Het onderzoek naar stedelijke gemeenschapsvorming in de vroegmoderne tijd zit al een tijdje in de lift in Nederland, en niet zonder reden natuurlijk, want het vroegmoderne Nederland werd in belangrijke mate – economisch, politiek, sociaal – bepaald door de steden. Recent verscheen bijvoorbeeld het boek van Manon van der Heijden over het aanbod van publieke diensten in vroegmoderne Nederlandse steden, een synthese van haar VIDI-project, waaruit ook al een aantal artikelen was voortgekomen. Het proefschrift van Anita Boele, Leden van één lichaam, is voortgekomen uit een ander groot project, ‘The Town as Body Social’, en bestrijkt een ander belangrijk onderdeel van het stedelijk gemeenschapsdenken. Boele brengt een aantal centrale onderdelen van het denken over armen, armenzorg en liefdadigheid tussen 1300 en 1650 in kaart, aan de hand van drie leidende vragen: hoe werden burgers opgeroepen tot het doen van liefdadigheid? Hoe werden armen en armenzorg af- dan wel uitgebeeld? En welke veranderingen voltrokken zich in dat denken? Ze stelt in haar boek ‘het overwegend publieke, middels teksten en afbeeldingen toegankelijke, vertoog centraal waarmee aan de praktijken en instituties rond armenzorg en liefdadigheid betekenis werd gegeven en legitimiteit werd verschaft’ (p.15).

Boele kijkt naar een lang tijdvak, maar de nadruk ligt op de ‘lange zestiende eeuw, de periode tussen 1450 en 1650, omdat juist in die tijd grote veranderingen optraden in de armenzorgpraktijk en humanisten en hervormers zich uitlieten over armenzorg en liefdadigheid. Boele onderzoekt of en hoe hun opvattingen doorklonken naar het grote publiek. Daartoe heeft ze een breed scala van teksten bestudeerd, bestaande uit bijvoorbeeld preken, stadskronieken, handboeken voor christen, reisverslagen, lofdichten en rederijkerstoneelteksten, veelal bronnen die zelden zijn gebruikt of zelden zijn doorgenomen op juist dit onderwerp. Uiteraard heeft ze zich beperkt door te kiezen voor teksten en dergelijke die zijn voortgebracht in een stedelijke omgeving. Boele heeft daartoe drie steden uitgekozen – Deventer, Haarlem en ’s-Hertogenbosch – en in die steden gezocht naar teksten waarin men iets kan aantreffen over de opvattingen met betrekking tot armenzorg en liefdadigheid. Daaruit heeft ze ook een drietal personen gelicht, in wiens werken ze op zoek is gegaan naar de voor die personen geldende, of door hen uitgesproken, opvattingen over deze onderwerpen. Voor ’s-Hertogenbosch is dat de kroniekschrijver en priester Willem Molius (ca.1500–1565), voor Haarlem de rederijker Louris Jansz (ca. 1520-ca. 1589) en voor Deventer de predikant en kroniekschrijver Jacob Revius (1586–1658).

Het boek is opgedeeld in drie thematische delen, waarbij het eerste is gewijd aan de zeven werken van barmhartigheid, het tweede aan ‘exemplarische figuren’ en het derde aan ‘beelden van armen’. Het eerste deel draait derhalve om wat men kon doen om het lot van de armen te verlichten en hoe men, vanwege de kerk en de overheid, het doen van liefdadigheid poogde te stimuleren onder de stadsbevolking. Dat laatste gebeurde zowel in woord – door prediken en schrijven voor leken – en beeld, zoals prenten, schilderingen en uitbeeldingen van de zeven werken van barmhartigheid. Het tweede richt zich op het discours over hoe om te gaan met geld en goed, waarbij het draait om het personage van de rijke man en hoe hij zijn ziel redde dan wel verloor, afhankelijk van zijn omgang met zijn welvaart. Dat personage wordt op zijn beurt geconfronteerd met voorbeeldige rijken die wel aan liefdadigheid doen. Het derde deel gaat over het beeld van de arme; welke armen geholpen dienden te worden en welke niet.

Dit is een rijk boek, mede door het gebruik van een breed palet van minder bekende bronnen, die, meer dan de normerende teksten van beroemdheden als bijvoorbeeld Erasmus en Vives, juist doordat ze min of meer ‘van het tweede garnituur’ zijn, een fascinerende blik bieden op hoe er in stedelijke gemeenschappen werd gedacht over de zorg voor de behoeftige ander. Er staat veel behartigenswaardigs in, meer dan hier allemaal kan worden aangestipt. Er zijn twee belangrijke vaststellingen die Boele doet in haar boek: in de eerste plaats dat het denken over armenzorg nauwelijks verschilde tussen de door haar onderzochte steden, en in de tweede plaats dat er sprake was van een grote continuïteit in dat denken tussen pre- en post-reformatie. Van een breuk in het denken over armenzorg en liefdadigheid lijkt nauwelijks sprake.

Die vaststellingen sluiten aan bij de nog ongepubliceerde resultaten van onderzoek naar denken over armenzorg en liefdadigheid verricht in het kader van Giving in the Golden Age, het project waar ondergetekende aan verbonden is. Ook daaruit blijkt een grote continuïteit en grote gelijkvormigheid in dat denken, ongeacht of men nu katholiek of protestants was. Er lijkt meer sprake te zijn geweest van accent- dan grondverschillen. Een belangrijke gevolgtrekking, want nu blijkt dat de theoretische verschillen tussen de katholieke en protestantse liefdadigheid minder groot waren dan wel eens wordt gedacht. Op zich is dat niet verbazend: het ging er immers om de gelovigen tot geven aan te sporen, en de Bijbelteksten die zich daartoe lenen werden door beide partijen met verve gebruikt. Weliswaar bleven katholieken het belang van liefdadigheid voor het verwerven van zielenheil benadrukken, terwijl protestanten vooral onderstreepten dat het doen van liefdadigheid een teken was van de reeds bestaande werking van Gods genade in de gelovige. Echter, als het er om ging de gelovigen tot geven aan te sporen, gebruikten beide geloofsrichtingen vaak dezelfde redeneringen en voorbeelden. Men kan zich bovendien afvragen hoe bewust de gewone gelovige zich was van de theologische tegenstellingen: zelfs onverdacht protestantse schenkers in de achttiende eeuw bleven het ogenschijnlijk katholieke hemelrente-motief gebruiken.

Leden van één lichaam is kortom een belangwekkende aanvulling in het onderzoek naar gemeenschapsvorming in de vroegmoderne tijd, en zal daarnaast ook van groot nut zijn bij verder onderzoek naar de beeldvorming en het denken over de zorg voor de naasten in de vroegmoderne tijd.