De voorplaat van Benjamin Roberts’ nieuwste boek toont Willem Buytewechs Vrolijke Gezelschap, geschilderd ergens rond 1621 en nu te bewonderen in Boedapest. We lijken het luxueus geklede gezelschap, drie jonge mannen en een jonge vrouw, te storen. Een van de mannen, half over de kleine, zeshoekige tafel gebogen, kijkt ons over zijn linkerschouder aan. Dat zal de toenmalige beschouwer nieuwsgierig hebben gemaakt. Het maakt ook de lezer die Roberts’ boek ter hand neemt meer dan nieuwsgierig. Wat doen deze jongeren en wat moeten we denken van hun kostbare, bonte kleding en van alle andere, hen omringende materiële cultuur?

Roberts heeft een rijk geschakeerd beeld geschetst van een in tijd duidelijk omschreven jeugdcultuur, die van de jaren twintig en dertig van de zeventiende eeuw. Terecht brengt hij naar voren dat teveel historische studies van de jeugd te grote lijnen hebben getrokken en dat ook vroeger generaties zich van voorgaande generaties wilden onderscheiden. Zelf richt hij zich op de generatie geboren tussen 1595 en 1615. Binnen deze generatie beperkt Roberts zich echter nog verder, namelijk tot de mannelijke adolescenten en jonge mannen. Hij is vooral geïnteresseerd in kwesties van mannelijkheid, gecentreerd rond kleed- en drinkgedrag, geweld, seks en ontspanning. Daarmee sluit hij aan bij buitenlands onderzoek, bijvoorbeeld van Alexandra Shepard, Robert Shoemaker of Martin Dinges. Voor de Republiek, althans voor de eerste helft van de zeventiende eeuw, is dit echter geen gemakkelijke opgave.

Roberts heeft een breed scala aan bronnen doorzocht: schilderijen en prenten, manierenboeken, moralistische traktaten, stedelijke verordeningen en strafrechtelijke documenten, maar ook bijvoorbeeld liedboeken (juist de Republiek was bijzonder in haar liedcultuur) en egodocumenten. Veel van de geraadpleegde bronnen mogen tot de usual suspects gerekend worden. Jacob Cats’ Houwelijck, Gillis Quintijns De Hollandsche-Liis, Dirck Pietersz. Pers’ Bacchus Wonder-wercken en ook Jan Jansz. Starters Friesche Lust-Hof en de gedichten en toneelwerken van Gerbrand Adriaensz. Bredero komen allen ruim aan bod. Maar daarnaast heeft Roberts een aantal minder bekende documenten bekeken, bijvoorbeeld de Satyricon in corruptae iuventutis mores corruptos, een hekeldicht op de drank- en wellust van de Leidse studenten en geschreven met een opmerkelijke kennis van zaken door hun eigen hoogleraar in de ethica Johan Bodecher Benning.

In zeven aantrekkelijke hoofdstukken, deels op eerdere artikelen gebaseerd, schetst Roberts een intrigerend beeld van de mannelijke jeugdcultuur. De fysiologie komt aan bod: lengte, baard- en haargroei, de leeftijd bij semenarche (gauw zo’n vijf jaar hoger dan nu en bij de jonge Rembrandt, getuige Constantijn Huygens’ verbazing over zijn baardeloze wangen, zelfs wat hoger). Maar de gemiddelde huwelijksleeftijd lag ook hoog, wat de vele tussenliggende jaren in de ogen van ouders, predikanten en moralisten zo’n riskante periode maakten. Binnen de grenzen van de openbare orde en soms daarbuiten was echter veel toegestaan. Een voorbeeld is de Groningse student Otto Copes, die op een koude decemberavond in 1629 zo ladderzat was dat hij met zijn vrienden het pistool trok en de ingrijpende schutterij beschoot. Roberts begint en eindigt met diens agressieve dronk. Copes studeerde verder in Leiden en werd uiteindelijk een eerzaam regent in ’s-Hertogenbosch, ouderling in de Waalse kerk en zelfs vertegenwoordiger van de Brabantse Generaliteit in de Staten-Generaal.

Danzijk het werk van Roberts worden taferelen zoals die van Buytewechs Vrolijke Gezelschap voor ons nog toegankelijker. Daarmee brengt hij het onderzoek, na eerdere studies van Elmer Kolfin en Bianca du Mortier, over de interpretatie van de ‘vrolijke gezelschappen’, zoals die ook van de hand van Jan Miense Molenaer of Dirck en Frans Hals verschenen, weer een stapje verder. Roberts bedient ons van een treffend beeld van een enkele generatie, althans de mannelijke generatie, met al haar ook typisch mannelijke sociabiliteit en rituelen. Gezien de betrekkelijke schaarste aan bronnen een bijzondere prestatie.

Ik zou een paar kanttekeningen willen maken. Naar mijn idee blijft juist de belevingswereld van Roberts’ adolescenten en jonge mannen (zoals ook de wereld van de meisjes en jonge vrouwen met wie zij van doen hadden) te vlak. Welke betekenissen hechtten zij nu zelf aan hun praktijken of aan de hen omringende materiële cultuur? Kunnen we bijvoorbeeld een begrip als leisure zo maar overhevelen naar de zeventiende eeuw? Een enkele verwijzing naar Peter Burke of Alessandro Arcangeli is dan wel mager. Ook het eerbegrip, toch essentieel als het om mannelijkheid gaat, komt niet uit de verf. Niet bij vaderschapsacties, waar het juist draaide om de eer zowel van de man als de vrouw en ook niet bij bijvoorbeeld het duel. En waarom wordt er zo weinig aandacht besteed aan de concrete opvoeding van de adolescenten? Roberts schrijft Castigliones Libro del Cortegiano meteen weg omdat deze te laat in het Nederlandse zou zijn vertaald. Maar ondertussen weten we dat Castiglione in allerlei Franse en Spaanse bewerkingen en vertalingen in heel wat huizen van de elite, van Huygens tot en met burgemeesters, professoren en predikanten, in de boekenkast heeft gestaan. Op dezelfde wijze laten schilderijen van bijvoorbeeld David Vinckboons zien dat hij en zijn kopers op de hoogte waren van de laatste dansen in Frankrijk of Engeland. Maar over de dans (of het schermen) als een wezenlijk onderdeel van de opvoeding en de gewenste civilité vernemen we weinig of niets. Wellicht had Roberts zich ook beter tot deze, al ruim genomen en ook stedelijke, elite kunnen beperken. Hogere én lagere klassen, stad én land doen uiteindelijk af aan het fraaie panorama.