‘Indien sulcke neersticheyt, seer Wijse voorsienige Heeren, als eertijts by de oude, ende voornamelick by de Romeynen, gepleeght is, niet alleen in het overwinnen ende onder hare ghewelt te brengen, maer oock int beschrijven ende tot geheugenisse der nacomelinghen te verbreyden Landen ende Volcken, ooc by de nacomende gheweest ware in het aenteeckenen der veranderingen van hare saken en landen, ende die met de voorgaende vlijtich te verghelijcken; Wy souden sonder twijfel hebben, ende ons souden bekent zijn die plaetsen, Meyren, Rivieren, ende andere sulcke dinghen van onse Landen, dewelcke wy nu, wt de schriften der ouden ghetoghen, alleen als door een duyster wolcke, ende niet in haer ware ghestalte, moghen aenschouwen’. Aldus staat te lezen in de opdracht aan de Amsterdamse magistraat bij de Nederlandse vertaling van Rerum et urbis Amstelodamensium historia (1611). Met dit boek wilde de humanistische geleerde Johannus I. Pontanus een einde maken aan het gemis van een stadsbeschrijving en alsnog enig licht brengen in de duisternis van de Amsterdamse geschiedenis. Pontanus raakte kennelijk een gevoelige snaar, want het genre van de historische beschrijvingen van steden en gewesten beleefde in de zeventiende eeuw een opmerkelijke bloei, niet alleen in de Hollandse steden, maar bijna overal in de Nederlanden. Twee vlak na elkaar verschenen studies proberen dit genre vanuit geheel verschillende perspectieven te duiden.

Eddy Verbaan, de auteur van het in 2011 verschenen De woonplaats van de faam, beschouwt de stadsbeschrijvingen in de eerste plaats als een formeel genre, met vaste elementen en duidelijke grondslagen die dankzij het werk van Pontanus en bovenal Jan Jansz Orlers (die in 1614 met zijn Beschrijvinge der stad Leyden de eerste in het Nederlands geschreven stadsbeschrijving publiceerde) voor een ieder in de Republiek zichtbaar werden. In zijn studie wil Verbaan de anatomie van deze nieuwe stadsbeschrijvingen ontleden. Hij is dus niet zozeer in de inhoud van deze werken geïnteresseerd, als wel in de genre-formele kant, in de tradities, voorschriften en principes die de zeventiende-eeuwse stadsbeschrijvingen maakten tot wat zij waren: omvangrijke boeken waarin één enkele stad vanuit een aantal vaste, min of meer thematische invalshoeken lovend werd beschreven. In bijna al deze werken kwamen telkens dezelfde zaken aan de orde: de chronologische geschiedenis van de stad (met bijzondere aandacht voor de vroegste geschiedenis), de historische topografie en de stedelijke zeden en bestuursvorm. De 18 in de zeventiende eeuw in de Republiek gepubliceerde stadsbeschrijvingen zelf vormen met andere woorden slechts de aanleiding tot Verbaans studie. Het grootste deel van zijn boek is gewijd aan de vraag welke conventies eigenlijk bepaalden welke onderwerpen op welke wijze moesten worden beschreven.

Helder en met veel kennis van zaken zet Verbaan de in zijn ogen belangrijkste invloeden uiteen. Hij laat bijvoorbeeld mooi zien hoe de traditie van de chorografie (de beschrijving van landen en streken) in de Nederlanden drie duidelijk te onderscheiden varianten kende die alle drie doorwerkten in de zeventiende-eeuwse stadsbeschrijvingen: ten eerste een door Hadrianus Junius in zijn postuum verschenen Batavia (1588) voorgestane humanistisch geleerde chorografie met veel oog voor bronnenonderzoek, ten tweede een meer algemeen lovende en beschrijvende chorografie in de trant van Lodovico Guicciardini’s Descrittione di tutti i Paesi Bassi (1567), en ten derde een nauw daaraan verwante ‘orteliaanse’ traditie die geïnspireerd door de zich snel ontwikkelende cartografie meer op beeld dan op tekst was gericht. Van het genre ‘stedenlof’ konden de schrijvers vervolgens leren hoe zij de lof konden zingen op de materiële en morele superioriteit van de eigen stad. Zonder een deugdzame inborst en een sterke maatschappelijke betrokkenheid van inwoners, burgers en stadsbestuurders was materiële overvloed een vloek. Vier, aan de kardinale deugden ontleende, karaktereigenschappen passeerden dan ook in ieder ‘stedenlof’ de revue: dapperheid in tijden van oorlog, schranderheid in economische zaken, individuele wijsheid in kunsten en wetenschappen en burgerlijke wijsheid in de vorm van een rechtvaardig bestuur en goede sociale zorg. Het was voor een stadsbeschrijver niet moeilijk de didactische relevantie en bruikbaarheid van deze deugden te herkennen voor zijn eigen werk.

Uit weer een ander genre, de reiskunde (ars apodemica), kon de stadsbeschrijver opmaken hoe je een stad het best kunt beschrijven: van buiten naar binnen. Eerst dus aandacht voor de oorsprong, de ligging en de fysieke omgeving van de stad, om pas daarna de samenleving binnen de stadsmuren aan de orde te stellen aan de hand van de meest bijzondere gebouwen, de ‘wijsch van heersen’, de kunsten en wetenschappen en de etnografie van de bevolking. Dat alles kon natuurlijk niet zonder kennis van zaken en historisch onderzoek: naast een scherp observatievermogen moest een stadsbeschrijver dus toegang hebben tot relevante literatuur, geleerde debatten en kennis. Dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan. De meeste stadsbeschrijvingen waren namelijk het resultaat van particuliere initiatieven, zonder financiële en andere steun van het stadsbestuur, zoals vrije toegang tot de afschriften van oude rechtsbronnen op de stedelijke secretarie. Veel, zo niet alles, hing af van goede contacten. Iemand als Jan Orlers, zo laat Verbaan zien, ontbrak het daaraan niet. Hij werd met raad en daad bijgestaan door Petrus Scriverius, de belangrijkste oudheidkundige in Holland, beschikte over de papieren van zijn oom Jan van Hout, die met zijn onvoltooid gebleven Dienst-bouc een eerste aanzet had gegeven tot een beschrijving van de stad Leiden, en kon vanaf 1618 als stadsbestuurder verschillende stedelijke instellingen benaderen om informatie te verkrijgen voor een tweede, herziene druk van zijn werk. Maar zelfs iemand als Orlers kreeg wel eens nul op het rekest.

In twee afsluitende hoofdstukken brengt Verbaan de vier besproken invloeden (chorografie, stedenlof, reiskunde en historisch onderzoek) samen door eerst de ordeningsprincipes van Dirck van Bleyswijcks Beschryvinge der stadt Delft (1667–1680) te bespreken. Vervolgens vergelijkt hij Orlers beschrijving van Leiden, die Verbaan consequent aanduidt als het model van de Nederlandse stadsbeschrijving, met John Stowe’s A Survey of London. Beide hoofdstukken maken een wat vrijblijvende en willekeurige indruk. Waarom juist Van Bleyswijck wordt uitgelicht blijft onduidelijk. Ook is het maar de vraag of de vergelijking tussen Orlers en Stowe inderdaad de meest voor de hand liggende is. Hier wreekt zich Verbaans wat formalistische benadering van het onderwerp. Door sterk de nadruk te leggen op de genre-formele kant van de stadsbeschrijvingen, op het modelmatige en statische van het genre, kan Verbaan Van Bleyswijck en Orlers gemakkelijk als representatieve voorbeelden opvoeren. Maar wie wel eens wat stadsbeschrijvingen heeft doorgebladerd begint toch te twijfelen. Is het aardige van het genre niet juist de variatie, de lokale verschillen en de eigen en eigenzinnige accenten die iedere auteur aanbrengt, afhankelijk van zijn sociale en mentale achtergronden? De humanistische geleerde Pontanus, de Haarlemse contraremonstrantse predikant Ampzing, de Leidse bestuurder Orlers en de Delftse regentenzoon Van Bleyswijck, allemaal componeerden ze de stadsbeschrijving die bij hun positie, ambities, tijd en stad paste. Veel oog voor de telkens veranderende opvattingen over wat goede geschiedschrijving in de zeventiende eeuw behoorde te zijn heeft Verbaan ook niet. Te gemakkelijk volstaat hij met een verwijzing naar het ooit door oud-historicus Arnaldo Momigliano geïntroduceerde onderscheid tussen geschiedschrijvers en oudheidkundigen (p. 150), zonder duidelijk te maken dat dat onderscheid in de laatste jaren door nieuw onderzoek belangrijk is genuanceerd, en er in de praktijk herhaaldelijk sprake was van een overlapping van genres en historische stijlen. Ook in dat opzicht suggereert zijn nadruk op een ‘orlersiaans’ model meer dan waargemaakt kan worden.

Mede door keuzes als deze blijft Verbaan wat aan de veilige kant. Eigenlijk is zijn boek vooral een uitwerking van de aanzetten die E.O.G. Haitsma Mulier al in 1993 in dit tijdschrift presenteerde in zijn artikel ‘De eerste Hollandse stadsbeschrijvingen uit de zeventiende eeuw’. Dat zich ook heel andere vragen laten stellen, bewijst The Politics of Memory van Raingard Esser uit 2012. Wie haar inleiding vlak na Verbaans studie leest, lijkt wel met een ander onderwerp te maken te hebben. Esser moet niets hebben van een eenduidige chorografisch genre in de Nederlanden. Zij spreekt liever van een ingewikkelde puzzel, omdat chorografen nu eenmaal nooit in een vacuüm werken en gebruik kunnen maken van verschillende beschikbare vertogen (humanistisch, confessioneel, juridisch) die bovendien telkens van inhoud kunnen veranderen. Haar studie is dan ook geen ‘studie naar aanleiding van de stadsbeschrijvingen’, zoals Verbaan zijn eigen boek omschreef, maar een studie naar de inhoud van de door haar bestudeerde chorografische werken. Nadrukkelijk wil zij deze werken bovendien plaatsen in de bredere historische cultuur van de zeventiende eeuw, dus niet alleen in het contemporaine interne historiografische debat over de juiste ‘wetenschappelijke’ omgang met het verleden, maar ook en vooral in de pogingen een nieuwe verhouding tot het verleden tot stand te brengen. Dat was noodzakelijk geworden door de politieke en religieuze aardverschuiving die de Opstand en de daaropvolgende oorlog in de Nederlanden teweeg had gebracht. In haar inleiding flirt Esser dan ook met moderne ‘memory studies’ en Aleida Assmanns invloedrijke onderscheid tussen sociale en politieke herinneringen. De chorografie als een vroegmodern voorbeeld van Vergangenheitsbewältigung.

Essers perspectief is zo niet alleen cultuurhistorischer dan dat van Verbaan, maar kent ook een veel grotere geografische reikwijdte: zij is door haar vraagstelling niet alleen geïnteresseerd in de beroemde stadsbeschrijvingen van Amsterdam en Haarlem, maar ook in beschrijvingen van Nijmegen en verschillende Zuid-Nederlandse steden als Antwerpen, Leuven en Geraardsbergen; niet alleen chorografieën van de westelijke kustgewesten Holland, Zeeland en Vlaanderen komen aan bod, maar ook die van de oostelijke provincies Gelderland en Drenthe en van de grensgebieden in Brabant. De aandacht is evenwichtig verdeeld over winnaars en verliezers van de Tachtigjarige Oorlog, centrum en periferie, grens- en kerngebieden.

Dat heeft een rijke studie opgeleverd die mooi de lokale en gewestelijke verschillen in de omgang met het verleden van eigen stad en gewest illustreert en verklaart. Lang niet alles is even nieuw of opzienbarend. Toch blijft het fascinerend om te zien hoe Amsterdamse geschiedschrijvers de beginjaren van de Opstand een plek in hun verhaal wisten te geven zonder nadruk te hoeven leggen op de Amsterdamse steun aan Filips II tot 1578; hoe Haarlemmers een heldhaftig verleden (Damiate) ontwierpen om zich positief te kunnen onderscheiden van de inwoners van andere Hollandse steden; hoe vader en zoon Smetius Nijmegen voorzagen van een geschiedverhaal, dat de band met de Romeinen, Karolingers en het Heilige Roomse Rijk onderstreepte en de stad presenteerde als een deugdzaam Bataafs alternatief voor de door vreemdelingen overlopen Hollandse steden, en hoe ten slotte Carolus Scribani in hoogdravend Latijn een beschrijving van de voormalige metropool Antwerpen gaf, waarin iedere verwijzing naar de lotgevallen in de recente oorlog ontbrak en traditie en continuïteit de ordenende principes waren.

De door Esser besproken gewestelijke chorografieën vertonen eenzelfde variatie. Mooi laat zij bijvoorbeeld zien hoe de chorografen van Gelderland en Drenthe er uitstekend in slaagden een alternatief voor de Hollandse master narrative te ontwerpen door aan te sluiten bij oudere, pre-Habsburgse, op het Heilige Roomse Rijk georiënteerde loyaliteiten en tradities. Opvallend genoeg ging dat alternatief niet gepaard met een nuancering van de betekenis van de nieuwe Unie: ook voor de elite in de oostelijke gewesten was de Republiek een tastbare realiteit geworden. Anders lag dat natuurlijk voor de beschrijvers van de zuidelijke gewesten: die moesten niets hebben van de door de rebellen veroorzaakte veranderingen en legden juist sterk de nadruk op oude dynastieke en katholieke tradities. Een tijdloze, op stedenlof en Guicciardini geïnspireerde, Descriptio bleef zo kenmerkend voor het genre in de Zuidelijke Nederlanden. Stijl en historische methode hingen dus niet alleen af van nieuwe historische modes en inhoudelijke debatten over de aard van de geschiedschrijving, maar ook van de plek waar men geschiedschrijving bedreef. ‘Texts were not static, and although following conventions established early in the century, authors could mould them according to their intellectual objectives’ (p. 327).

Niet alleen inhoudelijk onderscheidt het boek van Esser zich zo sterk van dat van Verbaan, ook in stijl en temperament zijn beide auteurs verschillend. Waar Verbaan voorzichtig inventariseert, ordent en samenvat, is Esser niet bang voor de ‘sweeping statements’ en het grote gebaar. Dat levert een aantal veelbelovende en spannende suggesties op over bijvoorbeeld de eigenaard van de zeventiende-eeuwse historiografie, het proces van canonvorming, het ontbreken van recente oorlogsgeschiedenissen in veel chorografieën en de overgang van onderwerpen uit de sociale herinnering naar de politieke herinnering. Echter, jammer genoeg lijkt Esser de rust te missen deze grote en mooie thema’s daadwerkelijk uit te werken, terwijl ook de gekozen opzet van haar boek niet veel ruimte laat voor uitweidingen: een volgend werk staat alweer klaar om geanalyseerd te worden. Het boek is zo uiteindelijk vooral een verzameling intelligente en goed geschreven besprekingen van meer en minder invloedrijke chorografische werken door een enthousiaste en scherpzinnige lezer. Het is dan ook misschien niet helemaal toevallig dat de inleiding en de conclusie tot de spannendste en opwindendste gedeelten van The politics of memory behoren: daar kan Esser zich eindelijk voor even losmaken van de door haar bestudeerde chorografen.

Wie beide boeken vlak achter elkaar leest voelt zich een beetje als een gast in het Radio 4-programma Diskotabel, waar verschillende uitvoeringen van klassieke meesterwerken met elkaar worden vergeleken. Als de dirigent van opname A nu eens het orkest van opname B en de solist van opname C tot zijn beschikking had gehad … Soms zou je inderdaad wensen dat Verbaan wat meer van de durf van Esser had, en Esser op haar beurt wat van het geduld van Verbaan. Maar tegelijkertijd is zo’n wens wel erg flauw door onvoldoende recht te doen aan de kwaliteiten van beide boeken, die heel goed op eigen benen kunnen staan en het waard zijn gelezen te worden door een ieder die geïnteresseerd is in de historische cultuur van de zeventiende eeuw.