Vaderland en vrede, uitgegeven ter gelegenheid van de herdenking van de Vrede van Utrecht, is het resultaat van jarenlang onderzoek naar de drijfveren van de Republiek om tussen 1672 en 1713 oorlog te voeren tegen Frankrijk. De Leidse historicus Donald Haks stelt dat vier decennia van oorlogvoering niet begrepen kunnen worden zonder daarbij het publieke draagvlak te betrekken (p. 11). Onder publiek draagvlak verstaat Haks de mate waarin de officiële argumenten van de Staten-Generaal werden geaccepteerd door de bevolking en dan vooral door de brede middengroepen waarvan de overheid afhankelijk was voor steun. Haks kiest bewust voor deze term omdat hij vindt dat andere termen, zoals propaganda en publieke opinie, geen recht doen aan een tweezijdig communicatieproces. De hoofdvraag is dan ook in hoeverre de drie geldverslindende oorlogen tegen Frankrijk konden rekenen op publieke steun en in welke mate de officiële visie van de Staten-Generaal overgenomen werd in andere, niet-officiële, media. Met die vragen sluit Haks aan bij recent onderzoek naar publiciteit, publieke opinie en propaganda in de vroegmoderne tijd. Anders dan bij de meeste studies legt Haks de nadruk op de receptie van de publiciteit bij de bevolking.

De acht hoofdstukken zijn min of meer op zichzelf staande case studies, waarin telkens andere bronnen centraal staan. Het nadeel van deze aanpak is dat die leidt tot herhaling. Zo wordt in nagenoeg elk hoofdstuk de officiële visie op de oorlog opnieuw uitgelegd. Vier hoofdstukken zijn bewerkingen van eerdere publicaties die samen met nieuw onderzoek van de auteur een mooie synthese bieden van de manier waarop in de Republiek draagvlak werd gecreëerd en in stand gehouden.

De Staten-Generaal legitimeerden de oorlogen in oorlogsverklaringen, generale petities en biddagsbrieven. Haks’ analyse laat zien dat vrijheid, religie, welvaart en het overkoepelende begrip vaderland daarin sleutelbegrippen waren. Vaderland stond voor alles wat eerdere generaties hadden verworven: zelfstandigheid van de staat, gewetensvrijheid en het behoud van de gereformeerde kerk in de Republiek, waarbij de bescherming van het internationale protestantisme als voorwaarde voor dit behoud werd gezien. De term vaderland creëerde zo een gemeenschappelijke identiteit die was gefundeerd op een gedeeld verleden (de Opstand) en gedeelde waarden.

Haks onderzoekt vervolgens in een breed arsenaal aan bronnen of en in welke mate dat begrip vaderland door de bevolking als oorlogsmotief werd geaccepteerd. Daaruit blijkt dat vaderland in alle media voorkwam en zowel door de overheid als door particulieren werd gebruikt, maar niet overal in dezelfde betekenis. De officiële visie werd dus niet klakkeloos overgenomen. In de predikanten hadden de Staten-Generaal zeer betrouwbare vertolkers van de officiële argumenten. In liederen en loterijrijmen lag dat wat genuanceerder. Juist deze bronnen, zo stelt Haks terecht, geven het beste weer hoe de gewone man over de oorlogen dacht.

Loterijdeelnemers dienden korte rijmen in die bij de trekking publiekelijk werden voorgelezen. In loterijrijmen zijn gewone burgers dus zelf aan het woord. Loterijen waren populair bij brede middengroepen, waardoor de rijmen bij uitstek geschikt zijn voor onderzoek naar draagvlak. Haks is de eerste die deze bron op die manier benadert. Hij verzet zich tegen de gangbare opvatting dat de rijmen slechts dienden tot goedkoop vermaak. Integendeel, het zijn volgens hem authentieke reacties op de actualiteit die getuigen van een breed geïnformeerd publiek. Toch lijkt mij enige voorzichtigheid met deze bron op zijn plaats: de rijmen zijn kort, gericht op theatraal effect en daardoor weinig genuanceerd. Desondanks bewijst Haks overtuigend dat het belangrijkste argument van de overheid, het behoud van de staat, de instemming kreeg van de gewone man. Het loterijpubliek nam echter niet alle officiële argumenten zonder meer over. Zo werd religie als reden voor oorlog niet genoemd, terwijl het verlies van welvaart (een thema waarover de overheid liever zweeg) en Oranje werden benadrukt.

In oorlogsliederen ging het vooral over vrijheid, Oranje en vaderland, terwijl ook hier religie als oorlogsmotief ontbrak. De referenties aan Oranje getuigen volgens Haks niet zozeer van oranjegezindheid, maar passen veeleer in de liedtraditie van helden en heldendaden. Dat baseert hij op de constatering dat Oranje uit de liederen verdween na de dood van Willem III in 1702, terwijl het vaderlandsbeeld bleef. Oranje was dus niet de personificatie van dit vaderland.

Haks’ conclusie dat het loterij- en het liedpubliek de officiële argumenten van de overheid, en daarmee de gemeenschappelijke waarden van het vaderland, onderschreven, is belangrijk. Opvallend is dat religie als legitimering van de oorlog bij de bevolking minder lijkt te zijn aangeslagen. Solidariteit met buitenlandse geloofsgenoten als rechtvaardiging van de oorlogen vindt Haks wel in de officiële visie en in persoonlijke documenten van de politieke leiders, maar niet in populaire media als liederen en rijmen. Dat ligt mijns inziens meer aan de (theatrale) aard van die media, waarin de ruimte voor nuance ontbreekt, dan aan een gebrek aan draagvlak voor religieuze argumenten. Zo blijkt uit andere bronnen, bijvoorbeeld collectes voor buitenlandse geloofsgenoten, dat internationale protestantse solidariteit wel degelijk op brede steun van de bevolking kon rekenen.

De belangrijkste conclusie van Vaderland en vrede luidt dat er onder de bevolking een breed draagvlak was voor de oorlogen van 1672 tot 1713. Haks bewijst de grootschaligheid van de publiciteit en de publieke interesse overtuigend. Daarmee verwijst hij het idee dat het ontbreken van een publieke discussie voortkwam uit desinteresse naar het rijk der fabelen. Meningsverschillen bleven binnenskamers vanuit de gedachte dat er in oorlogstijd in de publieke ruimte eendracht hoorde te zijn. Haks stelt dat deze periode veelmeer gekenmerkt werd door een levendige ‘publiciteitscultuur’ dan door een ‘discussiecultuur’ (Frijhoff en Spies). Vaderlandsretoriek speelde in die publiciteit een hoofdrol en had voldoende overtuigingskracht om de steun van de bevolking voor de oorlogsvoering te verwerven en te behouden. Haks bewijst de rol van het vaderland als leidmotief van de oorlogsvoering overtuigend.

Vaderland en Vrede blinkt uit door uitstekend en origineel brononderzoek, is goed geschreven en belicht de rol van publiciteit bij vroegmoderne oorlogsvoering van een nieuwe kant. Het maakt nieuwsgierig naar vergelijkbaar onderzoek naar het draagvlak voor deze oorlogen in Engeland en Frankrijk.