In Nederland is de historicus, theoloog en filoloog Gerardus Johannes Vossius (1577–1649) beter bekend en onderzocht dan zijn zoon Isaac (1618–1689). Omwille van zijn veelzijdigheid en zijn centrale plaats in de internationale geleerdenwereld verdient de jongere Vossius evenveel aandacht als zijn vader. Hij bewoog zich onder andere op de gebieden van filologie, chronologie, bijbel, optica, geografie (in het bijzonder China) en filosofie. Isaac Vossius was lid van de Royal Society en samen met Christiaan Huygens hét ‘uithangbord’ voor de Nederlandse Republiek op het gebied van de kennis der natuur.

De twaalf artikelen in deze bundel zijn in 2007 als lezingen gepresenteerd tijdens het congres Between Scholarship and Science: The Wonderful World of Isaac Vossius (1618-1689). Tekenend voor de eerder wetenschapshistorische dan filologische insteek van Eric Jorink en Dirk van Miert is de titel van de bundel: de volgorde van geleerdheid en wetenschap zijn hier omgedraaid ten opzichte van de titel van het congres. Daarnaast heeft het filologische werk en de bibliotheek van Vossius reeds enige aandacht gekregen, zodat de editeurs in deze bundel het (natuur)wetenschappelijke werk centraal stellen. In hun inleiding nuanceren ze de tegenstelling tussen humanistische geleerdheid en natuurwetenschap terecht, aangezien die toen nog niet gescheiden werden. In de inleiding plaatsen ze Vossius in de context van de geleerdenwereld van zijn tijd en van het onderzoek naar hem en zijn werk. Voor een biografie van Vossius verwijzen ze naar het lemma ‘Vossius, Isaac’ van Rudolf de Smit in de Dictionary of Seventeenth- and Eighteenth-Century Dutch Philosophers. Een korte beschrijving van zijn leven had echter niet misstaan, ook om de bijdragen, die op het tweede deel van zijn leven focussen, meer in perspectief te zetten. Zo beschrijft Dirk van Miert de Franse wortels van Vossius’ belangstelling en werkwijze alsmede zijn polemische, libertijnse attitude, die teruggaan op Isaac Casaubon, Claude Saumaise en Joseph Scaliger. Anthony Grafton behandelt Vossius’ activiteiten op het gebied van de tijdrekenkunde. Scott Mandelbrote laat zien hoe de hoofdpersoon van deze studie omging met het belangrijkste handschrift van de Septuagint, de Griekse vertaling van het Oude Testament: de Codex Alexandrinus. Eric Jorink plaatst Vossius in de geleerdenwereld van zijn tijd, in Engeland, Frankrijk en de Republiek, terwijl Fokko Jan Dijksterhuis in detail ingaat op Vossius’ rol in de ‘wetenschappelijke revolutie’. Karel Davids en Thijs Weststeijn behandelen zijn belangstelling voor geografie en met name de in de studeerkamer ontstane liefde voor de Chinese cultuur. In die studeerkamer hield Vossius zich met de filologie en filosofie bezig, het onderwerp van de studie van Colette Nativel. Susan Derksen onderzoekt de handschriftelijke aantekeningen in Vossius’ boeken en Astrid Balsem behandelt de collectievorming van zijn bibliotheek. Een rijk boek, met veel informatie over de zeventiende-eeuwse wetenschappen in het algemeen en de geleerde Isaac Vossius in het bijzonder.