De zeventiende eeuw was een tijd van doorgedreven studie en grote ontdekkingen in de wetenschappen, doorgaans geassocieerd met astronomie en natuurkunde. Deze verzameling essays, allemaal in het Nederlands, wil laten zien dat de aanzet van deze boom te vinden is in de natuurhistorie, in de eerste plaats de botanie. De toenemende botanische kennis was ‘het resultaat van een intense samenwerking tussen artsen, apothekers, kooplieden, edellieden, regenten, tuinlieden, kunstenaars’ (p. 7). Met andere woorden wetenschap, handel en kunst vonden elkaar in de wondere wereld van de planten. De drijvende kracht achter deze evolutie lag in Leiden, met name bij Carolus Clusius (1526–1609), die er zich in 1593 vestigde en de aanleg van de Hortus botanicus ter harte nam. Hij bracht een uitgebreid netwerk van geleerden en kooplieden met zich mee met wie hij regelmatig correspondeerde en (informatie over) zaden en planten uitwisselde. Vaak beschikten deze correspondenten op hun beurt ook over een hele achterban, wat steeds ruimere contacten mogelijk maakte. Kooplieden speelden hierbij natuurlijk een grote rol: zij brachten immers de informatie én vooral de planten van continent naar continent. Clusius krijgt dan ook terecht door meer dan één auteur aandacht toebedeeld.

De bloei van de botanie betekende niet alleen fraaiere tuinen, waarbij de rijkdom van de plantenwereld zijn weg vond naar de beeldende kunst; de botanie gaf ook een nieuw impuls aan de farmacie en de geneeskunde: men leerde nieuwe remedies kennen en ontdekte dat bepaalde geneeskrachtige eigenschappen samenhingen met een bepaalde regio of klimaat. In het onderdeel ‘De verzamelaars’ wordt aandacht besteed aan de verzamelaars Christiaen Porret (een apotheker) en Hieronymus van Beverningh, maar ook aan de opkomst van herbaria en de uitwassen van de tulpomanie. In ‘Woord en beeld’ wordt de evolutie van de illustraties in plantkundige publicaties nagegaan, gevolgd door een hoofdstuk over de botanische houtblokken van Plantijn, die tal van Clusius’ werken ter perse legde. De lezer krijgt een verrassende blik op de bibliotheek van Jacob Lightvoet († 1752) die een halve eeuw als tuinman werkte in de Leidse hortus. ‘Kwekerij Bloem-Thuyn en zijn hyacinten’ (achttiende eeuw) laat zien hoe handel en kunst elkaar aanvullen. In het laatste onderdeel wordt ingezoomd op de prefecten van de hortus en twee belangrijke Leidse plantkundigen, Paul Hermann en Herman Boerhaave.

Bloeiende kennis is een boeiend boek geworden dankzij de veelzijdige invalshoeken en richt zich dus tot een breed en multidisciplinair lezerspubliek, dat extra wordt verwend door de talrijke, goed gekozen illustraties uit de schatten van het Museum Boerhaave en de Universiteitsbibliotheek te Leiden.