De herdenking van 300 jaar Vrede van Utrecht heeft in 2013 naast tal van activiteiten ook enkele nieuwe publicaties gebracht. Dit betreft bijvoorbeeld de catalogus In vredesnaam behorende bij de gelijknamige tentoonstelling in het Utrechtse Centraal Museum, geredigeerd door conservator Renger de Bruin en Maarten Brinkman. Samen met de Utrechtse historicus David Onnekink zorgde De Bruin ook voor een toegankelijke en fraai geïllustreerde introductie op de vrede van 1713. De eerste helft van hun boek gaat over de context en het verloop van de Spaanse Successieoorlog, die grotendeels in Utrecht werd beëindigd. De tweede helft bevat de onderhandelingen en hun resultaten, de viering, nasleep en betekenis van de vrede, de latere herdenkingen ervan en de stad Utrecht als tijdelijk diplomatiek centrum. De keuze voor de omslagillustratie komt bij dit alles niet logisch voor: het congres van Baden in 1714.

Zoals bekend leek na het overlijden van de kinderloze Spaanse koning Karel II de machtsbalans in Europa verstoord te raken doordat zowel Frankrijk als de Oostenrijks-Habsburgse keizer de Spaanse troon opeisten. Dit was een bedreigende situatie voor de Republiek, die in alliantie met Engeland al enkele oorlogen tegen Frankrijk achter de rug had. In het eerste hoofdstuk worden deze achtergronden geschetst, onder meer aan de hand van de ideeën die in de tijd zelf over het machtsevenwicht in Europa werden geopperd. Daarna volgt een gevarieerde beschrijving van de oorlog, die zich niet alleen binnen maar ook buiten Europa afspeelde. Vanwege de vele fronten zou een tabel met de belangrijkste slagen en hun winnaars en verliezers hierbij handig zijn geweest. In hun levendige weergave van de strijd verliezen de auteurs bij de periode 1704-1706 enigszins hun distantie door zich aan de kant van de geallieerden te scharen. Gezien het beoogde Nederlandstalige lezerspubliek is dit echter niet storend. De Franse kant van het verhaal wordt bovendien voldoende onder het voetlicht gebracht.

Verfrissend is het derde hoofdstuk over publiciteit en publieke opinie. Hierin behandelen de auteurs diverse media die aandacht aan de oorlog schonken. Zij typeren echter ten onrechte de Haerlemsche Courant als de ‘eerste permanente krant’ in de Republiek, vanaf 1650. Holland kende al sinds 1618 een langlopende krant in Amsterdam, gevolgd door Den Haag in 1652 en Haarlem pas in 1656. Ook de informatie over de Europische Mercurius is niet helemaal correct. Deze nieuwsperiodiek begon niet meteen in 1690 met halfjaarlijkse delen, maar had eerst kwartaalafleveringen.

De Spaanse Successieoorlog werd niet met één vredesverdrag, maar met een reeks bilaterale overeenkomsten afgesloten. Dit wordt in hoofdstuk vier in een oogopslag duidelijk via een tabel van alle verdragen in de periode 1713-1716. In dit hoofdstuk, dat als de kern van het boek mag worden beschouwd, wordt vooral het Nederlandse perspectief belicht. Voor de Republiek was het resultaat van de onderhandelingen teleurstellend. Dat is tevens een van de verklaringen voor de magere Nederlandse aandacht voor de Vrede van Utrecht in de eeuwen erna, het onderwerp van het zesde en tevens laatste hoofdstuk. De auteurs vermelden hierin terecht de veel voorkomende verwarring in Nederland met de Unie van Utrecht (1579), terwijl de Utrechtse vrede wel nog altijd bekendheid geniet in met name Spanje, Groot-Brittannië en Frankrijk. De kwestie Gibraltar is daarvan een tastbaar bewijs.

Het tussenliggende hoofdstuk vijf, over de stad Utrecht als organisator van het vredescongres en de culturele, sociale en economische gevolgen van de aanwezigheid van vele diplomaten, is een goede voorbereiding op de tweede hier te bespreken publicatie: de Nederlandse vertaling van de Franse schandaalkroniek over het liefdesleven van de onderhandelaars in Utrecht. Deze verscheen anoniem in 1713, zogenaamd te Luik bij de fictieve uitgever Jacob le Doux. In de inleiding op de vertaling maakt Erik Tigelaar aannemelijk dat de leraar Italiaans Augustinus Freschot verantwoordelijk was voor dit amusante werkje, dat destijds uitkwam bij de Utrechtse drukker-boekverkoper Thomas Appel. Tigelaar toont ook aan dat het waarheidsgehalte van Freschots verhaal hoger is dan lang werd aangenomen.

Het tweede boek, Histoire amoureuse & badine du congres & de la ville d’Utrecht, heeft de vorm van een briefroman, met een dienaar van een diplomaat als auteur. Elf brieven behandelen liefdesverwikkelingen en één brief is een commentaar op een vergelijkbare publicatie van de schrijfster Anne Marguerite Dunoyer, die kort tevoren was verschenen. Op elf van de twaalf vertaalde brieven volgt een toelichting van Tigelaar. Freschot duidde zijn personen in de brieven aan met een getal. In 1714 zou een ‘sleutel’ uitkomen, zodat iedereen achteraf kon nagaan wie met welk getal correspondeerde. In de vertaling is deze informatie in voetnoten verwerkt, zodat men nu meteen kan zien om welke personen het gaat. Roland Fagel leverde deze vertaling, die qua woordkeuze en zinslengte de hedendaagse lezer in de sfeer van de achttiende eeuw brengt.

Herdenkingen van historische gebeurtenissen hebben voor de historiografie doorgaans het voordeel dat nieuwe kennis en inzichten gesynthetiseerd kunnen worden. De makers van de hierboven toegelichte boeken hebben daaraan uitstekend bijgedragen.