De Friese edelman en militair Poppo van Burmania (1602–1676) heeft een bijzonder geschrift nagelaten waarin we zijn leven als militair op de voet kunnen volgen, soms voorzien van een persoonlijke noot, maar zonder dat we kunnen spreken van intieme memoires. Gemeten naar moderne maatstaven zouden we dit werk tamelijk onpersoonlijk noemen, maar vergeleken met zijn tijdgenoten geeft hij juist veel van zichzelf bloot. Hij bedient zich zelfs negentig keer van het woord ‘ik’, zo telde Wiebe Bergsma. Uiteindelijk koos Bergsma echter voor de onpersoonlijke benaming kroniek, terwijl het door de auteur zelf gebruikte begrip ‘geschiedenissen’ de inhoud beter weergeeft. Een militair schrijft over de geschiedenissen/gebeurtenissen waarvan hij tijdens zijn lange carrière deel had uitgemaakt. Yuval Noah Harari (Renaissance military memoirs, 2004) gebruikt voor dit soort egodocumenten de term ‘Renaissance military memoirs’ en hoewel Harari zich beperkt tot de periode tot 1600, zou een vergelijking met zijn boek het werk van Poppo wellicht beter hebben kunnen situeren.

In de uitvoerige en helder geschreven inleiding behandelt Bergsma tal van aspecten, waarbij hij Poppo goed weet te plaatsen binnen de geschiedenis van de Nederlanden, maar ook meer specifiek binnen de Friese context. Het boek bedient zo een dubbel lezerspubliek. Het is echter eveneens een zeer boeiende tekst voor militair historici. Vooral de betekenis van vuurwapens komt prachtig naar voren in de ‘geschiedenissen’, zoals toen zijn oom per ongeluk de broer van Poppo voor diens ogen doodschoot (p. 82) of toen stadhouder Willem Frederik zichzelf dodelijk verwondde in zijn slaapkamer (p. 161). Maar hij kan ook plastisch vertellen hoe een kanonskogel het hoofd van een soldaat er volledig afschoot (p. 106). De vader van Poppo, ook een militair, werd in een loopgraaf door zijn hoofd geschoten waarbij de kogel ‘ginck onder sijn oge in ende bij de necke wederom ut’, maar zou dit overleven (pp. 80–81). Minder gelukkig was een bode die met zijn moeder stond te praten en dodelijk getroffen werd door een kogel die haar rok deed opwaaien (p. 80).

Vanuit mijn eigen expertise valt me op dat Bergsma nog een enkele keer een formulering als ‘een strijd tegen het Spaanse juk’ gebruikt (p. 68), terwijl dat een wel erg ouderwetse manier is om de Nederlandse Opstand te kenschetsen. Ook bij de uitgebreide en verder adequate annotatie van de brontekst zien we dat er weinig moeite is gedaan om de Spanjaarden in het verhaal thuis te brengen en enkele Spaanse namen blijken niet te kloppen. Dat doet echter nauwelijks afbreuk aan de grote waarde van deze verder voorbeeldige editie van een boeiend relaas over de Tachtigjarige Oorlog door een ooggetuige.