Aan belangstelling voor de arts, jurist en schrijver Adriaan Koerbagh (1633–1669) heeft het nooit ontbroken, maar de laatste jaren is er een duidelijke herwaardering voor zijn ideeën. In het voetspoor van Jonathan Israel hebben onderzoekers Koerbagh vooral in de traditie van Spinoza en de radicale Verlichting geplaatst. Bart Leeuwenburgh gaat in deze uiterst leesbare biografie echter een stap verder: hij wil Koerbagh niet in een ‘spinozistische dwangbuis’ persen, maar op zijn eigen merites beoordelen. Hoe radicaal waren zijn ideeën nu werkelijk? En hoe kon het gebeuren dat in de relatief tolerante Republiek Koerbagh toch in het gevang belandde?

Om deze vragen te beantwoorden, volgt Leeuwenburgh nauwgezet Koerbahgs levensloop. Helaas zijn de bronnen over zijn jeugd in Amsterdam en studietijd in achtereenvolgens Utrecht en Leiden sporadisch, waardoor het enigszins gissen blijft naar zijn intellectuele vorming. Pas in het tweede deel van de biografie krijgt Leeuwenburgh meer vat op Koerbagh. Hij weet overtuigend aan te tonen dat zijn gedachtegoed, vervat in het woordenboek Bloemhof en het traktaat Een Ligt schijnende in duystere Plaatsen, in veel opzichten radicaler was dan dat van de vrijdenkers door wie hij werd beïnvloed. Waar Descartes zijn kritische twijfel bijvoorbeeld alleen toepaste op de natuurwetenschappen, trad Koerbagh alle wetenschappen kritisch tegemoet, inclusief de theologie. Dit bracht hem in direct conflict met de gereformeerde kerk. Evenals zijn studievriend Lodewijk Meijer en de Collegianten verwierp Koerbagh bovendien de drie-eenheid en de goddelijkheid van Christus, omdat hij het geloof wilde ontdoen van dergelijke ‘irrationele’ dogma’s. Maar Koerbagh ging nog een stap verder door de Bijbel mensenwerk te noemen. Ook had Koerbagh een duidelijk program voor ogen. In tegenstelling tot Spinoza meende hij dat ieder mens begiftigd is met de rede en dus in staat is om het geloof kritisch te bevragen. Koerbagh schreef zijn werken daarom niet in het Latijn maar in het Nederlands, in de hoop zo veel mogelijk lezers aan te sporen tot kritische reflectie.

Hiermee is grotendeels de vraag beantwoord waarom Koerbagh in 1668 werd veroordeeld. Zijn radicale ideeën over het geloof stuitten logischerwijs op fel verzet van de gereformeerde kerk, maar het was de reikwijdte van dergelijke ideeën die hem in de ogen van het gezag daadwerkelijk tot een gevaar maakte: niet alleen geleerden, maar het hele volk kon zijn ‘ketterse’ gedachtegoed tot zich nemen. Zo bezien, concludeert Leeuwenburgh terecht, was de Republiek een stuk minder tolerant dan historici vaak beweren; zodra de gereformeerde religie serieus werd bedreigd, konden de autoriteiten wel degelijk hard optreden.