melodieën laat hij over aan musicologen. Houtsma streeft een nieuw-filologische benaderingswijze na, waarbij hij alle teksten – dat zijn naast 49 liedteksten ook zo’n 44 spreuken – in beginsel als gelijkwaardig beschouwt en zorgvuldig met elkaar vergelijkt.

In het eerste deel van zijn studie (p. 15–71) beschrijft Houtsma uiterlijk en innerlijk van het handschrift en plaatst hij de teksten door een overzicht van concordanties in hun historische context. Het tweede deel (pp. 73–183) is een tekstuitgave: een studie-editie die weliswaar alle liederen en spreuken bevat, maar helaas niet van kaft tot kaft is. Onder meer het register en een bezittersaantekening op de perkamenten omslag zijn niet opgenomen. Wel biedt Houtsma ‘als voorstel tot interpretatie’ (p. 75) een hertaling in modern Nederlands naast de oorspronkelijke teksten. Deel 3 (p. 184–361) bevat de kern van het onderzoek. Aan de hand van twaalf liedteksten en hun concordanties onderzoekt Houtsma de oraliteit van de liederen. Houtsma beargumenteert dat ons zicht op orale processen beperkt is. In een cultuur die zowel oraliteit als verschriftelijking kent, is de scheidslijn tussen beide moeilijk te trekken. Variaties tussen concordanties laten zich even goed of misschien zelfs beter verklaren vanuit processen die plaatsvonden tijdens het op schrift stellen van de liedteksten, als vanuit de mondelinge overlevering. In wezen staat ons inzicht in de variaties die tijdens de opschriftstelling aangebracht werden en de variaties uit de mondelinge overlevering nog in de kinderschoenen. Ons onderzoeksmateriaal is bovendien louter op schrift gesteld. Houtsma geeft een aanzet om aan de hand van filologische onderzoeksmethoden ‘de factoren te leren begrijpen die de aard bepalen van de veranderlijkheid die levende liedteksten kenmerkt’ (p. 361).