De zeventiende-eeuwse dichter Jan Vos (1610–1667) is vooral bekend in relatie tot zijn tijdgenoot en collega Joost van den Vondel, mede dankzij de door Gerard Brandt opgeroepen suggestie van een dichterlijke vete tussen de twee. Voor- en tegenstanders van het werk van de glazenmaker Vos behandelen zijn gedichten en toneelstukken, waarbij vooral zijn lage sociale status en ongeletterdheid ruim baan krijgen. J.A. Worp bespreekt in 1879 als eerste het volledige oeuvre van Jan Vos, dat naast twee treurspelen en een klucht bestaat uit gedichten over (Amsterdamse) politieke gebeurtenissen, verjaardagen, huwelijken en overlijden van publieke figuren, briefdichten, epigrammen, liefdesgedichten en bijschriften bij portretten en (door Vos ontworpen en beschreven) tableaux vivants. Worp noemt Vos’ invloed op het Nederlands toneel in de zeventiende eeuw de moeite van onderzoeken waard, ondanks de ‘slechte opvoeding’ – ‘hij is als jong mensch al spoedig over het paard getild, zodat het weinige, dat hij had geleerd, wel niet aanzienlijk zal zijn vermeerderd’ – en de nauwe blik van de dichter zelf (Worp 1879, p. 37). In 2008 wordt de ingewikkelde verhouding tussen Vos en Vondel opnieuw besproken, door Porteman en Smits-Veldt in Een nieuw vaderland voor de muzen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1560-1700, waarbij zij beargumenteren dat de verklaring voor de stroeve relatie gezocht moet worden in de sociale profilering van het werk van beide dichters. Op deze weg wordt nu voortgeborduurd in de dissertatie van Nina Geerdink.

Met Dichters en verdiensten. De sociale verankering van het dichterschap van Jan Vos (1610-1667) nemen we 133 jaar na de uitspraken van Worp definitief afscheid van de ‘stiefmoederlijke behandeling’ van Jan Vos in de literatuurgeschiedenis (p. 22). Het zeventiende-eeuwse dichterschap staat centraal in de toegankelijk geschreven studie. Specifiek draait het om de sociale verankering: ‘de manier waarop gedichten verbonden waren aan de sociale positie, mogelijkheden en beperkingen van dichters en geadresseerden’ (p. 12–13). Als casus kiest Geerdink voor het omvangrijke dichterlijke oeuvre van Jan Vos en spoorde ze zo’n 1500 gedichten op die ze thematisch en formeel analyseert. Geerdink stelt dat juist het werk van deze dichter, die zich meermaals heeft moeten verdedigen tegen aantijgingen om voordelen te willen behalen uit zijn dichterschap, vragen oproept naar de wisselwerking tussen gedichten en sociale omstandigheden. De studie biedt een zeer welkome bijdrage over het leven en werk van de dichter Jan Vos.

Geerdink zet Dichters en verdiensten thematisch op, waarbij ze in zes hoofdstukken het werk van Jan Vos inbedt in de sociale context. Elk hoofdstuk weerspiegelt een rol die Vos in relatie tot de Amsterdamse regentenklasse vervulde, respectievelijk als stadsdichter, huisdichter, theaterman, glazenmaker en katholiek. Voorafgegaan door een inleidend hoofdstuk over Vos’ relaties met dichterlijke grootheden (onder andere Caspar van Baerle, Constantijn Huygens en Pieter Cornelisz Hooft) met wie hij in contact kwam dankzij hun enthousiaste reacties op zijn debuut: de gruweltragedie Aran en Titus (1641). De ‘kring rond Van Baerle’ bood Vos toegang tot de regerende elite van de stad. De regentenfamilies Bickers, De Graeff, Hinlopen en Huydecopers behoorden tot zijn sociale netwerk. De relaties tussen de families en Vos worden door Geerdink specifiek als ‘patronage’ aangeduid: een asymmetrische relatie die een wederkerige was – juist door de verschillende sociale posities die de dichter en de regenten in de samenleving innamen (p. 43). In het betoog van de auteur is er af en toe echter weinig ruimte om door een andere bril te kijken dan die van Vos, waardoor de ongelijkheid van de sociale relaties soms onvoldoende kritisch wordt behandeld. Tekenend is het lofdicht gericht aan Huydecoper over een jachtpartij waaraan Vos zelf niet deelneemt. Zijn beschrijving wordt afgedaan als een ‘vrolijke samenvatting van de patronageverhouding’ waarbij Huydecoper ‘zorgt voor het eten’ en Vos ‘gedichtjes schrijft’. Maar waarom kan Vos niet mee uit jagen met de Huydecopers? De jacht was alleen voorbehouden aan de adellijken, waar Vos geen deel van uitmaakt. De dichter laat dat in het midden om zijn gezicht te bewaren. Juist hier worden de voor patronage kenmerkende sociale verschillen zichtbaar.

De sociale profilering van Vos wordt uitgewerkt in de hoofdstukken 2 tot en met 6. Soms, wellicht onoverkomelijk, heeft deze intentionele lezing van het werk als gevolg dat de auteur gaat ‘hineininterpretieren’. Zij is zich hiervan bewust en benoemt het als een kanttekening bij haar leesmethode (p. 29–30). Zichtbaar wordt dat bijvoorbeeld in het hoofdstuk over het huisdichterschap van Vos voor de Huydecopers (p. 78–97). De auteur betoogt dat het dichtwerk van Vos het beleid van Huydecoper niet alleen publiekelijk, maar ook binnen het gezin ondersteunde. De didactische houding die uit sommige gedichten spreekt zou gericht zijn aan de kinderen Huydecoper (p. 84–86). Vos schrijft onder andere een vermanend gedicht over de do’s en don’ts voor zoon Huydecoper, waarbij Vos zich ten doel gesteld zou hebben ‘het gedrag van de zoon en ook de relatie tussen hem en zijn vader te verbeteren’. Hetzelfde zou hij voor ogen hebben met gedichten over uiterlijke schoonheden en deugden gericht aan de dochters Huydecoper. De auteur gaat hier voorbij aan de burgerlijke moraal die door dit type gedichten wordt uitgedragen. Natuurlijk gingen gedichten aan dochters over uiterlijke schoonheid en deugd en gedichten aan zonen over gedragingen en moed. Het strategisch effect is daarmee niet uitgesloten, maar van een actieve ‘zelfprofilering’ door Vos zou ik hier niet willen spreken.

De thematische en formele analyse van het oeuvre van Vos komen sterk samen in de bespreking van zijn stadsdichterschap en de politieke gedichten. Daarin steekt hij de loftrompet over Amsterdam en haar tolerante bestuurders. Zij, op hun beurt, benoemden hem jaarlijks voor een vrijwel aaneengesloten periode van twintig jaar tot hoofd van de schouwburg. De auteur zet de inzet van het glazenmakerschap en de contacten in het katholieke netwerk nauwgezet uiteen als onderdeel van het profijtelijk imago van de dichter. Tot slot bespreekt Geerdink de kwestie Vos-Vondel en geeft een aanvullende lezing bij de ogenschijnlijke tegenstelling opgeworpen door Porteman en Smits-Veldt. De dichters blijken regelmatig in elkaars vaarwater te hebben gezeten, maar probeerden elk op hun eigen manier de gunst van de stadsbestuurders te winnen.

Geerdink wilde inzicht krijgen in de vraag hoe sociale mogelijkheden en beperkingen invloed hebben gehad op de productie van Jan Vos. Daar is zij in deze dissertatie zeker in geslaagd.