‘Het is opmerkelijk’, aldus koningin Beatrix bij de ontvangst in 2012 van president Gül ter gelegenheid van vier eeuwen handelsbetrekkingen tussen Nederland en Turkije, ‘dat in de 400 jaar die achter ons liggen, een periode waarin ons werelddeel zich uitputte in gewapende conflicten, de relaties tussen onze beide landen altijd vreedzaam zijn geweest.’1 De vorstin sprak deze woorden niet alleen tot de Turken, maar ook tot de natie waarvan zij staatshoofd is. Impliciet stelde ze de vaak negatieve beeldvorming hier te lande aan de orde: Turken en Nederlanders hebben elkaar nooit beoorloogd, dus vanwaar toch het diepgewortelde vijandige sentiment jegens zo’n beetje het enige Europese land waar Nederland altijd de vrede mee heeft gedeeld? Dat sentiment bestaat al langer dan de handelsbetrekkingen, maar kende juist tijdens het intensievere contact in de Gouden Eeuw een versterking. Deze bijdrage zoekt daarvoor een verklaring in de belangrijke positie van de Republiek als stapelmarkt van kennis en informatie in Europa, en laat zien hoe de transfer van vijandbeelden uit de conflictzone in de Middellandse Zee hier te lande het publieke beeld van de Turk heeft gedomineerd.

Beelden van Turken

Toen in het jaar 1670 Gerard Hinlopen als telg van het bekende regentengeslacht zijn educatiereis maakte door Italië, deed zich in de havenstad Livorno op een goed moment de mogelijkheid voor om met de Nederlandse Smyrnavloot die voor anker lag, zijn reis verder oostwaarts voort zetten en uiteindelijk in Constantinopel te komen, het hart van het Ottomaanse Rijk.2 Nog nooit had de 22-jarige jongeman uit Hoorn een Ottomaan of Turk gezien, een Turkse tong horen spreken of de Turkse keuken op de tong geproefd. En toch, ondanks dat, getuigt zijn journaal van reserves en bedenkingen over het Ottomaanse Rijk. De avonturier trekt allerminst als tabula rasa onbevooroordeeld het grote onbekende tegemoet. Waar kwam zijn beeld vandaan?

Over ‘de Turk’ wordt heel Europa in deze periode van intensiever contact te goeder of te kwader trouw geïnformeerd.3 Engeland kent een ware Turkomanie, terwijl landen als Frankrijk en Italië over een kleurrijk palet beschikken van Turkenbeelden in boeken, beeldende kunst en nieuwsmedia.4

Ook in Nederland heeft men een voorstelling van Turken. Schilderijen als Gerrit Berkheydes Gezicht op de Dam suggereren dat de exoten in levenden lijve voet aan wal hebben gezet in Nederland. Handel trekt zich nu eenmaal meer aan van winst dan van grenzen. En ook in het diplomatieke verkeer laten zich in Den Haag en elders af en toe Turkse afgezanten zien. Niettemin zijn Turken van vlees en bloed een zeldzame en opzienbarende verschijning in de Republiek, getuige alleen al Rembrandts beroemde Turkenportret, dat eigenlijk een ‘verturkte’ Nederlander is.5

Een andere manier waarop Nederlanders zich een voorstelling maken van verre landen en mensen is door middel van het theater. De Schouwburg in Amsterdam fungeert als een fictioneel venster op de wereld. Daar figureren veel vreemde vogels, exoten uit een ver verleden of van ver over de grenzen. Met name de komedie brengt graag dat soort typen op het toneel. Stereotypen van buitenlanders waren al voor de Romeinse comici Terentius en Plautus gefundenes Fressen. En in het Nederlands theater van de vroege zeventiende eeuw laat Bredero zien hoe fraai de ‘Spaanschen Brabander’ afsteekt tegen de inheemse Hollandse botmuilen. In de kunsten werkt het donker sterk tegenover het licht, en is geslepenheid nodig om domheid te laten zien. Een ideale situatie dus voor ongenuanceerde beeldvorming en karikaturen.

Hoewel het repertoire van de Schouwburg in vergelijking tot de ons omringende landen minder stukken telt waarin Turken over het voetlicht treden, zijn ze op het Amsterdamse toneel met regelmaat te zien en te horen.6 Wat daarbij meteen opvalt is dat de meeste van die stukken niet van Nederlandse origine zijn, maar afkomstig uit het buitenland en hier te lande bewerkt in vertaling of bewerking. Molières klassieker van de Bourgeois Gentilhomme, waarin het pompeuze Turkse hofceremonieel wordt geridiculiseerd, is op deze manier in verschillende uitvoeringen tot in de achttiende eeuw een succes in het Nederlandse theater geweest. Verder vallen er voor de tweede helft van de zeventiende eeuw bewerkte stukken te noemen als de Grote Tamerlan, Mahomet en Irena of De bedrogen bedriegers.7

Oost ontmoet West in ’t Verwarde Huwelyk

De genoemde schouwburgstukken, die doorgaans worden geschaard onder de zogenaamde Oosterse Schouwburg, scheppen voorstellingen van Turken, waarin uitbundig het exotisme wordt gevierd, bijvoorbeeld in kledij en decor en uitheemse manieren. Het toneel is om die reden verplaatst naar de Levant. Een andere manier waarop Turken in de schouwburg tot leven kunnen komen, is gericht op het thema van de ontmoeting tussen christen- en moslimwereld. Dit type theater is uiterst zeldzaam in de Republiek. Een uniek geval dateert uit 1667 (dat is drie jaar voordat Gerard Hinlopen naar Constantinopel ging) wanneer de confrontatie tussen Oost en West wordt gethematiseerd in het blijspel ’t Verwarde Huweljk.8 Als schrijver van het stuk wordt op de titelpagina Pieter Nederhoven genoemd (afb. 1). Van deze minor playwright is niets bekend, van zijn hand is alleen dit ene stuk overgeleverd.

Het stuk, dat ter gelegenheid van de opvoering werd uitgegeven door de Schouwburgdrukker Jacob Lescaille, is op het eerste gezicht doorsnee Theater-van-de-Lach. De titel kondigt een dijenkletser aan rondom het dankbare komediethema van persoonsverwisselingen in het huwelijk. De kijker komt niet bedrogen uit. In de intrige komen de verwarringen en persoonsverwisselingen, zoals zo vaak, bij toeval aan het licht: uit het buitenland duiken vreemde lieden op die de plot in gang zetten.

Die lieden van verre zijn in het geval van ’t Verwarde Huweljk twee Turken, of beter: verturkte christenen. Volgens de Rembrandteske regie-aanwijzing ‘gekleet op de manier der Turken’ verschijnen in het derde bedrijf een vader en zoon ten tonele. Ze zijn zojuist uit Constantinopel teruggekeerd in hun geboorteland, de zoon na 15 jaar slavernij, de vader na een moeizame maar uiteindelijk geslaagde zoektocht. Als zij voor het eerst weer in contact komen met de thuisblijvers blijken ze inmiddels volslagen onherkenbaar. De zoon die in slavernij heeft geleefd, is zo lang ondergedompeld geweest in de vreemde cultuur, dat hij zelfs zijn moedertaal kwijtgeraakt is.

Doordat ze op het eerste gezicht niet als landgenoten maar als levensechte Turken gezien worden, lokt de ontmoeting tussen Oost en West een vijandige reflex uit: de thuisblijvers die de twee vermeende Turken opmerken, wenden zich xenofoob van hen af.9 Vervolgens, nadat de twee hun ware ‘ik’ hebben weten te openbaren, volgt van de thuisblijvers een tweede schrikreactie: wat is er in godsnaam met hun landgenoten gebeurd daar onder de Turken? Hun uitheemse gewaden, op de Turkse manier, worden belachelijk gemaakt als waren ze balletkostuums.10 En ook hun zeden lijken te zijn gecorrumpeerd. ‘Het gehate en vervloekte Turkije’ zou een verderfelijke invloed hebben gehad op de verloren vader en zoon. Het vermoeden rijst al snel dat de verturkte landgenoten de spot met de thuisblijvers drijven precies zoals dat altijd gebeurt onder Turken:

Het spotten is daer elck geoorlofd, en het scheeren
Is yder vry, veel min een misdaat: ’t is een eere
Voor iemant die in boerte, en jocken, zich verstaat:
Men noemt diegeen Archet, die daar in boven gaat.11

De vermeende Turkse onbetrouwbaarheid van ‘spotten’ en ‘scheren’ wordt nog verder uitgesponnen. Wanneer de verturkte christenen het verhaal vertellen van een familielid dat nog blijkt te leven maar door de thuisblijvers al die tijd dood was gewaand, is de reactie van de thuisblijvers er een van achterdocht en scepsis. Dat soort leugens en bedrog, aldus het thuisfront, zijn typisch Turkse eigenschappen:

Zwijg schelm van u Turkye, en van uw Mahometh;
Wilt ghy hun quaat gebruyck hier zoeken in te voeren
En, in een Turkse schijn, mijn geest noch meer ontroeren
Mij met onreedlickheit belasten? en my noch
Bedriegen op zijn Turks? Ick merck u snood bedrogh.12

De Turken, zoveel is wel duidelijk in dit stuk, staan er in de ontmoeting tussen Oost en West niet al te best op.11 Zij worden bejegend in alle denkbare vijandige stereotyperingen. Maar schuilt in dat gegeven het beoogde lach-effect? Is onder het publiek het sentiment inderdaad zo negatief dat men zich op de dijen slaat als de verturkte christenen en via hen de Turken in het algemeen flink de maat wordt genomen? Voor een deel is het antwoord misschien ja, maar voor een ander deel werkt het komische in ’t Verwarde Huwelyk toch net iets subtieler. Want kan of wil het publiek zich wel identificeren met de partij der christenen die thuisbleven in het vaderland?

In hun ongebreidelde ‘kennis van de wereld’ weten de thuisblijvers van geen ophouden. Hun tirade tegen de Turken schiet volledig uit de bocht. Zo wordt Turkije gekenschetst als een nest van incest:

De Wet van Mahometh doet dit [incest] de Turcken leeren,
Maar ’k hoop de tijd zal hun Demahometiseeren
Dees broederlijke brand noemt men, in ’t Turkse Rijk
Tubalich of Boram, dat is: naturelijk.14

In deze passage zit het komische effect niet zozeer in de aantijgingen van incestueuze toestanden in Turkije, maar in de manier waarop de thuisblijvers zelf hun wijsheden spuien. Het lachmomentum wordt geconstrueerd vanuit de domheid van de spreker die pocht met verstand van zaken als de Wet van Mahometh en met quasi-geleerde termen als Tubalich en Boram. Niet gehinderd door enige kennis dus.

Het trucje om lacheffect op te wekken door te wijzen op de misslagen van de observant, is ook actief in het eerste citaat over de bedrieglijke aard der Turken, dat afsluit met precies zo’n zinnetje: ‘Men noemt diegeen Archet, die daerin boven gaet’. Het klinkt heel geleerd, maar is klinkklare onzin. Ook hier worden de thuisblijvers om hun ongefundeerde oordeel geridiculiseerd. En het werkt bij uitstek als de thuisblijvers van de Turken beweren dat ze anders dan de christenen niets hebben met kennis en niets geven om geleerdheid. Boeken zouden onder Turken evenmin als kennis in aanzien staan: academici en geleerden zijn er minderwaardig volk. Maar terwijl hij dit zegt, diskwalificeert de spreker zijn eigen observatie door opnieuw het gebruik van een quasi-wetenschappelijk term:

’t Is een gewest vol quaat, en onverzien van goet;
En, zoo ghy weet, een Turk is een quaat Kristen. ’k Moet
U dit noch zeggen, dat men daar, in ’t minst, geen boecken
En handelt, maar men gaat, in andre dingen, zoeken
Zijn oeffening en lust: geleerde, stelt men bij
De Catalachemis Dat ’s volck van geen waardy.15

Zo werkt deze komedie. In de confrontatie tussen Oost en West is de ongenuanceerde ransel over de Turk een instrument om nog harder te kunnen lachen om de blindheid of domheid van de xenofobe thuisblijvers. In de ontmoeting met het vreemde krijgen dus ook de ‘eigenen’ ervan langs. Het is het beproefde concept van Bredero’s Spaanschen Brabander, waar de ontmoeting tussen Noord en Zuid niet alleen de zuidelijke vreemdeling op de korrel neemt, maar ook de wereldvreemde en lage, primaire reacties van de Amsterdamse botmuilen.

Op voet van oorlog

’t Verwarde Huwelyk is een spiegel van negatieve reflexen jegens Turken: men wendt zich van hen af, vindt hen moreel gecorrumpeerd, en is op zijn hoede voor bedrog. De vraag is of die attitude voor het Amsterdamse publiek herkenbaar is geweest op de manier dat de negatieve houding jegens de ‘Spaanschen Brabander’ identificeerbaar en actueel was eerder in de eeuw. Over die mate van urgentie geeft ’t Verwarde Huweljk een interessante clue. Want de Turken worden door de thuisblijvers niet alleen beschimpt om hun uiterlijk en zeden, maar ook nog gekenschetst als de aartsvijand, dat wil zeggen als het volk dat altijd en eeuwig tegen hen op oorlogspad is. Het mag, volgens de thuisblijvers, een wonder heten als de Turken een jaar niet ten strijde trekken, en een onvoorziene zegen als ze vrede aanbieden:

[verturkte christen:]
Voorts zult ghy, uyt mijn mond, een goede tijding weten.
[thuisblijver:]
Wat? Dat den Turk, dit jaar, zich niet ten oorlog rust?
Of biedt hy ons de vree?16

Die uitspraak lijkt niet te stroken met de actualiteit. Weliswaar voert de christelijke wereld op vele fronten in Europa een langdurige strijd met het Ottomaanse Rijk, met name in Oost-Europa, bij Wenen en in de Middellandse Zee, maar de Republiek zelf onderhoudt en cultiveert continu een vreedzame verstandhouding met de sultan van het Ottomaanse Rijk. De Nederlandse relatie met Constantinopel is aanvankelijk zelfs een strategisch onderdeel geweest van de protestantse Opstand tegen de katholieke aartsvijand (‘liever Turks dan Paaps’). Toch wordt er in ’t Verwarde Huweljk juist een situatie van oorlog en conflict met de Turk uitgewerkt. Want ook Turkse slavernij, als gevolg van het oorlogsgeweld, is in het stuk een belangrijke gegeven. De zoon die vijftien jaar verloren was en in Constantinopel zijn moedertaal kwijt is geraakt, is al die tijd ‘ellendig slave’ geweest totdat zijn vader hem is komen verlossen tegen een onnoemelijk bedrag.12 Onbeschrijfelijk is de misère die de jongen heeft doorgemaakt daar in het Ottomaanse Rijk waar ‘in de banden [der slavernij] / de Kristenen, gehaat, meer lijden als de pijn / der hel oyt heeft geweest, of zoude konnen zijn.’13

Je kunt je afvragen of Pieter Nederhovens ’t Verwarde Huweljk, vanwege de verwijzingen naar erfvijandschap, oorlog en slavernij, wel op de juiste plek was in de Schouwburg. En doet dit stuk het eigenlijk wel in het Amsterdamse theater van 1667? De kruistochten zijn allang voorbij, en Nederlanders en Turken hebben sinds de eerste handelsbetrekkingen nooit oorlog met elkaar gevoerd.

Een zekere mate van urgentie heeft het stuk toch wel. Ten eerste is de Nederlandse koopvaart in de Middellandse Zee in deze periode verre van veilig. Ondanks de concessies van Constantinopel liepen handelaren geregeld schade op door toedoen van de Barbarijse kapers die actief waren in het Ottomaanse Rijk en om die reden in de Nederlandse volksmond eenvoudig Turks genoemd werden. De beruchte ‘Turkse’ kapersnesten in Tripoli, Tunis en Algiers en de kruisende kapers in de Straat en ook in de Egeïsche Archipel vormden een serieuze bedreiging van de Amsterdamse Levanthandel.14 Juist in de jaren ’60 lopen de schade en frustratie aan Nederlandse zijde sterk op. Regelmatig verdwijnen schepen met kostbare lading van de radar, en soms keren hele bemanningen niet terug omdat ze overmeesterd zijn. Zodoende is de achtergrond van zeeoorlog en slavernij in ’t Verwarde Huwelyk tot op zekere hoogte inpasbaar in de handelsactiviteit van Amsterdam. In 1663 vaart Michiel de Ruyter met een anti-terreurvloot uit om in de Middellandse Zee orde op zaken te stellen en de handel veilig te stellen. De Nederlandse koopvaart lijkt even buiten schot te blijven maar een jaar later al worden alle afspraken die De Ruyter afdwong, door de kapers gebroken. De ellende gaat gewoon door. Dus ook de motieven van Turkse onbetrouwbaarheid en bedrog in ’t Verwarde Huwelyk zijn op dit moment actueel en identificeerbaar.

Het kan goed zijn dat Pieter Nederhoven in deze situatie brood zag om met zijn Oost-West-ontmoeting succes te oogsten onder het koopmanspubliek van de Schouwburg in Amsterdam. Iets van herkenning zal er zeker zijn geweest onder de bezoekers. Maar waar het stuk nog veel meer tot de verbeelding zou spreken, is in de daadwerkelijke conflictzone van christenen en het Ottomaanse Rijk, bij voorbeeld in Italië. En daar ligt inderdaad de oorsprong van ’t Verwarde Huwelyk. Nederhovens stuk is de vertaling van het Franse stuk La Soeur, geschreven door Jean Rotrou. Zijn stukken komen dankzij verschillende vertalers en bewerkers met regelmaat in de Schouwburg. Op zijn beurt haalde Rotrou veel van zijn werk elders uit de Europese theatertraditie vandaan. Het Franse stuk dat bewerkt is tot ’t Verwarde Huwelyk is zo ontleend aan het Italiaanse toneel: La Sorella door Giambattista Della Porta (1584). Langs deze route is ’t Verwarde Huwelyk waarin de relatie tussen West en Oost als een grote karikatuur van de werkelijkheid aan Amsterdams publiek voor ogen wordt gesteld, dus geïmporteerde cultuur uit Zuid-Europa.15

Stapelmarkt voor cultuur en informatie

Die import en doorvoer is een wezenlijk kenmerk van de Republiek. Het land heeft van zichzelf niet zoveel te bieden, maar beschikt over het beste handelsnetwerk ter wereld. Dat netwerk transporteert koopwaar in materiële zin evenzeer als kennis, cultuur en informatie.16 Ook toneelstukken komen uit verschillende delen van Europa binnen. De institutionalisering van het theater in de Schouwburg (1637) geeft deze culturele tak zo’n geweldig platform dat de Nederlandse productie er bij langen na niet toe uitgerust is.17 Kwalitatief noch kwantitatief voldoet de eigen bodem en ontzaglijk veel successtukken worden uit het buitenland gehaald. Rond het midden van de eeuw bestaat meer dan de helft van het Schouwburg-repertoire uit import: bewerkingen van Spaans, Frans, Engels en Italiaans theater.

De Turken die in ’t Verwarde Huwelyk op de Keizersgracht over het voetlicht komen, zijn dus een kenmerkend product van de Europese cultural transfer. Het thema van de Oost-West-ontmoeting blijkt evenwel geen populair importartikel te zijn voor de Schouwburg. Het stuk is met een zestal opvoeringen niet echt succesvol te noemen. Daarentegen is een belangrijk ander segment van de transfer-markt in Amsterdam er verantwoordelijk voor dat het Ottomaanse Rijk of de Turken in deze periode bij voortduring in beeld zijn. Amsterdam heeft een van de grootste nieuwsmarkten van Europa. Het wijdvertakte handelsnetwerk vangt overal nieuws op en stuurt dat door naar het ‘pakhuis van de wereld’. De buitenlandse berichten worden voor iedereen in de Republiek hoorbaar wanneer de toestroom en verdere verspreiding van informatie wordt uitgebouwd in de krantenindustrie. In de tweede helft van de zeventiende eeuw krijgt de productie van nieuws in kranten een industriële omvang. Er verschijnt dan nagenoeg geen Courante of Tijdinge, of het voorblad heeft nieuws over de Turken.18 Continu signaleren de informatiebronnen die van over heel Europa berichten doorsturen naar Amsterdam, Turkse activiteit. Hun bewegingen in Europa, de vijandigheden en oorlogshandelingen zijn, in moderne termen, een trending topic: telkens weer is er een schip gekaapt, weer lijken de Turken zich op te maken voor de aanval op Kreta, weer dringt de Turk verder aan bij Wenen.

Nu de zeventiende-eeuwse kranten voor een aanzienlijk deel digitaal beschikbaar zijn gemaakt in de Krantenbank van de Koninklijke Bibliotheek, wordt de relatieve dominantie zichtbaar van het nieuws over Turken en het Ottomaanse Rijk (zie afb. 2).19 In het jaar, bijvoorbeeld, dat ’t Verwarde Huweljk in de Schouwburg wordt gespeeld, zijn er 76 afleveringen digitaal beschikbaar van de gezaghebbende Oprechte Haerlemse Courant, en daarvan zijn er slechts tien waarin niet over het onderwerp wordt geschreven. Positief geformuleerd betekent het, dat zes op de zeven afleveringen van deze krant in 1667 berichten geven over Turken.

De toon van de berichtgeving heeft een bandbreedte van neutraal tot vijandig. Het voorbeeld van de dinsdageditie aflevering 7 (dinsdag 15 februari 1667) toont de diversiteit. Het Turken-nieuws in deze aflevering beslaat vrijwel de gehele voorzijde van de krant. Een neutraal verslagje van de ceremoniële ontvangst van de Genuese ambassadeur in Constantinopel opent het nieuws. Dan volgt er een lange revue van piraterijen door kapers uit het Ottomaanse Rijk, die veelal als ‘Turks’ worden aangeduid: in de Straat van Gibraltar is een ‘Turckse Roover’ genomen, waarbij vijf christenslaven zijn bevrijd en 39 kapers gevangen. Andersom hebben kapers uit Algiers diverse schepen overmeesterd, waaronder een Venetiaan, de St. Francesco uit Hamburg, het Genuese koopvaardijschip Margareta, geladen met olie en limoenen voor Amsterdam, en een Spaanse pinas uit West-Indië geladen met huiden, cacao en tabak. Het schip Theodora van Pieter Symonsz is gezonken, terwijl 17 bemanningsleden tot slaaf zijn gemaakt. Ook zijn een ‘Duynkerker’ vanuit Hamburg en een ander Duytsch schip door kapers genomen, alsmede een Hollands schip met graan voor Cadiz. Een Spanjaard afkomstig van Santo Domingo en geladen met huiden, cacao, indigo en zilver is door de Turken een etmaal nagejaagd en toen gezonken, waarbij 25 bemanningsleden tot slaaf zijn gemaakt. Een nader bericht over de kaping van de Isabella waarbij de bovengenoemde vijf christenen waren bevrijd, meldt dat het schip, nadat het van zijn compagnon de St. Jacob was losgeraakt, in de slag is geweest met kapers, en wel met de vice-admiraal van Zalee; de Turk was ‘stout’ voor de boeg komen liggen, had twee kanonnen gelost, maar de Isabella heeft moedig teruggeslagen en de kaper genomen, en de 39 Turken in Livorno in het Lazaret gebracht. Onder de vijf bevrijde christenen waren er twee Fransen, een Amsterdammer, een Engelsman en een Portugees.

In de rechterkolom van diezelfde Oprechte Haerlemse Dinsdaegse Courant gaan de berichten over de Turk verder. Hier betreft het nieuws over de belegering van Candia (Heraklion op Kreta), het verst gelegen Venetiaanse bolwerk in de Middellandse Zee, dat sinds 1645 bij voortduring door de Turken werd aangevallen en in 1669 zou vallen.20 Deze aflevering rapporteert dat de wrede Turkse bevelhebber begonnen is met het beleg van de stad: ‘De Primo Visier hadde expresse Ordre om de stad Candia op allerhande manieren aen te tasten, sonder Volck te spaeren.’ De bevelhebber had uit onvrede over de progressie het hoofd laten afslaan van zijn commandanten.

Zo geeft het voorblad van deze Oprechte Haerlemse Courant uit februari 1667 dus een weinig vrolijk stemmend beeld van allerhande ‘Turkse’ activiteiten in de Middellandse Zee. Wat daarbij van belang is, is de herkomst van het nieuws. Het voorbeeld toont aan dat het nieuws over dit onderwerp zelden of nooit te vinden is onder de binnenlandse nieuwsbronnen. Vrijwel altijd komen de Turken ter sprake onder de informatietoevoer uit Italie, Frankrijk of Spanje. In het behandelde geval is dat uitsluitend Italië, met Genua en Rome als kleine leveranciers, en Livorno en Venetië als de voornaamste nieuwsbronnen. Dus welbeschouwd rapporteren de Nederlandse kranten over Turkse vijandigheid die niet direct gericht is tegen Nederland of Nederlanders, maar die vanuit het Europese nieuwsnetwerk, en met name vanuit de conflictzones, continu onder de aandacht wordt gebracht in Amsterdam en elders in de Republiek.21 Door zijn centrale positie in het handelsnetwerk is Nederland eigenlijk een soort convergentiepunt van oorlogsnieuws: berichten van over geheel Europa komen bijeen in de Nederlandse krant. Door die methode van nieuwsgaring ontstaat een sterk vijandbeeld. De Turk was niet op alle fronten in Europa elke dag even hard slaags, maar de media die van overal in Europa gevoed worden met deze berichten, creëren wel zo’n beeld.

Tot slot

Er zijn voor een jongen als Gerard Hinloopen die in 1670 naar Constantinopel gaat, in patria dus al heel wat vijandige voorstellingen van invloed op zijn perceptie van de Turk. Hoe pakt dat uit bij het contact? In de grote stad aan de Bosporus ondergaat hij persoonlijk de ontmoeting van West en Oost. Beelden en verwachtingen worden er werkelijkheid. Het journaal geeft niet echt blijk van een omslag. Hinlopen kenschetst Constantinopel als een reusachtige stad, groter en volkrijker dan hij ooit ergens gezien heeft. Maar zeker niet aangenaam en al helemaal niet vredelievend. Wat hij observeert, observeert hij in een grondhouding van bedreiging en angst. Hij ziet de Turkse vloot en oorlogsindustrie op volle toeren. Hij huivert bij het zien van de slavenmarkt waar mannen, vrouwen en kinderen uit Rusland en Polen te koop zijn. In de havens spreekt hij slaven die in zeeslagen gevangen genomen zijn en nu op de Turkse vloot moeten roeien. Hij is getuige van ongekend zware straffen. En wat hij van de Turken zelf op straat ervaart, is nimmer verheffend en soms zelf letterlijk een klap in het gezicht. Vlak voor vertrek maakt hij de staat op: een christen in Constantinopel is dan wel vrij, maar gastvrij wordt hij niet ontvangen. Al helemaal niet door het canaille: je krijgt er met regelmaat scheldwoorden naar het hoofd als anassenissictiem (aldus in het journaal genoteerd en vertaald als ‘ik heb met u moer geslapen’) of anassenissatins (‘ik heb je moer verkocht’) of woorden voor ‘ongelovige, varken en hond’. Je mag, aldus Hinlopen, eigenlijk nog van geluk spreken als het bij schelden blijft want je komt er ook genoeg tegen die je een klap voor je kop of een ‘voet int gat toe geven’.22

De werkelijkheid kwam voor Hinlopen in het jaar 1670 dus niet veel verder dan de beelden. De relatie van Oost en West was moeizaam, in het theater en de kranten evenzeer als in de feitelijke ontmoeting. Dat dit gegeven in de viering van 400 jaar handelsbetrekkingen tussen Nederland en Turkije uit het beeld weggepoetst lijkt te zijn, is begrijpelijk in het kader van een feest, maar maakt tegelijkertijd geschiedenis een ongeloofwaardig instrument in handen van politiek. Het is het gedenken waard dat beide landen die ieder heel wat oorlogen in Europa hebben uitgevochten, nooit als gewapende landen tegenover elkaar hebben gestaan. Maar laat dat bijzondere gegeven niet doorslaan in naïviteit en de nuance onder het tapijt vegen. De onderlinge verstandhouding is verre van soepel geweest.

Waar het negatieve sentiment hier te lande vandaan kwam, was de grote vraag van deze bijdrage. De belangrijkste constatering is dat de Turkenbeelden in Nederland niet oorspronkelijk Nederlands zijn. Of het nu gaat om de theatervoorstellingen in de Schouwburg of om de bijna dagelijkse berichtgevingen in de Nederlandse kranten: als een brandpunt van cultuurproductie en nieuwsvoorziening zuigt Amsterdam Europa in zich op. Ten gevolge van dat importmechanisme vigeert in de zeventiende-eeuwse Republiek het vijandbeeld uit de conflictzone, afkomstig uit de Italiaanse havensteden als Venetië, Genua en Livorno die met regelmaat of continu op voet van oorlog staan met het Ottomaanse Rijk. Zij bepalen het perspectief, zij focaliseren het nieuws dat in een continue flow krachtig samenstroomt in Amsterdam en daar via diverse media zijn weg naar de mensen vindt. Dat levert de paradoxale conclusie op dat de samenleving van de Republiek in de zeventiende eeuw een open venster op de wereld had maar dat er tegelijk ook van alles door dat raam te zien was, dat in een vijandige sfeer geobserveerd werd vanuit verschansingen of vanachter gesloten luiken.