Sinds de opmerkelijk vroege erkenning van de Republiek der Verenigde Nederlanden door de sultan tijdens de eerste jaren van het Twaalfjarig Bestand (1612) kennen de Nederlands-Osmaans/Turkse betrekkingen een uitzonderlijke continuïteit tot op de dag van vandaag. De vraag dringt zich op: wat zagen en zien deze staten en hun bevolkingen in elkaar dat zij al zo lang in betrekkelijke harmonie zaken doen? Iedere poging deze vraag in volledigheid te beantwoorden levert al snel een onsamenhangend verhaal op dat begint bij Spanje en de Gouden Eeuw, om via de val van het Osmaanse Rijk en gastarbeiders te eindigen bij Nederlandse investeringsdrang in een booming Turkije. Chronologie lijkt in dat relaas de enige lijn, de motivatie erachter nodeloos gereduceerd tot ‘gewin’. Het is zinniger om te bekijken op welke momenten in de geschiedenis de relatie ingrijpend van karakter veranderde. Deze benadering verschuift onze aandacht van een onveranderlijk gegeven (‘400 jaar betrekkingen’) naar de historische dynamiek erachter (‘400 jaar betrekkingen ondanks en omdat’), en stelt ons in staat ze te plaatsen in een breder historisch kader. Bovendien vestigt zij de aandacht op een paar jaar in de zeventiende eeuw, waarin de dynamiek van de betrekkingen ingrijpend veranderde. De periode die in deze bijdrage centraal staat, zijn de jaren 1675–1678, toen de Nederlandse vertegenwoordiging en handel in het Osmaanse Rijk zowel vanuit Den Haag als vanuit Istanbul gelijkgeschakeld werd, waarmee onbedoeld een einde kwam aan het spectaculaire succes van de Republiek in de Levant. Het verlies van deze kortere termijnhandel, die in waarde gelijk was aan de lange-termijnhandel van de VOC (zie beneden), zette ook het financieringsmechanisme van deze lange-afstandshandel van de Republiek onder spanning, waarbij de halfjaarlijkse returns uit de Levanthandel de tweejaarlijkse investeringen in de Oost- en West-Indiëhandel droegen, met de nodige gevolgen voor de economische slagvaardigheid, en daarmee ook macht, van de Republiek. Hoewel de veranderingen die toen plaatshadden door direct betrokkenen wel als ingrijpend werden ervaren, zijn zij historiografisch nooit op waarde geschat. Pas nu kunnen wij op basis van nieuw onderzoek in de Osmaanse en Nederlandse archieven vaststellen dat die paar jaar tussen 1675 en 1678 de betrekkingen zodanig vervormden dat zij een abrupte scheiding vormden met de periode van de eerste handelsbetrekkingen.1

De vroege betrekkingen

Al in de eerste jaren van het Twaalfjarig Bestand (1609–1621) knoopten de Republiek en het Osmaanse Rijk op aandringen van de Osmaanse grootadmiraal Halil Pașa betrekkingen aan. Daarmee zou het Osmaanse Rijk wel eens de eerste staat geweest kunnen zijn die de Nederlandse onafhankelijkheid van Spanje erkende.2 Anders dan wij tegenwoordig gewend zijn, hadden deze betrekkingen geen bilateraal maar een unilateraal karakter. Dat wil zeggen dat de sultan het de Nederlanders in 1612, onder eenzijdig door hem afgekondigde en beoordeelde voorwaarden, toestond aanwezig te zijn in de Osmaanse gebieden. Deze voorwaarden, en de aan de naleving daarvan ontleende rechten, werden vastgelegd in een in hoofdstukken onderverdeeld Osmaans privilege dat men ‘capitulatiën’ noemde. De bepalingen in de Nederlandse capitulaties van 1612 (zie het sultansmonogram en de aanhef in afb. 1) waren ongekend voordelig en maakten de Republiek in één keer, en tot in de zeventiger jaren van de zeventiende eeuw, de meest begunstigde handelspartner van de sultan.3

Voor de Osmanen was de Republiek in de eerste plaats interessant als strategische partner om de Habsburgse macht af te leiden van de Middellandse Zee en de Balkan, de twee regio’s waarop de Osmaanse ambities zich hoofdzakelijk richtten. Voor de Republiek, die hier als elders niet zocht naar territoriale expansie maar vooral naar economische mogelijkheden, diende de alliantie voornamelijk de handel.4 Niet dat de twee los van elkaar konden worden gezien: net als de Nederlanders begrepen ook de Osmanen heel goed dat het belangrijkste wapen van een strategische alliantie economisch en fiscaal kon zijn. Daarin lag dan ook de tweede reden dat de Osmanen geïnteresseerd waren in een alliantie met De Republiek: het commerciële tegenwicht dat deze alliantie bood tegen de quasi-territoriale handelsambities van Spanje, Frankrijk en Venetië.

Zoals het een diplomatiek document betaamt, begonnen ook de capitulaties met een preambule. Daarin werd verhaald hoe de Staten-Generaal om de vriendschap van de sultan hadden verzocht en dat het hem – na de ontvangst van een gepast tribuut (in de vorm van geschenken) en een gezant – behaagde dat verzoek in te willigen, althans zolang de Nederlanders standvastig waren in hun vriendschap. Die standvastigheid zouden zij betonen door geen vijandelijkheden te begaan en zich aan de basisregels van het handelsverkeer te houden, zoals die in de erop volgende artikelen uiteen werden gezet. Dientengevolge opereerden de Nederlandse vertegenwoordigers en handelaren in het Osmaanse Rijk onder het Osmaanse recht – weliswaar verrijkt met een aantal internationale rechtsprincipes die in Hugo de Groots Mare Liberum niet hadden misstaan.

Voortaan zouden de Nederlandse handelshuizen in Alexandrië, Aleppo, Izmir en Istanbul niet meer, zoals zij sinds het midden van de zestiende eeuw gewend waren, hoeven en kunnen schuilen onder (respectievelijk) Venetiaanse en Engelse bescherming. De sultan eiste niet alleen dat de Nederlandse gezant als resident in Istanbul aanbleef, maar ook dat er door hem te diplomeren consuls benoemd zouden worden in deze handelsplaatsen. ‘De Nederlanders’ waren opeens diplomatiek verantwoordelijk voor hun eigen handel en wandel. Of zij nu uit de Levant zelf, uit de Zuidelijke, of uit de Noordelijke Nederlanden kwamen, en of zij nu net in de Osmaanse gebieden aangekomen waren of er al generaties verbleven, hun gedragingen zouden voortaan van grote invloed zijn op de Osmaans-Nederlandse interstatelijke verhoudingen, en vice versa.

Het Wilde Westen in het Oosten

Nu hoefden de Nederlanders in de handelsplaatsen zich tot halverwege de zeventiende eeuw niet al te veel gelegen te laten liggen aan het Osmaanse recht of de macht van de sultan. Net als in Europa zorgden de grote economische, maatschappelijke en politieke veranderingen van de lange zestiende eeuw (ca. 1450–1650) ook in het Osmaanse Rijk voor het nodige tumult.5 We volstaan er in het kader van dit artikel mee te signaleren dat met de dood van Süleyman de Grote (r. 1520–1566) de geest definitief uit de fles was en er onherroepelijk een einde kwam aan de Klassieke Periode.6 De negentig jaar erna werden vooral gekenmerkt door militaire tegenslag, opstanden, dynastieke, fiscale en monetaire crises, en sluipende decentralisatie. Dat was allemaal niet voor het eerst of het laatst. Wel nieuw was dat de maximen van de Osmaanse staat en het jihadistische (of, correcter, ġazi) ideaal van de Osmaanse beschaving geen antwoord meer leken te kunnen bieden op de uitdagingen van deze nieuwe vroegmoderne werkelijkheid.

In het bestuurlijke vacuüm dat ontstond tussen rap afwisselende modernisering en reactionaire terugslag, konden de Europese consuls en handelaren in de provincies bij onenigheden over hun vermeende rechten en plichten wuiven wat ze wilden met hun door het hof uitgegeven capitulaties en diploma’s (en vervolgens zakken vol geld uitgeven aan bevestigende sultansbevelen waarnaar toch niemand luisterde). Meestal was het een stuk doeltreffender om een vergelijk te treffen met de lokale machthebbers en bestuurders.7 De Venetianen en Fransen kozen als statusgevoelige oudgedienden vaak voor het eerste, de Engelsen en Nederlanders als de commerciële vechtjassen die zij waren voor het tweede. Daarbij bleek de over het algemeen bijzonder pragmatische, coöperatieve, niet-soevereine houding van de diplomaten en handelaren van het staatkundige parvenu dat de Republiek was, een groot bijkomend voordeel in de relaties met een ambitieus wereldrijk en inclusivistische beschaving als de Osmaanse; ook in de dagelijkse handelspraktijk.8

Vooral in Izmir (door Europese tijdgenoten nog eigenwijs aangeduid als ‘Smyrna’) bleek dit handjeklappen met Osmaanse Armenen, Grieken, Joden, Turkse opstandelingen, bestuurders en garnizoenen bijzonder profijtelijk. Er was geen Osmaanse handelsplaats waar de combinatie van politieke bescheidenheid, maritieme slagvaardigheid, en verregaand pragmatisme in de loop van de zeventiende eeuw zo tot voordeel strekte als daar. Het is niet overdreven te stellen dat het Nederlandse succes in de Levant, en de significante bijdrage daarvan aan onze Gouden Eeuw, door een bont en kosmopolitisch gezelschap dat zich onder de Nederlandse vlag verzamelde iedere dag opnieuw tot stand werd gebracht in de commerciële, bestuurlijke en sociale context van die boomtown.9

De bijzondere positie van Izmir was te danken aan haar positie als meest Europese aansluitpunt op de karavaanroutes. Nadat de Osmanen de Archipel veroverden op de Venetianen en de Genuezen en de Egeïsche gebieden verenigden onder een Pax Ottomanica (zie afb. 2, in het bijzonder de data van Osmaanse inlijving van de Egeïsche gebieden), begonnen de enorme zeeslagen van de zestiende eeuw plaats te maken voor de uitputtingsoorlog van de kaapvaart. Geconfronteerd met snel stijgende verzekeringspremies en het valide alternatief van Osmaanse protectie, zochten Venetiaanse, Genuese, Franse en Engelse handelaren een heenkomen in de veilige haven van het oude Smyrna. Liever dan karavaangoederen te verschepen vanuit Aleppo en Alexandretta (het tegenwoordige Iskenderun) via een van kapers vergeven zeeroute, verkortten zij de zeeroute zoveel mogelijk door ze in Izmir in te klaren en onder escorte huiswaarts te laten varen. Bijkomend voordeel was dat Izmir de ideale uitvoerhaven was voor Anatolische luxegoederen als ruwe zijde, noten en zuidvruchten, en voor de voornaamste grondstoffen van de opkomende Europese lakenindustrieën (aluin, angorawol en garens).

Deze dubbelrol als extensie van de karavaanhandel en uitvoerhaven van grondstoffen voor de Europese industrie legde Izmir geen windeieren. Het aantal belastingbetalende families in de stad explodeerde van circa 500 (in 1575) naar 10.000 (in 1658) tot zelfs 20.000 (in 1678), waarbij de bevolking groeide van respectievelijk circa 2.500 tot 40.000 en 70.000 inwoners. De stad liep vol met (in volgorde) Turken uit het achterland, Grieken en ‘Latijnen’ (Italianen) uit de Archipel, ‘Franken’ uit Frankrijk, Engeland en de Nederlanden, Armenen uit Perzië, en Joden en converso’s uit Spanje, Portugal en Salonika. De demografische en economische explosie voltrok zich goeddeels buiten controle van het in existentiële crisis verkerende Ottomaanse rijk.

Het resultaat van de maalstroom waarin Izmirs bevolking en economie werden meegezogen op een moment dat de staat niet bij machte was deze infrastructureel en bestuurlijk in te kaderen, was dat de Europese en Osmaanse handelaren en gezagsdragers ter plekke naar goed lokaal gebruik van deze oude Latijns-Osmaanse dubbelstad in elkaars behoeften voorzagen.10 De mate waarin dat gebeurde vormde een aanzienlijke bedreiging voor de Osmaanse voedselvoorziening, industrie, vloot en schatkist, en daarmee voor de legitimiteit en slagvaardigheid van het rijk: goederen die geoormerkt waren voor de bevolking van de hoofdstad, de gilden en het leger stroomden vrijwel ongehinderd van het achterland (via Griekse, Armeense en Joodse makelaars) naar Europese handelshuizen aan de zeekant, en van daaruit naar Europese vrienden en vijanden, zonder dat er Osmaanse of consulaire rechten over geheven konden worden. Voor de lakens en (vaak valse) gelden die Europa in ruil daarvoor in Izmir dumpte, gold vaak hetzelfde, ook dat weer met desastreuze gevolgen voor het functioneren van de Osmaanse gilden en monetaire economie. Goed geïnformeerde tijdgenoten schatten dat het ‘sluiken der tollen’ in Izmir een derde tot de helft van de Europese handel van die stad betrof. De jonge reiziger (en toekomstig consul) Daniël Jan de Hochepied beschreef in 1677 uit de eerste hand hoe dat in zijn werk ging:

De voors: Coopvaardij Scheepen lopen dicht voor de stadt ten ancker, dewelcken int hangen vant geberchte legt welckers huysen sich tot aan de zee kant verspreyden, tot aan het Quartier van de Europische Christene Cooplieden, die hier int generaal by het volck vant landt, onder de naam van ‘francken’ bekent syn, dewelcke in een lange straat, die syn begin van den toll neemt langs de zee strant heenen, by den anderen als in een buyrt woonen, die men ook gevolglyck onder de wandelinge de francke straat noemt. En hebben de Coopluyden hare huysen in de selven. Eenen dubbelden uytgangh, als een inde voors: straat, en een aande zeekant, welcke laaste haar van een groote utiliteit en voordeel is, soowel ten insichte voor het commodieris en gemackelyck laden, en ontlossen van hare Coopmanschappen, als oock int besonder voor het sluycken en frauderen der tollen, waarop de Smirniotten int generael haar seer wel verstaan temeer, omdat sy met achterhaalt of betrapt te werden, niet veel riscqueeren maar met het betaelen van een dubbelden toll, ten quaatsten voldoen konnen. Welcke toll echter niet meer als drij en hondert van alle waaren, volgens den teneur vande vergunde Keyserlycke Capitulatie bedraegt. En om dat peryckel noch niet onderworpen te weesen, soo verstaen de Cooplieden haar selfs, den meesten tyt met de wachters en opsienders van den selven toll, met de helft te parteeren die meest alle Corruptibel syn.11

Een ideale situatie voor de dealmakers in Izmir dus, maar bijzonder ongunstig voor het rijk. En hoe stonden de gezagsdragers in de Republiek er eigenlijk tegenover? Per slot van rekening had de Nederlandse Levanthandel zich steeds sterker geconcentreerd in Izmir, terwijl de Staten-Generaal en de Admiraliteiten aanzienlijk investeerden in het onderhouden van een missie in Istanbul, het beveiligen van de zeeroute naar de Levant, en het halfjaarlijks monteren en konvooieren van handelsschepen.

Handel, Nederlandse stijl

Eigenlijk vonden de autoriteiten van de Republiek het wel best, zolang de Directeuren van de Levantse Handel en de Navigatie in de Middellandse Zee (de DLH) er vanuit hun Kamers in Hoorn, Amsterdam, Rotterdam en Middelburg maar in slaagden de handel te besturen zonder de betrekkingen met de sultan in gevaar te brengen. De DLH was in 1625, een paar jaar na het aflopen van het Twaalfjarig Bestand, in het leven geroepen om de Nederlandse Straatvaart (de handel op de Middellandse Zee) te verzekeren tegen kapers. Het mandaat van de Heren Directeuren van de Levantse Handel was in eerste instantie vrij beperkt. Zij zagen toe op de montering en belasting van de schepen, fungeerden als beroeps- en belangenvereniging, en adviseerden de Staten-Generaal bij diplomatieke benoemingen, commerciële regelgeving en handelsgeschillen. En hoewel het geen joint-stock of chartered compagnie was (zoals de VOC of de Engelse Levant Company), slaagde de DLH er al polderend wonderwel in de handel te verzekeren en te bevorderen tegen minimale kosten, en ondertussen een steeds grotere stem te krijgen in de internationale (handels)politiek van de Republiek.

Mede door hun pragmatische, zuinige, regelarme, decentrale en individualistische benadering slaagden de republikeinse instituties en handelaren er in de concurrentie in de Levant ver achter zich te laten. De ruime, goedbewapende en lichtbemande konvooien van fluitschepen en de lage bedrijfs- en representatiekosten leverden een concurrentievoordeel op dat hen (samen met de uitzonderlijk goede voorwaarden die de sultan Nederland gunde) maakte tot de voorkeurspartners van het merendeel van de Osmaanse Grieken, Armenen en Joden, en zelfs van menig Fransman, Venetiaan en Genuees. Het belang van de Nederlandse Levanthandel was aanzienlijk voor de Hollandse ondernemers zelf, die met hun halfjaarlijkse handel op Osmaans Aleppo, Izmir en Istanbul hun tweejaarlijkse handel op de Oost en de West financierden, en ook voor de Staten-Generaal, die vriendschappelijke relaties met de Osmaanse sultan onderhielden. Buitenlandse concurrenten (en, mede om die reden, vijanden) in Engeland en Frankrijk zagen zich in het Osmaanse Rijk vanaf 1650 voorbijgestreefd door een Nederlandse handel die in 1661 al vijf keer omvangrijker was dan de Engelse en die in 1672 op eenzelfde waarde werd geschat als die van de oppermachtige VOC.12

Alleen ging deze voor privépersonen zo voordelige Nederlandse manier van zakendoen wel ten koste van het publieke belang en zijn dienaars ter plekke. Zolang het de Nederlanders in de Levant voor de wind ging, was het niet zo bezwaarlijk dat Nederland in Istanbul voor een dubbeltje op de eerste rang zat, dat de diplomatieke inkomsten vanwege wanbetaling door de Staten-Generaal en de Levanthandelaren weinig ruimte lieten voor systematische cultivering van de relaties, en dat de betrekkingen gegijzeld werden door de belangen van individuele handelaren of ‘naties’ (zoals de Nederlandse van Izmir). Voor de Osmanen was het aantrekkelijk de Nederlanders hoog op te steken als tegenwicht tegen de soevereine en territoriale hoogmoed van de Fransen, de Venetianen en de Engelsen; voor de Republiek was handelspromotie altijd het voornaamste doel van de relatie geweest. Het was hoogstens een lastige bijkomstigheid dat hun ambassade en consulaten (en de gezant en consuls persoonlijk) door de smokkel en insubordinatie van hun onderdanen slechts een fractie van hun rechten konden innen en voortdurend op de rand van faillissement balanceerden. Driekwart eeuw Osmaanse welwillendheid had de Staten-Generaal haast doen vergeten dat er een moment zou kunnen komen waarop het lichte en op consensus gerichte ‘bewind’ over de hyperkapitalistische, individualistische, heterogene en kosmopolitische Nederlandse handelaren in de Levant, die van Izmir voorop, de Republiek duur zou komen te staan.

Dat kantelpunt kwam in de jaren 1670, toen de bonte verzameling verturkste, geïtalianiseerde, katholieke, gereformeerde, overgekomen, en al generaties in de Levant verblijvende handelaren uit alle windstreken van Europa hun pragmatische vereniging onder de Nederlandse vlag abrupt zagen veranderen in een Nederlandse ‘nationaliteit’ avant-la-lettre. Met name de fiscale en juridische implicaties van die verandering – de strikte heffing van lastgelden volgens door de Staten-Generaal vastgestelde tarifa’s en een versteviging van het consulaire gezag over de natie, inclusief de mogelijkheid tot vrijheidsberoving en vervolging – zorgden voor een jarenlange splijting van de Nederlandse ‘natie’, die zich ruwweg voltrok langs confessionele lijnen (waarbij de gereformeerden over het algemeen ‘gehoorzamer’ waren dan de katholieken).

Tegenslag en reorganisatie in het kwadraat: kantelpunt 1675–1678

Aan de langdurige maar delicate balans tussen strategische welwillendheid van Istanbul enerzijds en het vrijwel volledig samenvallen van handels- en staatsbelangen tijdens het Eerste Stadhouderloze Tijdperk (1650–1672/75) anderzijds, kwam ruw een einde toen deze twee pilaren onder het Nederlandse succes in het Nabije Oosten tussen 1672 en 1678 verbrokkelden).

Toen het Osmaanse Rijk tijdens het lange bewind van sultan Mehmed IV (r. 1648–1687) onder het gezag kwam van een krachtige dynastie van grootviziers (regeringsleiders), slaagden de eerste drie kopstukken van deze dynastie (Köprülüzade Mehmed Pașa, Köprülüzade Fazıl Ahmed Pașa en Merzifonlu Kara Mustafa Pașa) erin om het rijk versneld te stabiliseren, te moderniseren en uit te breiden. Met de verovering van Kreta (in 1669) werd het hele oostelijke bekken van de Middellandse Zee Osmaans. Daarmee lonkte de belofte van absolute economische en politieke controle over de Egeïsche gebieden en het Nabije en Midden-Oosten.fg003

Om die belofte waar te maken was het allereerst zaak het economische lek in Izmir te dichten en het bestuur, de economie en de gemeenschappen van de stad terug te brengen onder Osmaans bestuurlijk, economisch en sociaal-cultureel gezag. Dat deden de Köprülüs door middel van een administratieve herindeling (Izmir werd een kroondomein onder centraal bestuur), een reusachtige infrastructurele investeringsimpuls (in vier jaar stampten zij via de daartoe opgerichte vrome stichting (zie afb. 3) een hele nieuwe Osmaanse economische infrastructuur uit de grond ter vervanging van de Europese langs de zeekant), en door de al te vervlochten Osmaanse en Europese gemeenschappen van de stad uit elkaar te trekken (met fiscale en economische wet- en regelgeving). Deze (her)incorporatie van Izmir in de Osmaanse economische, sociale en ruimtelijke orde maakte geen einde aan de lokale uitwisseling van belangen, maar zorgde er wel voor dat de belangenuitwisseling beperkt bleef tot onderlinge lokale concurrentie en niet ten koste ging van het centrale Osmaanse gezag.tb001

Het eerste schot in dit offensief losten de Osmanen met het bevel voortaan te laden en te lossen bij de in 1675 gereedgekomen douane (in plaats van rechtstreeks bij de Europese handelshuizen; zie het panorama van De Bruyn, afb. 4). Dit garandeerde niet alleen meer inkomsten en toezicht over de handelsstroom, het positioneerde ook de nabijgelegen nieuwe Osmaanse overdekte markt en bijbehorende magazijnen optimaal. Hiermee werd de fysieke verplaatsing van de overslag- en bemiddelingszone van de Europese wijk (panorama van De Bruyn nrs. 5 t/m 11) naar het nieuwe Osmaanse centrum van de stad (nrs. 12 t/m 14) in drie jaar een feit.

Maar daar bleef het niet bij. Om het proces compleet te maken diende de economie van de internationale handel in fysieke én sociale zin onder Osmaanse controle te worden gebracht. Nu de fysieke kant was afgedekt, was het de beurt aan de sociale. In januari 1678 ontvingen de Europese missies het schokkende en onherroepelijke bevel aan te geven waar de scheidslijn tussen hun naties en de onderdanen van de sultan nu precies liep:

Den Primo Vesier13 heeft nu mede in het begin van dese maent alle de publycque christen ministers14 doen aenseggen, dat yder vande selve, aen een Caddi,15 daer toe gecommitteert, op eene lijste soude doen overleveren de namen van hare coopluyden, die hier te lande getrouwt sijn, de namen ende het getall van hare drogeluyden,16 ende de namen ende het getall van hare dienaren de welcke van dit lant sijn, mitsgaders dat alle de consuls ende drogeluyden het geheele rijck door binnen den tijt van drie maenden nieuwe Baratten17 van de Poort18 sullen hebben te versoucken op peijne van geconsidereert te sullen worden als particuliere personen, ende ten reguarde van de drogeluyden van dit Lant, dat die het Garaz,19 op het welcke alle ingeborenen vant rijck, geen Turcken sijnde, sijn getaxeert, sullen moeten betalen, strijdende recht tegens alle capitulatien20 aen; ende van alle welcke saecken geene andere reden te geven is, als dat het is de wille van die geene, de welcke de macht in handen heeft, om de selve saecken uyt te voeren; de welcke specialijck tenderen omme de christen coopluiyen, die hier huwelijcken hebben gecontracteert onder het voorsz Garaz te brengen, ende van de nieuwe Baratten een goede somme gelts te consequeren; uijt vreese van nieuwe havanien,21 so hebben alle de publicque ministers de voorsz lijste aen den voorn Caddi over doen leveren, ende aengenomen aen hare respective consuls, ende drogeluyden, buyten dese plaets residerende in conformité van de voorsz: aenseyginge hare ordres te sullen laten afgaen.22

Aanvankelijk leken de hevigste consequenties van de Osmaanse reorganisatie van de handelsbetrekkingen de Nederlanders bespaard te blijven. De Genuezen, Venetianen, Fransen en Engelsen in Istanbul en Izmir werden met toenemende onbuigzaamheid en heerszucht geconfronteerd. Ondertussen betoonde de derde Köprülü (en belegeraar van Wenen in 1683) zich als plaatsvervangend grootvizier, en daarna als grootvizier, lange tijd uitzonderlijk mild tegenover de Nederlanders. Goed ingevoerd in de Europese politieke en militaire verhoudingen als hij was, maakte hij er een punt van Nederland te ontzien, zeker tijdens de existentiële crisis die de Republiek tijdens het Rampjaar en daarna doormaakte.23

De land- en zeeoorlog van 1672 bracht de Nederlandse handel tot stilstand. Het zou tot augustus 1675 duren voordat er weer een bescheiden Nederlands konvooi voor anker ging in Izmir, en tot na de Vrede van Nijmegen (1678) voordat de scheepvaart weer echt op stoom was. In de tussenliggende jaren deden vooral de Engelsen hun voordeel met de Osmaanse export die de Nederlanders waren verloren. Hoewel de oorlog maar een paar jaar duurde, zorgde de breedte van het front tegen de Republiek er wel voor dat de succesvolle handelsstromen die haar handelaren hadden gecultiveerd konden worden omgelegd in het voordeel van de Fransen en Engelsen. De Nederlands-Joodse connectie tussen Izmir, Livorno en Amsterdam werd gaandeweg vervangen door een Frans-Armeense en (vooral) een Grieks-Engelse.

Ondertussen bracht het opdrogen van de handel de Nederlandse vertegenwoordiging in Istanbul en Izmir in grote problemen. In 1668 waren resident Colyer (in Istanbul) en consul Van Dam (in Izmir) na een veelbewogen reis vol goede moed (zie afb. 5 en afb.6) gearriveerd met de opdracht om financieel orde op zaken te stellen, nadat de Nederlandse gemeenschappen in die twee plaatsen schrikbarende betalingsachterstanden hadden opgebouwd met hun voortdurende weigering mee te betalen aan hun vertegenwoordiging. Hun komst slaagde er, in combinatie met de nogal halfhartige ondersteuning van de DLH en Staten-Generaal, slechts in de ‘twistziekte’ verder te vergroten. Toen de handel een aantal jaar later volledig opdroogde door de oorlog, werden de lopende conflicten over schulden, insubordinatie en machtsmisbruik op de spits gedreven.24 Juist op het moment dat de diplomatie het hardst nodig was om de gevolgen van de Osmaanse hervormingsdrang voor de Nederlandse handel te beperken en speelruimte te behouden om weer een rol van betekenis te kunnen gaan spelen in de Levant, leidde het niet-dirigistische, haast vrijwillige, karakter van de Nederlandse organisatie er juist toe dat hier niets van terecht kwam. Het was voornamelijk aan de strategische welwillendheid van de Köprülüs te danken dat de Nederlandse Levanthandel na 1675 nog iets voorstelde.

Met de rampzalige ontwikkelingen in de Levant voor ogen leek de Staten-Generaal (ook in het licht van het einde van De Ware Vrijheid van de Hollandse regenten tijdens het Eerste Stadhouderloze Tijdperk) tot het inzicht te komen dat de decentrale en vrijwillige benadering lange tijd heel goed had gewerkt maar dat het voorrecht van de handelaren, de steden en de provincies wel sterker ingekaderd diende te worden in het landsbelang. In 1675 werden nieuwe reglementen uitgevaardigd voor de organisatie in de Levant. Maar er zou uiteindelijk een Osmaanse beleidswijziging voor nodig zijn om de Nederlandse handelaren er (vanaf 1678) toe te bewegen zich ook daadwerkelijk onder het gezag van de Staten-Generaal en diens vertegenwoordigers te begeven.

Een nieuwe verhouding

In 1678 kwam voorgoed een einde aan driekwart eeuw Osmaans favoritisme tegenover Nederland. Omdat de Nederlandse macht zodanig had ingeboet dat ze geen realistisch tegenwicht meer vormde tegen de Engelsen en de Fransen, en geïrriteerd door al te assertieve Nederlandse pogingen de Joods-Osmaanse en Armeens-Osmaanse handel terug te winnen, besloot de grootvizier de Nederlanders niet langer te ontzien.25 Zowel in de Osmaanse bestuurlijke, economische en sociaal-culturele herinrichting van Izmir, als in de internationale diplomatieke arena in Istanbul, waren de kaarten opnieuw geschud. In rap tempo werd Nederland na de Vrede van Nijmegen getrakteerd op de hervatting van de uitgestelde executie van het segregatiebevel van 1678 (zie hierboven), de beslaglegging op het kapitale zomerhuis van Colyer, het intrekken van de Nederlandse capitulaties, de Osmaanse demotie van Colyer, de lijfelijke bestraffing van de ambassadesecretaris in de keizerlijke raad (met de dood tot gevolg), de gewelddadige visitatie van een Nederlands konvooi in Izmir, en een dure nieuwe capitulatie zonder noemenswaardige nieuwe privileges.26

Zo maakte aan het begin van het vierde kwart van de zeventiende eeuw een nadelig samenspel van internationale, Nederlandse, Osmaanse politieke en economische ontwikkelingen abrupt een einde aan de Nederlandse voorspoed in de Levant. De vrijwillige, dagelijkse, creatieve uitwisseling van belangen tussen Nederland en het Osmaanse Rijk, tussen Nederlandse instellingen betrokken bij de Levanthandel, tussen Nederlandse vertegenwoordigers en handelaren in de Levant, en tussen Nederlandse en Osmaanse handelaren en bestuurders in Izmir, leed onder druk van hevige internationale competitie schipbreuk op de (her)incorporatie van Izmir door de sultan en zijn grootviziers en van de Nederlandse Levanthandelaren door de Staten-Generaal. Ervoor in de plaats kwam een wellicht noodzakelijke, maar beduidend minder succesvolle, geprofessionaliseerde uitwisseling tot stand die in de schaduw van Frankrijk en Engeland zou plaatsvinden.

Maar dat wil niet zeggen dat de Nederlands-Osmaans/Turkse betrekkingen geen belang meer dienden. Vanaf diezelfde periode kon Nederland, juist omdat het klein en neutraal was, opgeld doen als diplomatieke bemiddelaar tussen de Europese grootmachten en Europa’s grote buur in het Zuidoosten. De Republiek werd – beginnend met een succesvolle bemiddeling van de Vrede van Karlowitz in 1699 – van commerciële vechtersbaas tot diplomatiek meester, en de Nederlands-Osmaans/Turkse betrekkingen gingen een nieuwe fase in die tot in de twintigste eeuw stand zou houden.