Josephus Justus Scaliger (1540–1609) was een van de meest gerenommeerde humanistische geleerden van zijn tijd. Hij verwierf faam, maar lokte tegelijk controverse uit, met zijn edities van en commentaren op diverse Latijnse auteurs. Met zijn boek over historische tijdrekenkunde, De emendatione temporum, uit 1583 vestigde hij definitief zijn naam. Zijn reputatie bezorgde hem in 1593 een aanstelling als ‘onderzoeksprofessor’ aan de universiteit van Leiden; van lesgeven was hij vrijgesteld. Ook daarna bleef hij zijn aandacht toespitsen op chronologie en andere filologisch-historische onderwerpen van technische aard. Zoals Anthony Grafton overtuigend heeft aangetoond in zijn lijvige studies uit 1983 en 1993, bekleedt Scaliger een bijzondere plaats in de geschiedenis van de filologie en, ruimer zelfs, van de humane wetenschappen door zijn bijdrage aan de ontwikkeling van de filologisch-historische methode.

Het monumentale werk van Grafton heeft recent een waardige aanvulling gekregen met de niet minder monumentale uitgave van de volledige nog bewaarde correspondentie van Scaliger. Die kwam trouwens mede door zijn generositeit tot stand: het werk van de uitgevers Paul Botley en Dirk van Miert werd mede mogelijk gemaakt door het besluit van Grafton de ‘Balzan Prize’ die hem in 2004 was toegekend, voor de publicatie van Scaligers uitvoerige briefwisseling aan te wenden.

Die is thans in acht dikke boekbanden beschikbaar, en bevat een goudmijn aan informatie, niet alleen over het leven en werk van Scaliger als zodanig, maar ook over het concrete reilen en zeilen van het humanistische bedrijf in de tweede helft van de zestiende en de vroege zeventiende eeuw. We leren een gepassioneerde vorser kennen die rusteloos op zoek is naar de manuscripten en boeken die hij voor zijn onderzoek nodig heeft, die met collega’s de meest uiteenlopende filologische en antiquarische problemen aansnijdt, zijn vrienden vooraf inzage in eigen werk verleent, en welwillend of juist zeer kritisch andermans werk beoordeelt. Maar we leren ook een man kennen die geconfronteerd wordt met de minder aangename kanten van het menselijk bestaan: familieruzies en ziektes blijven hem niet gespaard; het briefverkeer verloopt niet altijd naar wens (brieven gaan verloren of dreigen juist in verkeerde handen te vallen), boeken en manuscripten zijn soms onvindbaar, arriveren te laat of blijken bij nader toezien tegen te vallen; Scaliger ontvangt steun en aanmoediging van vrienden, maar heeft ook af te rekenen met de nijd en afgunst van ‘concurrenten’ die er niet voor terugdeinzen zijn naam te bekladden. Die aandacht voor de ‘zelfkant’ van het geleerde bedrijf verleent de correspondentie, die vaak praktisch en wat sec van aard is, soms een aandoenlijke of zelfs ronduit geestige dimensie. Scaliger had een vlotte maar scherpe pen, die hij zo nodig diep in vitriool dompelde. Dat zijn brieven niet voor publicatie bestemd waren, maken ze er nog ‘levensechter’ op. In zijn correspondentie treedt Scaliger ons tegemoet zoals hij was, niet zoals hij bij het nageslacht wenste te worden herinnerd. Anders dan zijn gerespecteerde evenknie Justus Lipsius hield Scaliger zich niet bezig met het creëren van een zorgvuldig gepolijst epistolair zelfbeeld.

De uitgave van die omvangrijke correspondentie was geen sinecure. De briefwisseling van en aan Scaliger, in het Latijn en het Frans gevoerd, ligt verspreid over tal van bibliotheken en archieven. Van sommige brieven zijn verscheidene, soms erg verschillende versies bewaard, van andere bestaat dan weer enkel een korte samenvatting. De datering volgt nu eens de Gregoriaanse kalender, dan weer niet; soms kan de datum op grond van circumstantial evidence met enige graad van waarschijnlijkheid worden bepaald, soms ook is de datum volstrekt onzeker. Zowel de Latijnse als de Franse brieven zijn vaak doorspekt met Griekse woorden en wendingen (Scaliger was een briljant graecus), nu en dan verschijnen ook Arabische en Hebreeuwse citaten, zoals in een brief van Jacob Christmann uit 1585 waarin hij meldt dat hij een Arabische versie van de Handelingen van de Apostelen in Hebreeuwse karakters voorbereidt. Alleen al deze veeltaligheid maakte de editie tot een waar huzarenstukje voor uitgevers én drukker. Daarnaast stelde ook de ‘techniciteit’ van de behandelde onderwerpen hoge eisen aan het uitgeversduo: zij dienden zich te verdiepen in de meest uiteenlopende filologische discussies en grondig vertrouwd te maken met het tijdrekenkundige en andere technisch-geleerde werk van Scaliger. Het bijzonder rijke voetnotenapparaat bij de uitgegeven brieven getuigt op stille maar krachtige wijze van de ontzaglijke filologisch-historische arbeid die Paul Botley en Dirk van Miert hebben verzet. Zoals ze in de inleiding op hun uitgave ruiterlijk toegeven, waren ze niet in staat alle problemen op te lossen; de occasionele voetnoten waarin de lezer gemeld wordt dat een werk of persoon niet kon worden geïdentificeerd, verhullen ongetwijfeld talloze uren van vruchteloos speurwerk.

Allicht had extra tijd nog enkele leemtes kunnen vullen. De uitgave is inderdaad in amper zeven jaren tot stand gekomen: een tijdsspanne die indrukwekkend kort mag worden genoemd. Indrukwekkend kort in verhouding tot de grote omvang van de correspondentie en de grote moeilijkheidsgraad ervan; indrukwekkend kort ook in vergelijking met andere grote editieprojecten, zoals de uitgave van Lipsius’ correspondentie in de bekende reeks Iusti Lipsi Epistolae (ILE), die sinds 1978 onder de auspiciën van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België door uiteenlopende filologen wordt gepubliceerd. Maar het krappe tijdsbestek en de beperking van het editoriale team zijn de uitgave in vele opzichten ook ten goede gekomen: ze garandeerden economie en consistentie. Zo konden talloze voetnoten en cross-referenties worden uitgespaard door in het laatste volume een register toe te voegen met relevante biografische gegevens van alle correspondenten en van tijdgenoten die regelmatig in de briefwisseling ter sprake komen. De Engelstalige samenvatting van elke brief blijkt vaak bondiger uit te vallen dan de samenvattingen in ILE, maar die wordt wel regelmatig aangevuld met een aparte nota waarin uitvoeriger op een specifiek probleem wordt ingegaan (bijvoorbeeld de genese en de drukgeschiedenis van een werk). Iets systematischer nog dan in ILE gebeurt, hebben de uitgevers telkens trachten aan te geven op welke concrete brief een antwoord wordt gegeven of welke brief daarop reageert, informatie die de gebruiker toelaat het briefverkeer van Scaliger met een welbepaalde correspondent op de voet te volgen.

Paul Botley en Dirk van Miert verdienen alle lof voor hun ronduit indrukwekkende prestatie: met hun uitgave hebben zij de vroegmoderne intellectuele reus Scaliger eindelijk het monument van filologisch-historische geleerdheid bezorgd dat hij meer dan verdient.