Otto Vaenius, zo schrijft editeur Simon McKeown in de inleiding, is ‘the very embodiment of the Renaissance man with his range of competences and talents’ (p. XXXVI). Aan wetenschappelijke belangstelling kende Vaenius geen gebrek, maar de rijkheid van zijn werkzaamheden bleef opvallend onderbelicht. De ogen waren meestal gericht op Vaenius’ liefdesembleembundel Amorum emblemata (1608) en op zijn Amoris divini emblemata (1615) als eerste stap in een bloeiende internationale traditie van geestelijke liefdesemblematiek. Otto Vaenius and his Emblem Books beoogt het perspectief op Vaenius te verbreden, ‘setting works that have attracted little scholarly attention alongside Vaenius’s more recognizably canonical broader career’ (p. XIII).

Die aanpak leidt tot verrassende resultaten, zo bewijzen met name de samenhangende artikelen van Ralph Dekoninck, Agnès Guiderdoni-Bruslé en Andrea Catellani. De auteurs richten zich op de onderbestudeerde bundel Physicae et Theologicae Conclusiones (1621), waarin Vaenius zich waagde aan de omstreden thema’s predestinatie en vrije wil en visualisering als kennisinstrument verkende. Dekoninck en Guiderdoni-Bruslé leggen bloot hoe de vorming van de mens naar Gods beeld in de bundel gepaard ging met een visuele progressie: abstracte schema’s maakten plaats voor figuratieve voorstellingen. Catellani interpreteert Vaenius’ keuze voor schematische voorstellingen als een poging de essentie van wezens zichtbaar te maken: ‘Image is the place in which it is possible to represent directly the schematic “skeleton” of beings’ (p. 208).

Ook is er aandacht voor onbekende sporen in de internationale receptie van Vaenius. Wim van Dongen laat zien hoe Vaenius’ emblemen een nieuw leven kregen in een laat-zeventiende-eeuwse gids met informatie over het bezoek aan kuuroorden. Een bundel vol water- en badmotieven waarschuwde lezers voor de gevaren van badplaatsen: overspel, gokpraktijken en overmatig drankgebruik.

De onbekende Vaenius staat naast de bekende. Als maker van Amorum emblemata wordt Vaenius belicht vanuit zowel vertrouwde perspectieven (zoals boekgeschiedenis (Stephen Rawles) en motievenstudie (Alison Adams)) als nieuwe invalshoeken: Walter Melion analyseert aan de hand van een breed corpus hoe Vaenius het medium beeld niet alleen gebruikt om het liefdesthema bekend te maken, maar ook om de liefde te onderzoeken en tot leven te brengen.

Otto Vaenius and his Emblem Books biedt een rijk beeld van een veelzijdig renaissanceman. Door de focus op emblematiek is dat beeld allerminst volledig:?Vaenius als schilder en als leraar van de grote Rubens blijven afwezig. Laat dat, in de woorden van McKeown, een aanmoediging zijn ‘for other hands to take on the work of surveying Vaenius’s accomplishments from a panoptic and multi-disciplinary perspective’ (p. xiii).