In 1612 werd Cornelis Haga benoemd tot Nederlandse gezant aan het Ottomaanse hof. Het was het begin van de diplomatieke betrekkingen tussen Nederland en Turkije. Om te vieren dat die betrekkingen alweer 400 jaar voortduren, organiseerde het Amsterdam Centre for the Stuy of the Golden Age op 26 april 2012 het symposium ‘Diplomatie, handel en cultuur: Nederlandse contacten met het Ottomaanse Rijk tijdens de lange zeventiende eeuw’. Het doel was om meer inzicht te verkrijgen in de manier waarop, in het kielzog van de diplomatieke betrekkingen, commerciële, culturele en wetenschappelijke contacten tot stand kwamen. Vier van de in dit nummer van De Zeventiende Eeuw opgenomen bijdragen vormen het resultaat van dit symposium. Aan de hand van de Nederlandse handel op de stad Izmir laat Merlijn Olnon zien dat de periode 1675–1678 een scharnierpunt vormde in de betrekkingen tussen de Republiek en het Ottomaanse Rijk. Door een samenloop van bestuurlijke, politieke en economische omstandigheden kwam er in die periode een einde aan het internationale primaat van de Republiek in de handel met de Levant, die voortaan in de schaduw van Frankrijk en Engeland zou plaatsvinden. Welke gevolgen hadden de intensieve betrekkingen tussen West en Oost voor het beeld van de Turken in de Republiek? Frans Blom beantwoordt deze vraag aan de hand van toneelstukken en krantenberichten over de Ottomanen. Wat daarbij opvalt, is dat ‘Turkse’ voorstellingen van Nederlandse bodem ronduit schaars waren. Theaterstukken werden geïmporteerd uit Zuid-Europa, en eigenlijk gold dat ook voor de wekelijkse nieuwsberichten over Turken: een typisch gevolg van de positie van handelsstad Amsterdam op de Europese nieuwsmarkt. Het medium toneel speelt ook een belangrijke rol in het artikel van Irena Ajdinovic over de uiteenlopende interpretatie in de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden van de moord op sultan Osman II in 1622. De binnenlandse politieke agenda bepaalde hoe deze gebeurtenis op het toneel werd verbeeld. Tot slot van deze Turkse special, neemt Claudia Swan de functie van de uitwisseling van giften in de diplomatieke sfeer onder de loep. Door middel van een analyse van de overvloedige geschenken die Haga namens de Staten-Generaal in 1612/1613 de Ottomaanse sultan aanbood, besteedt zij aandacht aan de (bredere) vroegmoderne fascinatie met exotica en rariteiten.

Naast het Turkse dossier bevat dit nummer een artikel van de winnaar van de Scriptieprijs 2011–12. Floris Verhaart ontving de prijs voor zijn masterscriptie Klassieke Talen (Universiteit Leiden), getiteld ‘Fighting to Make Old Knowledge New. Jean Le Clerc, Pieter Burman, and Productive Tensions in the Republic of Letters’. In het op deze scriptie gebaseerde artikel analyseert hij het gebruik van stereotypen in het vroegmoderne wetenschappelijke debat.

Sina Rauschenbach, ten slotte, vraagt in haar bijdrage aandacht voor Caspar Barlaeus’ ideaalbeeld van de mercator sapiens: de wijze, erudiete koopman-regent. Zij laat zien welke invloed dit beeld uitoefende op Johannes de Laets zeventiende-eeuwse beschrijvingen van Spanje en Portugal in de reeks ‘Elzevier republieken’.