De pretentieloze titel verhult dat dit opulent geïllustreerde volume een ereplaats inneemt onder academische feestbundels. Het bevat ruim zestig bijdragen op het gebied van de portretkunst, opgedragen aan Rudi Ekkart, voormalig directeur van het Rijksinstituut voor Kunsthistorische Documentatie (en bekend van de Ekkart-commissie voor restitutie van oorlogsbuit uit de Nazi-periode). De meeste teksten hebben het karakter van korte ‘entries’ in een catalogus, gewijd aan de technische, stilistische, iconografische en sociaaleconomische kwesties die vroegmoderne portretschilderkunst met zich meebrengt. Een weids panorama: van schenkers in laatmiddeleeuwse altaarstukken tot achttiende-eeuwse miniaturen in email. De overdaad aan plaatjes toont impliciet hoe weinig de lokale traditie (als de voornaamste bloeiperiode van portretkunst na het oude Rome) afhankelijk was van buitenlandse voorbeelden. De belangrijkste uitzonderingen zijn hier Jan van Scorel, wiens ‘mengeling van Noord-Italië en Holland’ ontleende aan Palma en Sebastiano del Piombo (Molly Faries), en de Engelse ervaringen van schilders als Van Dijck die vervolgens in Nederland werden overgenomen (Emilie Gordenker).

Portretten die voor de privésfeer bestemd waren werden dikwijls, net als persoonlijke teksten en objecten, uitgewisseld in vriendschappelijke netwerken. Een voorbeeld zijn Hendrick Goltzius’ getekende afbeeldsels van zijn collega’s (Alison Kettering). Ook Maarten van Heemskercks befaamde Zelfportret voor het Colosseum kan een gift voor kardinaal Granvelle zijn geweest (Peter van der Coelen). Een epigram door Geeraerdt Brandt geeft aanleiding om een van Govert Flincks schilderijen te identificeren als portret van Suzanna van Baerle, echtgenote van de dichter (Tom van der Molen). Andere portretten vervulden daarentegen een rol in de publieke sfeer en tonen de wens van de geportretteerden om hun reputaties vorm te geven. Thomas de Keyser, bijvoorbeeld, schilderde zijn collega David Bailly als volleerd in internationale hoofse gedragscodes: modieuze kledij, een rapier en een luit verwezen naar de kwaliteiten die voor maatschappelijk succes in de Republiek belangrijker waren dan een afgeronde universitaire opleiding (Ann Adams). Om brede circulatie mogelijk te maken bestelden Elizabeth van de Palts en Frederik van Bohemen portretminiaturen speciaal bij Engelse kunstenaars (Marjorie Wieseman). Anna Maria van Schuurman sloot zelfs gegraveerde portretten bij in haar correspondentie met buitenlandse geleerden (Arthur Wheelock). Daarentegen liet Maria Stuart zich vereeuwigen in een gewaad van Braziliaanse vogelveren dat benadrukte hoe haar hofhouding Britse koloniale feestcultuur in de Nederlanden introduceerde (Quentin Buvelot). Series van portretten konden ook dynastieke ambities uitdragen, zoals de eigenhandige tekeningen van familieleden door Nicolaes Witsen, meervoudig Amsterdams burgemeester, geograaf en gouverneur van de VOC (Judith van Gent).

Tot slot verdienen enkele nieuwe inzichten hier vermelding. Het boek op Rembrandts portret van Johannes Wtenbogaert kan worden geïdentificeerd als verwijzing naar de Remonstrantse Kerkorde van 1633 (Marijke Tolsma). Het kind op Rubens’ portret van hemzelf en Helena Fourment, nu in New York, is hun eerste zoon, Frans (Walter Liedtke). Jan de Bray’s beroemde portret van zijn ouders kende een verloren pendant: een zelfportret (Christian Tico Seifert). Nicolaes Roosendael, eerder alleen bekend om het curieuze altaarstuk dat hij maakte met Samuel van Hoogstraten, vervolgde zijn carrière als portrettist van de Amsterdamse katholieke gemeente (Robert Schillemans).